De verweesde politiek

De Tweede Kamer is deze week weer stout geweest. Tegen zich zelf. Een meerderheid van de honderdvijftig leden heeft een brief ondertekend die de huidige vergaderzaal wil redden als eind april de nieuwe zaal in gebruik wordt genomen. De meerderheid zegt bij nader inzien de parlementaire geschiedenis niet te willen wissen door de groene bankjes te slopen.

Het kan een sentimentele opwelling zijn geweest, maar waarschijnlijk is er meer. Het goedgekeurde plan ging uit van de gedachte: na de verhuizing naar de halfronde zaal van architect De Bruijn heeft het Kamercomplex nog behoefte aan een waardige ontvangstruimte. De oude zaal was vroeger een balzaal, dus na verwijdering van het na-oorlogse praatmeubilair onstaat daar vanzelf een soort plechtige kantine waar je verantwoord kan staan met een glas en een gast.

Nu de huisguerrilla van oud-minister van krijgszaken Stemerdink succes heeft gehad, slaat de Tweede Kamer een zelfde weg in als vorig jaar mei met het nieuw ontworpen logo. Ter ere van de nieuwbouw liet het Kamerpresidium iets moderns ontwerpen in plaats van het oude beeldmerk, een ovaal met een leeuwtje en een nauwelijks aangehaalde broekriem. Ook daartegen zei een meerderheid in een laat stadium Nee.

Het kunstwerk van Kounellis voor het nieuwe voorplein der democratie sneuvelde in de zelfde vloedgolf. Het kan geen toeval zijn, drie keer binnen een jaar opstand tegen de beroepsplannenmakers van de Kamer. Veel Kamerleden voelen een groeiende afkeer van "de politiek' bij het volk. Hun post gaat niet alleen over "de WAO' of "de Turken'. De vervreemding zit dieper en is meer gericht op de taakvervulling van overheid en politiek.

De snelste weg om zulke signalen in daden om te zetten is het eigen apparaat de voet dwars te zetten. En vooral de stroming daarbinnen die werkt aan voortgaande professionalisering en verdeftiging van "het parlementaire bedrijf'. Bij Kounellis sloot een meerderheid zich aan bij het ontwakend verzet tegen onbegrijpelijke openbare kunst. De logo-mode was een makkelijk doelwit voor het zelfde sentiment. Maar de meerderheid maakt pas werk van huisstijlen en ontvangstruimtes als zij een fundamenteler gevaar bespeurt: gelooft de kiezer nog wel dat we greep hebben op zaken die "men' belangrijk vindt?

En dat is nog maar het halve verhaal. Niemand weet meer hoe het moet of hoort in het Koninkrijk der Nederlanden. Het gaat daarbij niet om staatsrechtelijke omgangsvormen, maar om bestuurbaarheid en het afleggen van verantwoording.

De kwalen zijn algemeen bekend, er zijn eerder te veel dan te weinig zware medicijnen genomen - zonder veel benul van het verleden of de wenselijke toekomst van de staatkundige inrichting van het land. Waar het op steeds opvallender wijze aan ontbreekt is een algemeen aanvaarde opvatting over de taakverdeling binnen de parlementaire democratie.

Op 10 mei 1980 waarschuwde de toenmalige president van de Hoge Raad, C.W. Dubbink op deze pagina al tegen de neiging van de politiek beslissingen uit de weg te gaan. "Rechtspraak in de gevarenzone' heette zijn bijdrage. De afwenteling is sindsdien verder gegaan, naar meer instanties die nog wel eens een verstandig oordeel konden uitspreken.

De traditionele stootkussens van de overleg-economie, zoals de door Bolkestein en Wöltgens in gedachten afgeschafte SER, kunnen de druk van het niet-beslissen allang ook niet meer opvangen. Daarom hebben ambtenaren op grote schaal de schuld gekregen. Afstoting van taken naar lagere overheden was de volgende truc om in Den Haag niet te hoeven kiezen. Nadat regering en Tweede Kamer de rechtspraak hadden opgezadeld met politieke problemen, werden zij vervolgens argwanend over de politieke voorkeur van rechters. De neiging van de Eerste Kamer zich steeds vaker te ontfermen over het huiswerk van de overzijde past in het zelfde rijtje.

Deze week was de Rekenkamer aan de beurt. Staatssecretaris Simons wil het onderzoek naar de medische kosten bij de Rekenkamer onderbrengen om een nette accountantsverklaring te bemachtigen voor een mistig compromis tussen zijn slechts formeel door een meerderheid gedekte plannen en de verdeelde ziektekostenverzekeraars.

Daar is de Rekenkamer natuurlijk niet voor. Die is er in de eerste plaats om rechtmatigheid en doelmatigheid van overheidsuitgaven achteraf te controleren. De laatste jaren heeft de Rekenkamer zich steeds meer in de politieke wespennesten van alledag laten trekken. Misschien voor de hand liggend nu die Kamer gevormd wordt door drie vooraanstaande maar partijpolitiek geprofileerde personages, maar niet minder riskant.

Naarmate de Rekenkamer zich in een vroeger stadium in politieke controverses begeeft, des te voorspelbaarder wordt de afbladdering van haar prestige als Hoog College van Staat. Een vrij oordeel is later moeilijk te geven als de Rekenkamer eerder al meepraatte en onvermijdelijk de teleurstelling wekte van de partij die toen het minst gelijk kreeg.

Het meest dramatisch blijft de verwarring over wat volksvertegenwoordigers zelf eigenlijk zijn. Doorgeefluik van actiegroepen zijn zij een tijdje geweest. Actieve meebestuurders. Hoeders van het primaat van de politiek. Van oprechte amateurs tot zware beroeps. En nu weten zij het niet meer.

In de recente "Simons'-weken is links en rechts schande gesproken over "de bijbanen van Eerste Kamerleden'. Sommigen hadden iets met verzekeringen of de gezondheidszorg te maken! Terwijl het lidmaatschap van die Kamer per definitie een bijbaan is.

De verwijten zijn ook onzinnig in het licht van de steeds vaker gehoorde verzuchtingen uit en over de Tweede Kamer. Als we eens wat minder vergaderden en wat minder leden hadden, dan zou het debat misschien wat meer over hoofdzaken gaan. Als we eens wat minder specialisten hadden, dan werden de fracties niet beheerst door kudde-verplichtingen. Als Tweede Kamerleden wat meer met beide benen in de maatschappij stonden... Hoe doe je dat? Door hier en daar eens wat buiten de deur te kijken.

Een overzichtje van de financiële vergoedingen van Tweede Kamerleden in het weekblad Elsevier van deze week is illustratief voor de identiteitscrisis van parlementariërs. Wat zijn zij: werknemer/ambtenaar, met mooie arbeidsvoorwaarden. Of vrij vertegenwoordiger van het volk. De politiek als beroep kan een noodzakelijk kwaad zijn. De politicus als ambtenaar is een ziekteverschijnsel.

Vóór dat een meerderheid tot inkeer komt en de nieuwe zaal ook nog afwijst, is het misschien handig de analyse van het probleem helder te krijgen. De verwezing van de politiek ligt in het hart van de politiek, niet in het gebouw.