De Duits-Duitse archievenoorlog; "We hebben gewoon èlke snipper papier ingepakt, tot oude kwitanties en gebruikte treinkaartjes toe. Later zien we wel wat we weggooien.'; "De slachtoffers willen weten waarom en door wie hun leven ooit geheel of gedee...

In allerijl proberen Duitse archivarissen de bouwstenen veilig te stellen voor de te schrijven geschiedenis van Oost-Duitsland. Tijd om selectief te zijn hebben ze niet. Bergen dossiers liggen te rotten en nog steeds worden er pogingen ondernomen belastend archiefmateriaal te laten verdwijnen. Ondertussen heerst er een strijd over het beheer van de archieven, waar ook politici en historici zich in mengen. "Zelden is in Europa zo overtuigend gedemonstreerd als nu in Duitsland dat archieven geen dode massa's papier zijn, maar levende materie, rechtstreeks ingrijpend in het leven van honderdduizenden mensen.'

Onder de vale gestalten die rechtstreeks vanuit tramlijn 15 de Freienwalderstrasse in de Oostberlijnse wijk Hohenschönhausen insnellen, ben ik. Waarom de anderen haast hebben, weet ik niet; misschien gaat van de beroete huurkazernes in de straat een groter "home sweet home'-gevoel uit dan een buitenlander kan bevroeden. In elk geval heb k een duidelijke reden om mij te reppen: ik jaag op een leidinggevende ambtenaar van het Duitse archiefwezen die zich voortdurend aan mijn greep onttrekt.

Wij hebben een principe-afspraak om over het papieren verleden van Oost-Duitsland te praten, maar nu het erop aankomt, blijkt Herr Dr. Klaus Oldenhage rusteloos van adres naar adres te ijlen. Zijn secretaresse heeft mij via een erfenis van het reëel bestaande socialisme, het nauwelijks functionerende telefoonnet, laten weten dat haar chef zich voorlopig ophoudt in de "Zweigstelle Freienwalderstrasse' van het Bundesarchiv. Het is zaak hem daar sicherzustellen voordat de vogel weer is gevlogen.

Onder de neutrale betiteling "Zweigstelle' herbergt de Freienwalderstrasse in een sinister ogend kantoorgebouw een archief van het voormalige DDR-"Ministerium für Staatssicherheit', oftewel de "Stasi'. Hier werden na de Duitse hereniging tien strekkende kilometer documenten uit het Derde Rijk gevonden, voornamelijk betrekking hebbend op nazi-rechtspraak en op de uitroeiing van geestelijk gehandicapten. Met behulp van deze papieren chanteerden Stasi-agenten respectabele Westduitsers die hun bruine verleden net zo mooi hadden weggemoffeld.

De archiefdozen barsten haast letterlijk het gebouw uit; ze nemen zo'n groot deel van de ingang in beslag dat voor de bezoeker slechts een smal paadje naar de portier overblijft. Ik onderdruk mijn neiging ter plekke in de dozen te gaan graaien, en worstel mij naar het loket. Helaas, Herr Dr. Oldenhage is net vertrokken, kennelijk op weg naar het blussen van de volgende archieftechnische binnenbrand. De portier, een Oostberlijnse politieman, die de wanhoop in mijn ogen leest, brengt koffie en verstrekt sussend historische wetenswaardigheden over de omgeving (""de Stasi had hiernaast een geheime gevangenis; dat wist iedereen hier in de straat''). Wij bepeinzen het blijkbaar zo koortsachtige bestaan van een Duitse archivaris dezer dagen; het beheren van een bordeelketen aan de Amsterdamse Wallen kan nauwelijks opwindender zijn.

Levende materie

Zelden is in Europa zo overtuigend gedemonstreerd als nu in Duitsland dat archieven geen dode massa's papier zijn, slechts van belang voor studeerkamergeleerden, maar levende materie, rechtstreeks ingrijpend in het leven van honderdduizenden mensen. Aan de poorten van het vroegere Stasi-hoofdkwartier in de Berlijnse Normannenstrasse verdringen de burgers zich om de dossiers te kunnen inzien die over hen zijn aangelegd. De slachtoffers willen weten waarom en door wie hun leven ooit geheel of gedeeltelijk is verpest.

De toeloop overtreft de verwachtingen om het viervoudige en ligt nu in de buurt van de kwart miljoen verzoeken om inzage. Daarom heeft nu de beheerder van de Stasi-dossiers, de zogenoemde "Gauck-Behörde' (genoemd naar dominee Joachim Gauck, die er de leiding heeft), iedereen opgeroepen de verzoeken voortaan per post in te dienen, want er is gewoon geen plaats voor al die duizenden die tegelijk aanvraagformulieren zouden staan in te vullen.

