EEN PLEIDOOI VOOR PRIVACY ALS GRONDRECHT

Het recht om met rust gelaten te worden. Over privacy door Frank Kuitenbrouwer 197 blz., Balans 1991, f 35,- ISBN 90 5018 137 6

Wat hebben een rode Toyota, de Zweedse effectenbeurs, mr. A. A. M. van Agt en de SILA met privacybescherming te maken? Waarom is het verkeerd dat een computer alles onthoudt, maar goed dat een journalist niets vergeet? Wat is privacy eigenlijk, en is het belangrijk dat precies te weten?

Het zou teveel gezegd zijn als men beweert dat Frank Kuitenbrouwer met Het recht om met rust gelaten te worden alle problemen rond privacybescherming oplost. We hebben hier echter wel te maken met het eerste Nederlandse boek dat ook de leek op dit gebied inzicht geeft in deze actuele maar helaas niet brandende kwestie. Bovendien gebeurt dat ook nog op een onderhoudende en soms zelfs meeslepende wijze.

Vanuit het simpele rechtsstaatprincipe ""wie iets beweert, moet dat bewijzen'' analyseert Kuitenbrouwer honderden gebeurtenissen uit het dagelijks leven en de politiek waarbij op een of andere manier de privacy betrokken is. Het totaalbeeld is onthutsend, vooral ten aanzien van de mate waarin de politieke, juridische en feitelijke bescherming van de privacy daadwerkelijk gerealiseerd is.

Naar verluidt slaakte Kuitenbrouwer een zucht van verlichting toen hij het manuscript van Het recht om met rust gelaten te worden bij de uitgever deponeerde. Hij wilde daarmee ook een periode van zo'n twintig jaar intensieve journalistieke bemoeienis met het wel en wee van de privacy afsluiten. Lezing van zijn bundel doet wensen dat zulks niet gebeurt. Kuitenbrouwer zou in de privacydiscussie erg gemist worden. Er is domweg niemand in Nederland met zijn encyclopedische kennis van de - wereldwijde - ontwikkelingen op dit gebied die dan ook nog in staat is om die informatie op een toegankelijke en overtuigende manier te presenteren.

Zijn boek ("boekje' zegt hij zelf, "klein standaardwerk' meent zijn flaptekstschrijver) vormt een indrukwekkende getuigenis van het métier dat Kuitenbrouwer tot in de puntjes beheerst: allerlei kleine en grote, ogenschijnlijk onsamenhangende en vaak alweer vergeten feiten en feitjes uit allerlei verschillende hoeken, gaten en tijdperken in een nieuw perspectief zetten. Hij laat de lezer zien dat er altijd meer aan de hand is, dat een bepaalde beslissing niet op zichzelf staat maar deel is van een ontwikkeling, en dat men, voordat men oordeelt over de beslissing, juist ook naar die ontwikkeling moet kijken.

LINKSE PAMFLETTEN

Noodzakelijk voor een dergelijke perspectief is een enorme kennis op het terrein van de privacybescherming. Kuitenbrouwers bronnen zijn zeer heterogeen: van eerbiedwaardige kranten tot obscure linkse pamfletten, van dissertaties tot parlementaire verslagen en van lezingen tot persoonlijke gesprekken.

Dan praat je niet meer over parate kennis, maar over een geacheveerd documentatiesysteem. Bij de introductie van zijn literatuuropgave spreekt hij zelf over ""ruim drie meter boekenplank, volgepakt met publikaties over computerprivacy, nog afgezien van knipselmappen en Kamerstukken''. Om aan te geven waartoe een dergelijke belezenheid leidt een willekeurig voorbeeld: op pagina 32 wordt de stelling "Datenschutz ist Tatenschutz' onderbouwd met citaten uit 1974, 1975, 1981, 1984 en 1989. De betrokken landen van herkomst: Canada, Nederland, Duitsland en Australië. Je moet er niet aan denken wanneer met het afhaken van Kuitenbrouwer de toegang tot deze documentatie weg zou vallen.

Kuitenbrouwer is journalist bij een keurige krant. Daarbij past geen vooringenomenheid of partijdigheid. Op het gebied van "het recht om met rust gelaten te worden' dreigt al gauw de saaiheid. Gelukkig heeft Kuitenbrouwer dit gevaar weten te keren door toch een normatief uitgangspunt te kiezen, dat van de rechtsstaatgedachte. Zijn vroegere loopbaan als medewerker strafrecht aan de Rijksuniversiteit Utrecht leverde daarvoor de nodige aanknopingspunten.

