""Meneer Verdamme'', zei doctor Jansen hoffelijk. ...

""Meneer Verdamme'', zei doctor Jansen hoffelijk. ""Gaat u toch zitten en vertel mij eens hoe het is om beroemd te zijn, want alle mensen, het gaat wel hard met u - kranten, radio, televisie, ik kan me niet heugen dat ik ooit een patiënt heb gehad die het in zo korte tijd zo ver geschopt heeft.''

""Goedemorgen'', zei ik. Ik knikte hem toe, ging zitten en gaf te kennen dat het helemaal niet zo bijzonder was om beroemd te zijn. Dat kon hij maar moeilijk geloven.

""En zo bescheiden'', zei hij met enig venijn. Hij stond op, kwam dicht bij me staan en ging met koele, kundige vinger op zoek naar het bobbeltje aan mijn kaak. ""Juist ja...''

Ik rook zijn adem, had de dwaze behoefte hem in zijn ogen te kijken.

Vervolgens schoof hij weer achter zijn bureau. Hij bladerde in mijn dossier en begon naar de meer medische aspecten van mijn welzijn te informeren, eerst globaal, geleidelijk steeds specifieker, of ik daar geen last van had, of ik hier niets voelde; ik geloof niet dat er ook maar één orgaan of lichaamsfunctie onbesproken bleef. Telkens zei ik dat het wel meeviel en dan zei hij: ""Juist ja, mooi zo.''

Sinds ons vorige onderhoud was een maand of drie verstreken. In die tijd had doctor Jansen een volledige gedaanteverandering ondergaan. Ik herinnerde me hem kil en vijandig. Nu echter betoonde hij zich warm en toegewijd. Hij bediende zich van allerlei intieme glimlachjes en deed met zijn wenkbrauwen dingen, die op een enorme saamhorigheid schenen te wijzen. Alsof we op een of andere manier bondgenoten waren. Buitengewoon beklemmend.

Het kwam dan ook bijna als een opluchting dat hij, zijn potlood heen en weer rollend tussen duim en vingers, een tijdje naar buiten ging zitten kijken. Het regende. Het raam was gerimpeld, de wereld wazig. Sinds ik schreef was ik steeds op dergelijke details bedacht. Alles kon van pas komen.

""Kortom'', hernam doctor Jansen nadat hij zijn keel had geschreept, ""u voelt zich goed.''

""Tamelijk.''

""Zal ik uitleggen hoe dan komt?''

""Graag.''

Hij schraapte opnieuw zijn keel en zei: ""Ik vrees namelijk dat u slachtoffer bent geworden van een vergissing, een fout, een klein maar hinderlijk slordigheidje, begaan door mijn assistente of op het lab of waar dan ook, dat kan ik niet nagaan zonder de zaak aan de grote klok te hangen en dat lijkt me eerlijk gezegd in strijd met de belangen die op het spel staan, zowel de mijne als de uwe.''

De wind joeg vlagen tegen het glas. Daarbuiten kwam een kolossaal onduidelijk vliegtuig uit de wolken zakken.

Hij zei: ""Eigenlijk moet ik u feliciteren, u bent zo gezond als een vis. Natuurlijk, daar is nog steeds die onbegrepen zwelling aan uw kaak, maar die kan absoluut geen kwaad. Waarschijnlijk een blijvende verstopping, veroorzaakt door een verwaarloosde infectie, volmaakt onschuldig.''

Ik vroeg mij af waar het opeens gebleven was, dat kolossaal onduidelijke vliegtuig. Toch even niet opgelet!

""Tsja'', zei ik.

""Tsja'', zei doctor Jansen. ""Er zijn misschien een heleboel redenen te bedenken waarom u geen honderd zou worden, maar dat zult u dan zelf moeten doen, ik kan u verder niet helpen, ik kan alleen maar zeggen: u bent niet ziek geweest en toch geheel genezen!''

We bespraken de afwikkeling van de kwestie. Daarna stond ik op en doctor Jansen ook. Bij de deur legde hij zijn hand op mijn schouder. ""Denkt u eens aan die arme meneer Visser'', zei hij. ""Die mankeerde hoegenaamd niets en ligt nu op sterven. Dat lijkt me ook geen pretje.''

(wordt vervolgd)