KLOKGEBEIER OVER ONEINDIG LAAGLAND

Beiaardkunst in de Lage Landen door André Lehr, Wim Truyen en Gilbert Huybens 319 blz., geïll. Lannoo / Tirion 1991, f 135,- ISBN 90 5121 284 4 (ook verkrijgbaar als: The Art of the Carillon in the Low Countries, ISBN 90 209 1917 2)

Als Nederland een nieuw symbool zoekt voor ons land, in plaats van klompen, tulpen en molens, zou het eens aan de beiaard moeten denken. ""Zoo er één kunstvak is, dat hier ontstaan is, dat hier verspreid is, dat hier ontwikkeld is, dat zijne hoogste bekende volmaaktheid hier, en hier alleen bereikt heeft, dan is dat voorzeker het klokkenspel,'' hield in augustus 1875 pastoor J. W. Brouwers zijn gehoor al voor op de veertiende Nederlandsche Taal- en Letterkundige Congressen in Maastricht. En met ""hier'' doelde hij op Nederland èn Vlaanderen èn Frans-Vlaanderen, want dat gehele gebied is de bakermat van de beiaard.

Toch heeft in de onophoudelijke discussies over het eigene van onze cultuur nog geen prominente Nederlander geroepen: ""De beiaard!'' Minister Gaston Geens, voorzitter van de Vlaamse Raad, heeft dat wel gedaan: hij maakte de publikatie van een imposant boekwerk over dit fascinerende verschijnsel mede mogelijk. Beiaardkunst in de Lage Landen is de synthese van het oeuvre dat André Lehr (1929) over dit onderwerp publiceerde. In 1949 trad hij in dienst bij de klokkegieterij Koninklijke Eijsbouts, was er vanaf 1976 directeur, en is sinds 1969 mede-oprichter en directeur van het Nationaal Beiaardmuseum te Asten. Voor zijn talrijke publikaties verleende de Rijksuniversiteit van Utrecht hem in 1986 een ere-doctoraat. Maar met 319 pagina's, 393 afbeeldingen en 308 voetnoten is dit boek meer dan een synthese, het is ook een monument voor een Nederlands symbool.

De beiaard mag dan een Nederlands-Vlaamse uitvinding zijn, de klok zelf heeft een langere voorgeschiedenis. Klepelloze klokken komen al voor in China sinds 1500 voor Christus en dat type verspreidde zich over Zuidoost-Azië tot op de huidige dag. Nog is telkenjare bij de herdenking van de aanval op Hiroshima te zien hoe priesters met een soort stormram een stilstaande klok een klap verkopen. In het Indo-Javaanse rijk klingelden klokjes van de achtste tot het begin van de zestiende eeuw, toen er door de komst van de islam een einde aan werd gemaakt. Moslims wijzen klokken af als symbool van het christendom, maar boeddhisten en hindoes tillen daar minder zwaar aan.

Ofschoon er in het derde millennium al aardewerken klokjes werden gebruikt in Roemenië en op Kreta, kwam de bronzen klok naar Europa via Iran, waar exemplaren uit 1200 v. Chr. zijn gevonden. Het gebruik voor religieuze riten bleef in het klassieke Griekenland en het Romeinse rijk bewaard. Ontdaan van wat heidense gebruiken werd de klok door de christelijke kerk eenvoudigweg overgenomen, al duurde het wel even voordat het bijgeloof verdwenen was dat klokgelui kwade geesten verjaagt.

KLOKGIETKUNST

Hoe de klok in de Lage landen is terechtgekomen, is niet precies bekend, maar er zijn twee mogelijkheden. Onze streken zijn gekerstend vanuit de Angelsaksische en de Frankische landen, en in beide streken kende men de klok al, in de één de handbel, in de ander de luidklok. Zo vroeg omstreeks 750 Bonifatius aan de abt van het Engelse klooster in Wearmouth: ""Indien het U niet bezwaarlijk is, zo verzoeken wij U nog ons een klok te sturen. Dat zou ons veel troost geven op onze pelgrimstocht in vreemde landen.'' Als die klok hem ooit bereikte, heeft het niet veel mogen baten: een Fries sloeg hem vier jaar later de schedel in.

Onder Karel de Grote (742-814) verspreidde de klokgietkunst zich over West-Europa. De klok werd symbool voor de prediking, de klepel voor de prediker van het nieuwe testament, wiens stem gehoord zal worden ""tot het einde der tijden en tot in alle uithoeken van de aarde''.

