HOE COLOMBIA DE OORLOG TEGEN HET DRUGS-KARTEL VERLOOR

Mi Guerra en Medellin door Augusto Bahamon Dussan 152 blz., Intermedio Editores 1991 (Calle 93 No. 20-17, Santafe de Bogota), ¢4 f 25,- ISBN 958 637 171 9

Alle oorlogen waarin de Colombiaanse staat is verwikkeld, spelen zich deels af in Medellin. Die stad is niet alleen het strijdtoneel van de oorlog tegen drugshandel en de zogenoemde narco-terroristen, de zwakke Colombiaanse rechtstaat moet het er ook opnemen tegen linkse guerrilla-strijders, rechtse para-militaire organisaties, bendes huurmoordenaars, zogeheten volksmilities en niet te vergeten de "gewone criminaliteit' - die er zelfs voor Colombiaanse begrippen de laatste jaren de pan uit rijst. Bij dat alles komen dan ook nog eens de corruptie en schendingen van mensenrechten bij leger en politie.

Als tweede man van het legeronderdeel dat in Medellin de orde moet herstellen heeft kolonel Augusto Bahamon Dussan (1946) anderhalf jaar lang aan dit complexe front gediend, juist in de periode dat de strijd tegen de drugshandelaren op zijn bloedigst was. In juli vorig jaar werd Bahamon gedwongen ontslag te nemen. Uit veiligheidsoverwegingen heeft hij inmiddels het land verlaten, maar niet zonder zijn laatste schot gelost te hebben: de publikatie van het bittere verslag van zijn belevenissen als Tweede Commandant van de Vierde Brigade in Medellin, het boekje Mi Guerra en Medellin ("Mijn oorlog in Medellin').

Zelfs in Colombia, waar men wel het een en ander gewend is, veroorzaakte het boek een schokeffect. Tussen de talloze publikaties die er jaarlijks over de drugsoorlog en de guerrilla verschijnen, valt Mi guerra en Medellin op omdat het van binnenuit het leger toont hoe verziekt niet alleen de maatschappij is, maar ook het veiligheidsapparaat dat de rechtsorde zou moeten herstellen. Bahamon laat zien waarom de oorlog tegen de drugshandel, ondanks de schijn van het tegendeel, verloren is. Daarnaast geeft hij allerlei pikante informatie over de samenwerking van de drugsmafia met de plaatselijke autoriteiten, en vertelt hij over politie-agenten die martelen en moorden, en legerofficieren die afzwaaien om als lijfwacht in dienst treden bij de mafia.

PRIORITEIT

Toen Bahamon in december 1989 zijn nieuwe baan in Medellin aanvaardde, verkeerde het Colombiaanse leger op voet van oorlog met de drugsmafia. De handel in drugs bestond er al twintig jaar, maar bestrijding ervan had nooit politieke prioriteit gehad en was zeker geen zaak van het leger. Dat veranderde pas toen in september 1989, in opdracht van het kartel van Medellin, presidentskandidaat Luis Carlos Galan werd vermoord. Toen verklaarde de Colombiaanse politiek het kartel en zijn leider Pablo Escobar de oorlog.

De strijdkrachten moesten het in die oorlog opnemen tegen de zeer effectieve troepen van de mafia: bendes jonge huurmoordenaars die bekend stonden als sicarios. Enkele voorgangers van Bahamon waren door hen vermoord. De kolonel besefte dat, maar tegelijkertijd zag hij zijn plaatsing in Medellin als een mooie kans om promotie te maken.

Zijn werk in de hoofdstad van de drugshandel begon met een grootscheepse actie tegen de sicarios, in een van de armste wijken in het noordoosten van de stad, waar in opdracht van de mafia 3.000 moorden waren gepleegd. De troepen van Bahamon bezetten de wijk en binnen drie maanden werden 970 jonge misdadigers gearresteerd.

Bahamon schrijft bijna met mededogen over de doorsnee sicario. Het gaat meestal om werkloze jongens (een enkele keer meisjes), kinderen uit arme gezinnen, veelal zonder vader, die door de drugsmafia zijn geworven om tegen doorgaans forse betaling haar vijanden uit de weg te ruimen. Het zijn de schoffies, soms niet ouder dan veertien jaar, die als ze in een andere tijd waren geboren op straat horloges hadden gestolen. ""Van de eerste moord word je misselijk en raak je in een roes. De tweede doet je al niets meer,' zei een van hen ooit in een interview met de krant El Tiempo.

Ze leven oog in oog met de dood. Ook hun eigen dood. Het lijkt misschien niet riskant om van achter op een motorfiets met een automatisch vuurwapen een nietsvermoedend slachtoffer neer te maaien. Maar veel sicarios worden slachtoffer van de onderlinge afrekeningen tussen de bendes, of ze worden uit de weg geruimd als ze voor hun opdrachtgevers te lastig worden.

