LOTERIJEN

Daer compt de Lotery met trommels en trompetten! Loterijen in de Nederlanden tot 1726 door Anneke Huisman en Johan Koppenol 125 blz., Verloren 1991, f 20,- ISBN 90 6550 109 6

Onze voorvaderen was niets menselijks vreemd. Goklust, spotzucht, godsvrucht: we komen het allemaal tegen in Daer compt de Lotery met trommels en trompetten!, een klein maar charmant overzicht van de geschiedenis van de loterijen in Nederland. Het boek is geschreven ter opluistering van het 275-jarig bestaan van de Staatsloterij. Maar wie mocht denken dat de geschiedenis van het Nederlandse gokken pas bij de oprichting van de Staatsloterij in 1726 begint, heeft het mis. In zekere zin was de Staatsloterij juist het einde van een lange en vrolijke traditie.

Vanaf de middeleeuwen werden, eerst in de zuidelijke maar later vooral in de noordelijke Nederlanden, de grootse loterijspektakels opgezet waar de titel van het boek op doelt. Met trommels en trompetten, met klokgelui en het branden van fakkels werden loterijen aangekondigd en voltrokken. Aan sommige namen tienduizenden mensen deel, die ongetwijfeld allen, tegen beter weten in, hoopten op "'t hoogste lot'.

Een van de leukste aspekten was dat deelnemers tot in de achttiende eeuw een rijmpje opgaven wanneer zij een lot kochten. Loten aan toonder bestonden nog niet: men schreef zich in bij iemand van de loterijorganisatie. Waarom het noteren van de naam alleen niet voldoende was, weten we niet, en ook de auteurs van dit boek hebben er geen nieuwe verklaring voor gevonden. Maar zeker is dat de rijmelarij de openbare trekking zeer verlevendigde.

Zo'n trekking duurde vaak vele dagen en nachten. Uit een grote mand op een toneel in de open lucht werd eerst een briefje met een rijmpje getrokken en luid voorgelezen. Daarna trok men een papiertje uit een tweede mand. Was dat blanco, dan riep de "trekker': ""Niet!'' Natuurlijk stond er zelden een prijs op genoteerd. De rijmpjes zullen de honderden omstanders veel plezier hebben bezorgd. Vooral als na een poëem als ""Trecker, wat sout ghij seggen / off ghij een ander bij u wijff saegt leggen?'' een ""niet'' te horen viel.

Behalve op dat volksculturele aspect gaan de schrijvers in op de financiële betekenis van de loterijen. Vele daarvan waren uitermate winstgevend. Daarom waren ze een geliefd middel om nieuwe gasthuizen of vestingwerken te bekostigen, of simpelweg om het gat in de stedelijke schatkist te dichten. Voor de Reformatie leidde dat tot uitwassen waarbij zelfs aflaten werden verloot.

Daer compt de Lotery met trommels en trompetten! eindigt met de oprichting van de Staatsloterij. Die uiteindelijke centralisatie van de loterijenorganisatie in Nederland is tevens het einde van de loterij als volksspektakel. Vanaf het begin was de Generaliteitsloterij, zoals die toen nog heette, vrijwel net zo georganiseerd als nu. Rijmpjes waren voortaan overbodig en de opbrengst werd over de verschillende provincies verdeeld.

Sinds het einde van de vorige eeuw is er nauwelijks meer studie naar loterijen gedaan. De detaillistische monografie van Fokker uit 1862 liet nogal wat vragen open. Huisman en Koppenol hebben nu enig aanvullend eigen onderzoek gedaan en, in kort bestek, een veel overzichtelijker boek geschreven, waarin de geschiedenis van de loterijen vlot leesbaar op een rijtje is gezet.