Een dunnere, maar eveneens aanzienlijke stroom bezoekers, velen van hen getooid met een achternaam die met "von' begint, golft naar het plaatsje Barby aan de Elbe. Daar liggen namelijk in een kasteel de folianten van alle voormalige kadasters op het grondgebied van de DDR opgeslagen. Toen de grond eigendom van "het volk' werd, konden de kadasters sluiten, maar om onnaspeurbare redenen heeft de arbeiders- en boerenstaat de kadastrale gegevens niet vernietigd. Wie nu bezit in Oost-Duitsland wil opeisen, moet de archieven van Barby komen raadplegen. Het weekblad Der Spiegel meldde vorig jaar dat een edelman het Harz-gebergte heeft geclaimd - en op goede gronden. Archieven zijn minder saai dan men denkt.

Vergeleken met de publieke belangstelling voor dossiers die een onmiddellijke materiële en psychische gebruikswaarde hebben, komen archieven waarvan de betekenis op een wat abstracter niveau ligt, er bekaaid af. Toch zijn zij, iedere historicus zal het beamen, van niet minder belang. De geschiedenis van de DDR moet worden geschreven, en daarvoor is de schriftelijke nalatenschap van zowel ministeries, bestuursorganen en overheidsinstanties als van de machthebbers persoonlijk onmisbaar.

De minister van Cultuur van de Oostduitse deelstaat Brandenburg heeft zojuist bekendgemaakt een "Institut für Zeitgeschichte' te willen oprichten, dat met dertig personeelsleden de opkomst en vooral het verval van de rode heilsstaat op Duitse bodem moet gaan bestuderen. Het nieuwe instituut moet in Potsdam bij Berlijn komen omdat daar al verscheidene archiefinstellingen van de voormalige DDR zijn gevestigd. De voornaamste daarvan is het voormalige "Staatsarchiv der DDR', te vergelijken met het Algemeen Rijksarchief in Den Haag.

Sinds de hereniging is het Staatsarchiv een buitenpost van het Bundesarchiv in Koblenz, al dient volgens bronnen in het Duitse archiefwezen aan deze lagere status geen ruchtbaarheid te worden gegeven om de antikoloniale gevoeligheden van de Ossis niet te kwetsen. De archivaris die uit Koblenz naar Potsdam werd gestuurd om "de tent over te nemen', zoals dat in Haags ambtenarenjargon zou heten, is de al genoemde, ongrijpbare dr. Oldenhage. Ik wil hem de vraag voorleggen die menige historicus zal kwellen, namelijk wat geschiedschrijvers in de praktijk kunnen verwachten van archieven die zijn bijgehouden - of juist niet - onder een totalitair bewind. Hoeveel schriftelijk erfgoed zal zijn vernietigd of verdonkeremaand of verminkt? Wat hebben de machthebbers uit het papieren geheugen van hun (ex-)natie laten retoucheren, conform de beproefde methode van de Russische encyclopedie?

Heldenkerkhof

De geschiedenis van het Staatsarchiv der DDR voorspelt in dit opzicht weinig goeds, zo valt uit de Duitse archievenvakpers af te leiden. Weliswaar kon het de eerste tien jaar na de oprichting van de staat in 1949 betrekkelijk normaal functioneren - er werd veel energie gestoken in het opsporen en bij elkaar brengen van door de oorlog verstrooid archiefmateriaal - na de bouw van de Muur in 1961 ging het mis. In het kader van een algemene ideologische verstrakking plaatsten politie en Stasi eigen ambtenaren aan het hoofd van het archief. Omdat het tevens het eindstation van hun carrière was, kreeg deze werkplek onder de DDR-staatsdienaren al spoedig de bijnaam van "Heldenkerkhof van Binnenlandse Zaken".

Geobsedeerd als ze waren door hun verlangen te bewijzen dat ze nog meetelden, voerden de chefs Linientreue in als enig criterium voor een goede archivaris. Uiteraard was lidmaatschap van de Oostduitse communistische partij, de SED, de eerste voorwaarde om in het archief vooruit te komen, maar de loyaliteitseisen gingen verder. ""De hoofdtaak van het archief bestaat uit de politiek-ideologische opvoeding van het personeel'', luidde een dienstaanwijzing aan het einde van de jaren zestig. Alsof een ziekenhuis er alleen was om de eigen medische staf van het bedplassen af te helpen.