Tussen de sicarios onderling bestaat een duidelijke hiërarchie die vooral is gebaseerd op ervaring en succes bij het moorden, maar ook op discretie en aanzien in de buurt. Onder aan de ladder staan de desechables, "wegwerpjongens'. Ze hebben fouten gemaakt, zich niet aan hun afspraken gehouden of geen maat weten te houden bij het drugsgebruik. Zij worden door hun opdrachtgevers gebruikt om auto's met explosieven te besturen en vervolgens met autobom en al de lucht in te laten vliegen.

Bahamon maakt zich weinig illusies over de strijd tegen de sicarios. Van zijn 970 arrestanten zaten er na enkele maanden nog 86 in de gevangenis, 68 waren inmiddels vermoord en de rest liep weer vrij rond. Zolang talloze rechters in Colombia worstelen met het dilemma plomo o plata - de keuze tussen vermoord worden of wat smeergeld accepteren - verkiezen velen toch maar het laatste.

BEZIGHEID

Bovendien, schrijft Bahamon, is er in de arme wijken een complete generatie opgegroeid zonder enig toekomstperspectief. Voor hen fungeert de mafia als een soort staat, die regels stelt, werk biedt en zelfs zicht op rijkdom. Hij verwijt de politiek dat zij alleen een militaire oplossing voor het probleem van de sicarios zoekt, terwijl het om te beginnen nodig is de jongens ""een bezigheid te geven'. En hoe kan dat lukken, vraagt hij retorisch, hoe kan de werkloosheid onder deze jongeren aangepakt worden, zolang het bij een sollicitatie al fataal is om te bekennen dat je in het noordoosten van de stad woont?

Wat Colombia voor de wereld is en Medellin voor Colombia, dat is Envigado voor Medellin, schrijft Bahamon. In deze zuidelijke buurgemeente van Medellin, die zichzelf aanprijst als "Het Monaco van Zuid-Amerika', bevond zich jarenlang het hoofdkwartier van het drugskartel. De Vierde Brigade kamde het plaatsje volledig uit en ontmantelde de paardenfokkerij die fungeerde als ontmoetingsplaats voor de drugshandelaren. Maar de grote baas, Pablo Escobar, bleef onvindbaar.

Steeds als de militairen hem op het spoor waren en ergens een inval deden, bleek hij net gevlogen. Het vermoeden werd allengs sterker dat Escobar een informant had onder de militairen. Na een grondig onderzoek nam inderdaad een inlichtingen-officier ontslag; de man had voor de dure carrière van zijn zoon in de paardensport geld geaccepteerd uit mafiose kring, en zich daarmee allerlei verplichtingen op de hals gehaald.

Het is een van de vele voorbeelden die Bahamon geeft van collega's die in de greep van de mafia raakten. Een ander was een militair wiens gedrag onkreukbaar was, tot zijn vrouw een buitenechtelijke verhouding kreeg en daarmee de dienst in opspraak bracht. De man kon kiezen: ontslag nemen of scheiden. Hij koos voor het eerste, maar dat betekende werkloosheid. De ervaring die hij in zijn militaire carrière had opgedaan was echter voor de drugsbazen uiterst waardevol. Hij werd een goedbetaalde sleutelfiguur in de oorlog tussen de concurrende drugskartels van Medellin en Cali, en later organisator van een rechtse para-militaire groep die dood en verderf zaaide. Toen hij naar de zin van de drugsbazen te machtig werd, was het snel met hem afgelopen - zijn lijk werd in de heuvels bij Envigado gevonden.

Weer een ander, die ooit verantwoordelijk was voor de beveiliging van twee Colombiaanse presidenten, eindigde als hoofd beveiliging van Escobar - die hem ten slotte verdacht van spionage voor het leger en liet afmaken.

Ook bij de politie had de mafia haar mensen. Bahamon beschrijft de nachtelijke uitstapjes van agenten van het Departement voor Veiligheid en Controle van de gemeente Envigado, op zoek naar mogelijke vijanden van het kartel van Medellin. Een nummerplaat uit Cali was al voldoende voor de verdenking dat iemand voor de concurrent werkte. De agenten sloten op wie ze wilden, ze martelden hun arrestanten of lieten ze verdwijnen.

