EMIGRATIE

Landverhuizing als regionaal verschijnsel. Van Noord-Brabant naar Noord-Amerika 1820-1880 door H.A.V.M. Van Stekelenburg 291 blz., Stichting Zuidelijk Historisch Contact Tilburg (Bijdragen tot de Geschiedenis van het Zuiden van Nederland 87), f 55,- ISBN 90 70641 37 2

Wat bezielde de ruim 190 Oostbrabantse landverhuizers die in 1848 met de dominicaan Th. van den Broek de oversteek naar Amerika maakten? Deze groep was een van de vele die in dit jaar hun heil in het beloofde land probeerde te vinden. De uittocht was zo groot dat de periode tussen 1846 en 1857 bekend staat als ”de eerste emigratie-golf'. In studies dienaangaande wordt ter verklaring van het verschijnsel vaak de klemtoon gelegd op de economische en sociale ellende in deze periode.

In zijn studie Landverhuizing als regionaal verschijnsel beperkt Henk van Stekelenburg zich evenwel niet tot deze verklaring alleen. Dank zij de toepassing van nieuwe historische methoden en computertechnieken komt hij tot een veel genuanceerder beeld. Zijn onderzoeksgebied beperkte hij tot Noord-Brabant en daardoor kon hij het netwerk van oorzaken, motieven, en omstandigheden nauwkeurig ontwarren. Uit zijn ”collectieve biografie' van Brabantse landverhuizers blijkt dat slechts enkele regio's binnen de provincie het overgrote deel van de emigranten leverden, die bovendien naar een beperkt aantal plaatsen in Amerika vertrokken. De rooms-katholieken vestigden zich vooral rond de Fox River in Wisconsin en de protestanten vonden in Iowa en Michigan onderdak.

Van Stekelenburg toont aan dat de massa-emigratie althans in Brabant geen overhaaste uittocht van paupers was. Integendeel: landverhuizing was een weloverwogen stap, gebaseerd op reële verwachtingen en calculaties. Voorop stond als algemeen motief de wil materiële omstandigheden te verbeteren door hard werken en soberheid. Maar in dit boek wordt het ”emigratie-klimaat' geschetst als vooral afhankelijk van de leiding door geloofwaardige gidsen, en de aanwezigheid van familie en bekenden in Amerika. Hierdoor hadden de emigranten het vooruitzicht van het behoud van eigen relaties, van de eigen taal en cultuur, en vooral van de eigen godsdienstige instellingen. Het emigratieproces was dus geen vlucht maar veeleer een transplantatie van een stukje Brabant naar het verre Amerika.

Soms kwamen de emigranten toch van een koude kermis thuis. De kudde Oostbrabanders onder hoede van pater Van den Broek was in elk geval zeer teleurgesteld. Van den Broek had geschreven dat de grond goedkoop en vruchtbaar was, maar hij had niet vermeld dat op de goedkoopste grond een ondoordringbaar woud stond, en dat zijn goedkope ”akkers' in werkelijkheid ”acres' waren. Blijkbaar had hij evenmin laten weten dat er geen woningen waren, maar slechts hutten van bladeren. Het resultaat was dat voor de groep Oostbrabanders de Amerikaanse droom wel erg snel voor de harde werkelijkheid plaats maakte.