Dit gesloten logica-circuit leidde ertoe dat uit paranoïde bezorgdheid om geheimhouding van het materiaal de archivarissen hun eigen archief niet meer in mochten; het was hun alleen toegestaan zich met een klein, geïsoleerd deelgebied bezig te houden. Maar wat viel er anders te verwachten van een archiefdirecteur als Gerhard Exner, wiens enige kwalificatie voor deze baan bestond uit de verdienste dat hij de afzetting van Oost-Berlijn die aan de bouw van de Muur voorafging, zo efficiënt had geleid? Zoals overal elders in de DDR woekerde ook in het Staatsarchiv de newspeak. Het woord "verbetering' was in het interne taalgebruik taboe omdat het impliceerde dat het vóór de verbetering slechter was. En in de DDR was alles nu eenmaal per decreet tot volmaakt verklaard.

Scherpslijperij

Pas enkele jaren voor de Wende verbeterde de situatie licht. De laatste directeur onder het SED-bewind, Elisabeth Brachmann-Teubner, wordt algemeen omschreven als "een goede kracht', zonder ideologische scherpslijperij. Voorzichtig werden weer contacten met de Westduitse tegenpool, het Bundesarchiv in Koblenz, gesmeed, voornamelijk om archiefbestanden die door de Duitse deling in twee helften uiteen waren gevallen, weer bij elkaar te brengen. Maar het duurde nog tot de zomer van 1990, toen duidelijk werd dat de hereniging voor de deur stond, dat de Oost-Westbetrekkingen in het Duite archiefwezen uitgesproken hecht werden. Het Staatsarchiv der DDR zou opgaan in het Bundesarchiv, en in Koblenz werd iemand gezocht die de integratie van "Potsdam' kon leiden.

""Toen mijn chef mij vroeg of ik zin had om naar Potsdam te worden overgeplaatst, heb ik gezegd: een ambtenaar gaat daarheen waar zijn superieur hem hebben wil'', zegt Klaus Oldenhage nadat ik hem tenslotte heb opgespoord (""Het spijt me dat ik wat onbereikbaar was, maar iemand probeerde er met een deel van het SED-archief vandoor te gaan, en daar moest ik even tegen optreden''). ""Ik vond het een fantastische job, die ik graag wilde hebben, maar ik wilde dat niet laten merken. Want als ik later redenen mocht krijgen om te klagen, zouden ze in Koblenz kunnen zeggen: U wou toch zo graag?'' Ik vraag hem of hij klachten heeft. Hij antwoordt bevestigend, spreekt over onderbetaling van zijn medewerkers en over de slechte huisvesting van het archief, maar zegt erbij dat hij van de overplaatsing naar Potsdam geen seconde spijt heeft gehad.

Klaus Oldenhage (50) studeerde af op een onderwerp uit de middeleeuwse geschiedenis, maar heeft zich gedurende zijn carrière bij het Bundesarchiv verder met eigentijdse historie beziggehouden. Hij vervulde in Koblenz enkele leidinggevende functies voordat hij, tien dagen na de hereniging, in Potsdam werd gedetacheerd. Aanvankelijk leidde hij de Duits-Duitse archievenintegratie alleen, maar sinds het proces op gang is gebracht, beperkt hij zich tot de archieven die de periode beslaan van het Duitse Rijk, grofweg van 1867 tot 1945. Medewerkers van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie in Amsterdam roemen de voortreffelijke samenwerking die ze met Oldenhage hebben opgebouwd.

Ik vraag wat hem op zijn eerste werkdag op zijn nieuwe kantoor - op een steenworp afstand van de wereldberoemde spionnenruilplaats op de Glienicker Brücke - was opgevallen. ""Geen prullenbakken,'' antwoordt hij. ""Ik wou iets weggooien, maar ik kon geen enkele prullenbak ontdekken. Toen ik er mijn secretaresse naar vroeg, zei ze dat alle prullenbakken in afgesloten kasten stonden wegens de geheimhouding. Ik zei: dan vaardig ik nu mijn eerste bepaling als chef uit dat de prullenbakken gewoon naast de bureaus komen te staan.''

Er waren wel meer dingen om aan te wennen, het wonderlijke, gepolitiseerde taalgebruik intern (neem het omineuze ""die zentralen Organe des preussischen Staatsapparates'' als gewoon "Pruisen' wordt bedoeld), en de al genoemde en door Oldenhage beaamde Ossi-gevoeligheid voor elk teken van overheersing door Besserwessis. Daarom heeft hij er bijvoorbeeld steeds op gelet dat de kantine uitsluitend Ossi-produkten verkoopt. ""Maar het blijft moeilijk. Er werken hier uitstekend gekwalificeerde mensen, die toch maar een fractie verdienen van wat archivarissen in of uit het westen, zoals ik, op hun rekening krijgen omdat de lonen hier nu eenmaal altijd veel lager hebben gelegen. Ik kan niet met collega's gaan eten, want dan zou ik de bankbiljetten moeten trekken omdat zij het niet kunnen betalen, en dat is weer vernederend. Dus eten we maar samen een Bockwurst.''