Die religieuze functie heeft de (luid)klok tot op heden bewaard: de grote om tot de kerkgang op te roepen, kleinere in de (rooms-katholieke) kerk die het tonen van het geconsacreerde brood en wijn opluisteren. Al in 1315 was men er in Luik achter dat je met een klok veel meer dingen kunt doen, de uren aangeven bijvoorbeeld. Een mechaniekje liet elk kwartier een houten hamer op de luidklok slaan, zodat iedereen wist hoe laat het was. Later kwam er de voorslag bij: een paar kleinere klokjes met een riedeltje dat aan de uurklok voorafging. Dat gold in Europa als een hoogtepunt van ingenieus vakmanschap.

In de Nederlanden ging men nog een stap verder: men vond het wel mooi, maar als er nu nog meer klokken bijkwamen, dan was het resultaat toch nog veel imposanter? In de twaalfde eeuw waren klokken van één meter hoogte en duizend kilo gewicht al geen uitondering meer, en in 1400 werd het eerste klokkengieterscentrum gesticht. De klokken werden overigens bij de opdrachtgever gegoten omdat het vervoer nog zo'n probleem was. Zo maakte Europa's beroemdste luidklokkengieter Geert van Wou (ca. 1450-1527) in 1505 een "gelui' voor de Utrechtse Domtoren, bestaande uit dertien klokken. Die konden worden geluid of gebeierd: door middel van touwen aan de klepel naar een centraal punt om van daaruit tot klinken te worden gebracht, zoals nu nog bij de Heilige Grafkerk in Jeruzalem gebeurt.

STEDELIJKE TRADITIE

Naarmate er meer klokken kwamen en meer touwen werd het bespelen lastiger. De oplossing was de touwen te verbinden aan een klavier. De oudste beiaardbespeling zoals wij hem nu kennen vond in 1478 plaats in Duinkerken, vier jaar later was het ook in Antwerpen te horen. Omstreeks 1530 deed de speeltrommel met uitneembare toonstiften zijn intrede, waardoor "automatisch' liedjes weerklonken en in de tweede helft van de zestiende eeuw introduceerden Vlaamse gieters het twee-octaafsspel van achttien klokken. Toen was er geen houden meer aan: er werden er minstens vijftig van gegoten door grootmeesters als Wagheven en Van den Ghein in Mechelen, en daarmee was elke zichzelf respecterende stad bijna wel voorzien.

Die opkomst van het klokkespel is te verklaren uit de combinatie van de sterke stedelijke traditie in de Nederlanden, de opkomst van het geschut, die zorgde voor bronsgieters, en de muziektraditie. Tussen omstreeks 1430 en 1550 werden de Nederlandse musici en componisten tot de meest vooraanstaande van Europa gerekend, met coryfeeën als Jacob Obrecht, Josquin des Prez en Jacobus Clemens non Papa. Dat alles nam niet weg dat de klokken nog aan een groot euvel leden: de stemming bleef gebrekkig.

De Utrechtse stadsbeiaardier Jacob van Eyck (ca. 1590-1657) was de eerste die de boventonen van een klok op systematische wijze wist te analyseren, de klank in componenten uiteen wist te rafelen. De Zutphense klokkengieters François en Pieter Hemony (respectievelijk ca. 1609-1667 en 1619-1680) zagen het belang van zijn vinding ogenblikkelijk in en gingen een samenwerking aan. Dat resulteerde in 1644 in de eerste zuiver gestemde en fraai getimbreerde beiaard van de Nederlanden. Hij was bestemd voor de Wijnhuistoren in Zutphen en heeft tot de brand in 1920 gefunctioneerd. De toonzuiverheid van de Hemony-beiaard was op slag beroemd. Het stadsbestuur van Amsterdam nodigde François uit naar Amsterdam te komen en stelde hem een huis aan het Molenpad ter beschikking; zelfs zijn verzoek om een katholieke privé-kapel werd ingewilligd.

In Amsterdam goot Hemony twintig beiaarden, waarvan er nog twaalf bestaan. Naast de toonzuiverheid kenmerken die zich door de fraaie klankkleur, de gemakkelijke bespeelbaarheid en de mogelijkheid volledig chromatische reeksen te bereiken, waar men zich voorheen met diatonische spellen tevreden moest stellen. François goot niet alleen de beiaard van het Stadhuis op de Dam, maar ook de zes bronzen beelden op het dak, deze laatste naar het ontwerp van de Antwerpenaar Artus Quellinus. Toen hij in 1667 overleed, werd hij bijgezet in de Nieuwe Kerk. Eén van zijn eigen klokken overluidde hem drieëneenhalf uur lang.

