HULPACTIES

Tussen korenvelden en puinhopen. Onderweg met Artsen zonder Grenzen door Jacques de Milliano 136 blz., Balans / Lannoo 1991, f 24,50 ISBN 90 5018 149 X

In de herfst van 1984 begon vanuit een keldertje aan de Prinsengracht in Amsterdam de noodhulporganisatie Artsen zonder Grenzen te werken. Ruim zeven jaar later is ze uitgegroeid tot een instelling met een jaarlijks budget van 60 miljoen gulden en een hoofdkantoor met vijftig vaste krachten. De circa 175 medewerkers in het veld, veelal jonge vrijwilligers die een interessante ervaring willen opdoen alvorens een rustiger loopbaan in Nederland te kiezen, stromen met grote regelmaat uit naar crisishaarden en rampgebieden in de hele wereld.

De stormachtige groei van Artsen zonder Grenzen is mede te danken aan de dynamische leiding van de oprichter, de 36-jarige Jacques de Milliano. Hij beschikt over een uitstekend gevoel voor public relations. In het vliegtuig van Artsen zonder Grenzen met hulpgoederen of in de auto op weg naar een vluchtelingenkamp is doorgaans wel een plaatsje vrij voor een geïnteresseerde journalist, die vervolgens in geuren en kleuren allerlei over de nuttige verrichtingen van de organisatie mag aanhoren. Ook vanuit het Amsterdamse kantoor worden de media altijd op hun wenken bediend. Weinig hulporganisaties zullen er in zijn geslaagd om zo frequent op de televisie te verschijnen als Artsen zonder Grenzen.

Jacques de Milliano richt zich nu op een andere manier tot het Nederlandse publiek: met zijn eerste boek, Tussen korenvelden en puinhopen. Het is een vlot geschreven maar enigszins oppervlakkig werkje geworden, waarin de auteur ingaat op zijn ervaringen als jonge vrijwillige arts in Tsjaad, op zijn latere reizen naar rampgebieden als directeur van Artsen zonder Grenzen en, zij het in zeer kort bestek, op de ontwikkeling van zijn eigen organisatie.

Indringend beschrijft hij de erbarmelijke omstandigheden waarin de hulpbehoevenden terecht zijn gekomen. Hoe in 1985 in het noorden van Somalië de tenten van Ethiopische vluchtelingen met cholera omver werden geblazen door de wind, waarna de patiënten apathisch in de regen bleven zitten. Hoe in 1988 de Iraakse Koerden in de plaats Halabja door Saddam Hussein werden vergast en hoe drie jaar later de Iraakse Koerden crepeerden op Turkse berghellingen. De hulpmiddelen voor de slachtoffers schoten vaak tekort waardoor De Milliano en de zijnen soms doelbewust maar met pijn in het hart bepaalde categorieën patienten aan hun lot moesten overlaten.

Interessant is de uiteenzetting van De Milliano over de statutair vastgelegde politieke neutraliteit van zijn organisatie. Artsen zonder Grenzen houdt er wat dit betreft een veel ruimere interpretatie op na dan bij voorbeeld het Internationale Rode Kruis of de hulporganisaties van de Verenigde Naties. Die zijn slechts bereid om waar dan ook te opereren wanneer ze daarvoor expliciet toestemming hebben van de wettige autoriteiten. Dit betekent dat ze zich bewust verre houden van gebieden waar opstandelingen het voor het zeggen hebben, ook al hebben juist daar de mensen dikwijls dringend behoefte aan hulp.

De Milliano maakt een onderscheid tussen actieve en passieve neutraliteit en kiest duidelijk voor de eerste vorm. ""De humanitaire noden van de vluchtelingen zijn het enige criterium om te besluiten of hulp gewenst is of niet. Grenzen, machtsverhoudingen en bureaucratie doorbreken we of omzeilen we, actief. Indien een regering wil samenwerken, juichen we dit toe omdat dit de hulpverlening ten goede komt,' schrijft hij.

Op grond van deze filosofie aarzelde Artsen zonder Grenzen vorig voorjaar geen moment om alvast clandestien een kliniekje voor de Koerden op de Turkse bergen op te richten zonder toestemming vooraf van de Turkse autoriteiten. Veel mensenlevens konden door deze handelwijze worden gered. Juist dankzij deze opstelling vormt Artsen zonder Grenzen samen met haar zusterorganisaties in Frankrijk en Belgie een belangrijke aanvulling in de noodhulpsector op het werk van gouvernementeel ingestelde organisaties als het Rode Kruis en de VN.

Over de precieze werkwijze van Artsen zonder Grenzen vernemen we slechts broksgewijs het een en ander. Dit is jammer, want het zou interessant zijn om meer te horen over de vraag hoe Artsen zonder Grenzen (afgezien van de 350.000 donateurs) aan zijn fondsen komt voor de kostbare hulpoperaties. Hoe men er in slaagt om de hulpgoederen tijdig in het land van bestemming te krijgen, hoe de samenwerking met de autoriteiten ter plaatse verloopt en of de hulp de slachtoffers doorgaans inderdaad bereikt.