Wat men zijn credo zou kunnen noemen, is een sterk procedurele benadering. Wat privacy precies is, schijnt hij te willen zeggen, daar komen we toch niet uit. Daarom dient bij acties of beleidsvoornemens waarbij de privacy is betrokken op een fatsoenlijke manier omgegaan te worden met juist die kant van de zaak. Bij gebrek aan inhoudelijke criteria zijn dus procedurele waarborgen nodig.

Een fraaie variatie op dit thema is te vinden in het hoofdstuk "De kwetsbare burger'. Behalve de vraag wat het recht op privacy eigenlijk inhoudt, staat de relativiteit van het recht op privacy hier centraal: op grond van andere belangen zijn inbreuken op de privacy soms immers toegestaan. ""Niet iedere aanspraak op privacy ook kan worden gehonoreerd,'' schrijft Kuitenbrouwer, ""Maar dat dient dan wel te worden bevochten - door de minister wel te verstaan. Privacy is immers een grondrecht.'' Maar, zo stipuleert hij, dit recht is niet absoluut.

Vooral het Europese Verdrag voor de rechten van de Mens staat inbreuken toe indien deze noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Vereist is dan wel "een dringende maatschappelijke noodzaak'. Over wat voor deze kwalificatie in aanmerking komt, valt volgens Kuitenbrouwer nog een heel debat te voeren, maar niet over de volgorde: het grondrecht is regel, de inbreuk uitzondering: ""De bewijslast ligt bij degene die het privacyrecht wil beperken.''

POLITIEREGISTERS

In Het recht om met rust gelaten te worden komen alle grote onderwerpen op het gebied van de privacy van de afgelopen twee decennia aan de orde: de volkstelling (""hoe Nederland z'n onschuld verloor''), de gemeentelijke bevolkingsboekhouding en de daarbij behorende persoonsnummers (""politiek met gespleten tong''), politieregisters (""als het op registreren aankomt, is de politie niet voor één gat te vangen''), medische gegevens en medisch beroepsgeheim (""een aftelsom''), de werknemer als voorwerp van observatie en registratie (""Brave New Workplace'') en de Wet persoonsregistraties (""een krakkemikkige wet''). Daarbij krijgen vrijwel alle betrokkenen van Kuitenbrouwer voortdurend de mantel uitgeveegd. De gehanteerde methode is even simpel als doeltreffend. De schrijver geeft door middel van citaten (liefst van de betrokken ambtsdrager zelf) systematisch aan op welke punten een bepaalde ontwikkeling een bedreiging voor de privacy kan zijn.

Dit beeld wordt vervolgens ingevuld met empirisch materiaal, jurisprudentie, anekdotes of rapportconclusies die Kuitenbrouwer uit zijn omvangrijke documentatie opdiept. Vervolgens toont hij aan, dat de in Nederland voor deze materie verantwoordelijken op geen enkele manier een adequate oplossing voor de geschetste problemen hebben weten te realiseren. Men wordt er niet vrolijker op als men hier kennis van neemt, maar nuttig is het wel.

Het boek van Kuitenbrouwer bestaat grotendeels uit bewerkingen van publikaties in NRC Handelsblad en in meer gespecialiseerde vaktijdschriften. De laatste jaren heeft Kuitenbrouwer bovendien nogal wat tijd doorgebracht in academische kring. Zo werd hij in 1988 door de Universiteit Limburg uitgenodigd voor de "Nieuwenhof-lezing', en was hij in 1990 gasthoogleraar aan zijn vroegere juridische faculteit in Utrecht. De produkten van deze activiteiten vormen de wat meer beschouwende slothoofdstukken in Het recht om met rust gelaten te worden.

Beschouwend wil hier overigens niet zeggen: bezadigd. Integendeel, in dit boek zit het venijn echt in de staart. Daar is Kuitenbrouwer niet meer de afstandelijk analyserende toeschouwer die zijn waarschuwingen lardeert met kwinkslagen. De auteur van de laatste hoofdstukken is het duidelijk zat, al dat gedraai van politici, de halfzachte wetten en wetjes, de hypocrisie waarmee het privacy-argument gehanteerd wordt en het gemak waarmee grondrechten onder tafel verdwijnen wanneer ze in de weg staan aan andere mooie dingen, zoals fraudebestrijding, selectie van verzekerden, kredietnemers of sollicitanten, wetenschappelijk onderzoek of gewoon geld verdienen. Hier wordt zonneklaar duidelijk dat Kuitenbrouwer vreest dat op het gebied van de privacybescherming het recht heeft gefaald.