RAMPJAAR

Met de dood van François Hemony was ook de glorietijd van de beiaard afgelopen: Pieter werd nog wel uit Gent teruggeroepen, maar haalde niet de produktie van zijn broer. Ten eerste was de markt langzamerhand verzadigd, ten tweede kreeg hij te kampen met concurrentie van Melchior de Haze uit Antwerpen en ten derde kwam het Rampjaar 1672 roet in het eten strooien. Met Pieters dood in 1680 (hem heeft geen klok overluid!) liep de beiaardproduktie in Amsterdam naar zijn einde. Maar tot groot ongeluk van de gieters na hen bleef de Hemony-beiaard wel de norm. Het "klokkengietersgeheim' hadden de broers evenwel meegenomen in het graf, en het zou bijna drie eeuwen duren voordat er in Nederland weer een zuivere beiaard werd gegoten.

Maar in 1904 lukte het gieterij Taylor in Loughborough weer een zuivere gestemde beiaard te maken. Het bedrijf leverde in 1911 een mooi klokkenspel aan Appingedam, gevolgd door Vlissingen, Eindhoven, Zwolle en Hattem. In Vlaanderen lukte het in 1928 opnieuw een zuiver gestemde beiaard te maken, in Nederland duurde dat tot 1939 bij Petit & Fritsen in Aarle-Rixtel. Naast Eijsbouts in Asten is het de enige klokkengieterij in de Lage Landen die nog over is.

In de achttiende eeuw stond het klokkengieten op een laag pitje, maar hadden de beiaardiers wel degelijk een hoog niveau. Veel aandacht ging uit naar de tractuur, het "binnenwerk'. Dat veranderde pas in 1892, toen in Mechelen Jef Denijn (1862-1941) zich niet alleen een vurig pleitbezorger voor de beiaard betoonde, maar bovendien het tuimelaarsysteem een nieuwe toepassing gaf, waardoor het bespelen van een klokkenspel aanzienlijk lichter werd. Overal waar hij als adviseur werd gevraagd, schafte hij het oude "broekstelsel' af, hetgeen nog aanleiding gaf tot de "broekse en tuimelaarse twisten'.

De twisten laaiden hoog op toen het carillon van de Utrechtse Domtoren ter discussie kwam. Dat had een broeksysteem, hetgeen zeer geëigend is voor de oude Hollandse speelwijze, terwijl de nieuwe Vlaamse speelwijze, met de aangehouden zang en de vele expressieve fortes en piano's, in statige accoorden en beheerste ritmiek, zoals Denijn die beoefende, juist vroeg om een tuimelaarstelsel. Inmiddels is alleen het stadhuis van Den Bosch nog uitgerust met een beiaard van het broekstelsel, want Denijn maakte school. Ook letterlijk, want hij richtte in 1922 in Mechelen de beiaardschool op, een instituut dat in Nederland pas in 1953 van de grond kwam.

De geestdrift van Denijn werkte aanstekelijk, en met zijn zondagavondconcerten zorgde hij voor een grote populariteit van de beiaard. Alleen al in Nederland kwamen er tussen 1911 en '34 éénentwintig beiaarden bij: het was een democratisch en vooral volksverheffend instrument. Men hoefde niet een kaartje te kopen, geen zaal in, maar kon op straat of plein toch van muziek genieten. Na de oorlog sleet dit moralisme wel af, maar het aantal klokkenspelen bleef stijgen.

SMELTKROES

Van oudsher hebben de Nederlandse klokken veel belangstelling van buitenlanders getrokken, vooral als ze met kwade bedoelingen kwamen. Het klokkenbrons leende zich bij uitstek tot hergieting in geschut. Telkens wannner de Lage Landen werden bezet, verdwenen er klokken in de smeltkroes, de laatste keer in 1942 / 43 tijdens de Duitse klokkenvordering, waarbij 75 procent van de klokken werd opgeëist. In 1940 beschikte Nederland over 9000 klokken met een gewicht van 3.450.000 kilo, België had er enkele honderden minder maar met een groter gewicht: 4.892.000 kilo. Slechts 1 op 10 klokken kreeg de letter "M' (van Monument) opgekalkt om ze te redden. Het geallieerde bombardement op de smeltkroes in Hamburg in juni 1944 heeft veel reeds afgevoerde klokken alsnog gered, al bleef de schade aan eeuwenoud erfgoed onherstelbaar.

Tegenwoordig worden afgedankte klokken meestal in of bij de kerk bewaard of in het museum opgesteld, omdat hun randschriften en -versieringen zo mooi zijn. En dat is dan het laatste strijdpunt: is de klok of de beiaard een muziekinstrument of een kunstobject. De consensus is natuurlijk een mooie, oude en welluidende klok. En ik kan het weten: ik heb in mijn jeugd lange tijd klokken geluid van Willem Wegewaert uit 1533, met open mond, want ik stond er tussenin.