Ondertussen was ook de guerrilla nog actief. In mei 1990 liep een munitietransport van het leger op de weg van Medellin naar Bogota in een hinderlaag van het Nationale Bevrijdingsleger (ELN). Als verantwoordelijk officier werd Bahamon onderworpen aan een slopend disciplinair en strafrechtelijk onderzoek. Soms twee of drie keer per dag werd hij door onderzoeksrechters verhoord. En bij dat alles moest de oorlog van alledag wel gewoon doorgaan. Na acht maanden werd hij van alle blaam gezuiverd, maar toen was er al iets geknapt bij de kolonel.

Ondertussen werd Medellin geteisterd door een golf ontvoeringen - een goede bron van inkomsten voor sicarios die tijdelijk zonder werk zitten. Daarnaast had de drugsmafia een moordcampagne ontketend tegen politie-agenten. Als represailles namen collega's van de slachtoffers bloedig wraak. In auto's zonder nummerborden trokken ze er 's nachts op uit om bloedbaden aan te richten in cafés of andere ontmoetingsplaatsen van werkloze jongeren - in de ogen van de agenten allemaal potentiële sicarios.

VOLKSMILITIES

Eind 1990 kwam er nog een probleem bij: nieuwe, goed bewapende groepen staken in de arme wijken de kop op. Ze tooiden zich met de naam volksmilities en kwamen, schrijft Bahamon, voort uit de gedemobiliseerde guerrilla-groeperingen M-19 en het Volksbevrijdingsleger (EPL). Hoewel die met de regering overeengekomen waren de wapens neer te leggen en voortaan met democratische middelen te opereren, zetten ze onder het mom van sociaal werk hun operaties gewoon voort, en wel midden in de stad.

Onderwijl bleef de strijd tegen de grote bazen van het drugskartel een prioriteit voor Bahamon. Maar toen Pablo Escobar zich in juni 1991 eindelijk overgaf, was dat voor de kolonel geen opluchting. Die overgave was geen resultaat van het werk van leger of politie, maar vond plaats na intensieve onderhandelingen met de hoogste politieke autoriteiten, die onder grote druk van de aanhoudende terreur van de drugsbendes stonden. Op dezelfde dag dat Escobar zich meldde bij de politie van Medellin, besloot de grondwetgevende vergadering tot grote tevredenheid van alle mafiosi dat Colombiaanse misdadigers voortaan niet meer mochten worden uitgeleverd aan de Verenigde Staten. ""De oorlog tegen het narco-terrorisme was verloren. Voor niets heeft het zweet en bloed van politiemensen en soldaten gevloeid,' concludeert Bahamon.

De Vierde Brigade kreeg de opdracht het terrein te bewaken rond de gevangenis die speciaal voor Escobar en op diens aanwijzingen was gebouwd. Niet om te voorkomen dat Escobar ontsnapte, aldus Bahamon, maar om te voorkomen dat een van zijn vele vijanden hem kon vermoorden. ""Paradox van deze absurde oorlog: nu betaalt de staat nota bene voor zijn veiligheid.'

STRAFSCHOPGEBIED

Een paar weken later dwong een schandaal Bahamon tot aftreden. De episode doet kolderiek aan tegen de achtergrond van alle werkelijke drama's van Medellin. De kolonel werd ten val gebracht door de eigenzinnige keeper van het Colombiaanse voetbalelftal, de nationale held René Higuita, die ook in Nederland bekend raakte door zijn gewaagde acties ver buiten het strafschopgebied.

Higuita heeft zich opgewerkt uit een van de armste en gewelddadigste wijken van Medellin, mede dankzij zijn maecenas Escobar. En na de arrestatie van Don Pablo zou de kee-per hem graag een bezoekje brengen in diens gevangenis, en wellicht zelfs een balletje met hem trappen.

Dat verzoek bereikte Bahamon toen hij weer eens in beslag werd genomen door een bomaanslag van guerrilleros. De kolonel, die de keeper wel kende van een liefdadigheidsbijeenkomst ""voor weduwen en wezen van onze oorlog', gaf zijn fiat op voorwaarde dat de keeper ook toestemming van een rechter vroeg. Dat liet Higuita na, maar zonder problemen kwam hij, voor het oog van de camera's, door de bewakingslinies van de gevangenis en op audiëntie bij de drugsbaron.

De regering in Bogota was ziedend. Nu was openlijk het verband gelegd dat iedereen wilde verzwijgen: tussen de drugshandel en de sport, een van de weinige terreinen waarop het land nog een positief imago in de wereld had. Alle politieke toorn kwam neer op Bahamon, die daarop verbitterd zijn ontslag nam. ""Ik wil er niet langer aan meewerken,' schrijft hij, ""de wereld leugens voor te spiegelen van drugshandelaren die zich overgeven, terwijl we allemaal weten dat de handel gewoon doorgaat en geleid wordt vanuit de gevangenis. Ik heb mijn oorlog verloren, en er rest me niets anders dan het slagveld te verlaten.'