Hoe komt hij erbij zijn medewerkers "uitstekend gekwalificeerd' te noemen na de ook hem bekende griezelverhalen over het archief onder het DDR-regime? Oldenhage verheelt niet een overtuigd christendemocraat te zijn, en geen enkele affiniteit met de denkwereld van de SED te koesteren. ""Ik heb als christen nog nooit zo vaak uit de Bijbel geciteerd als sinds ik in Potsdam zit, maar het is steeds hetzelfde citaat: "Wie uwer zonder zonden is, werpe de eerste steen'. Natuurlijk, de echte Stasi-types, die materiaal zaten te vergaren om er mensen mee te manipuleren, zijn eruit gevlogen. We zullen ermee moeten leren leven dat we van sommige huidige medewerkers niet honderd procent zeker weten dat ze géén Stasi-medewerker zijn geweest. Maar verder moet men mensen op hun individuele situatie beoordelen. Welke Westduitser durft te zeggen dat hij nooit een concessie zou hebben gedaan als hij in de DDR had geleefd? Er werken hier fatsoenlijke, competente mensen die door hun collega's min of meer zijn gedwòngen lid van de SED te worden om te voorkomen dat een echte Stasi-bons het op de afdeling voor het zeggen zou krijgen.''

Afgezien van het specifieke Stasi-contingent schat Oldenhage dat niet meer dan vijf procent van de archiefmedewerkers ontslag heeft gekregen wegens te grote verwevenheid met de belangen van de oude machthebbers. Zelfs de laatste directeur uit de DDR-tijd, Elisabeth Brachmann-Teubner, is niet ontslagen, al is haar de leiding van het archief ontnomen. Oldenhage daarover desgevraagd: ""Er moest een gebaar worden gemaakt, anders zou de buitenwereld hebben gezegd: "Zie je wel, er verandert niets.' Maar er is niets op Frau Brachmann aan te merken. We werken uitstekend samen.''

Papiermodder

Ook los van wat Oldenhage erover zegt, schrijft men in kringen van het Westduitse archiefwezen de Oostduitse collega's - en daarmee worden niet de door het regime geparachuteerde apparatschiks zonder vakopleiding bedoeld - een grote theoretische vakbekwaamheid toe, al hebben ze die door het gebrek aan vrijheid zelden praktisch kunnen waarmaken. Bovendien waren ze altijd ernstig gehandicapt door het gebrek aan middelen. Zo is er in de hele DDR na 1945 niet één gebouw speciaal voor een archief neergezet. Het voormalige Staatsarchiv der DDR is gehuisvest in een afgeschoten deel van een wrakkige Russische kazerne, en is slechts toegankelijk via een parkeerplaats voor de walmende dienstauto's van Russische officieren en het achtererf van een tegelzetter. In Dresden liggen dossiers opgeslagen in de kelders van een gevangenis; door het vocht zijn sommige dossierstapels al tot papiermodder vergaan.

Het belangrijkste is toch de vraag of de Oostduitse archivarissen ondanks hun gebrek aan vrijheid iets voor de vrije geschiedschrijving blijken te kunnen betekenen. Wat de Stasi betreft, staat vast dat veel dossierdozen en kaartsystemen met namen van gewone agenten, "OibE's' (Offiziere im besonderen Einsatz) en informanten op gezag van de leiding al meteen na de val van Honecker in oktober 1989 de weg naar brandstapel en papierwolf hebben gevonden. In dit geval was er sprake van een haastklus, die werd ingegeven door de onomstotelijke zekerheid dat het explosief materiaal betrof.

Oldenhage verzekert desgevraagd dat deze methode niet massaal is gehanteerd om de kwalijke sporen van het oude bewind op andere terreinen uit te wissen. ""De Stasi was een bijzonder geval. In het algemeen blijkt uit de manier waarop de DDR-overheid met de archieven is omgesprongen dat men volkomen is overvallen door de snelheid van de gebeurtenissen in het najaar van 1989. Ook de insiders van het regime hebben het einde van de DDR niet zien aankomen, anders zou er ongetwijfeld meer zijn vernietigd. Op de ministeries is, ook in de jaren ver vóór de Wende, incidenteel wel papier versnipperd, maar de schade valt mee.''

Nu blijkt ook waarop Oldenhage zijn opvallende mildheid over zijn oud-communistische vakgenoten (""met een van hen ben ik zelfs hecht bevriend geraakt'') baseert: hij weet van gevallen waarin archivarissen die partijlid waren, op eigen initiatief ordners die moesten worden vernietigd, in het geheim op microfilm hebben gezet. ""Als het ontdekt was, waren ze de gevangenis ingedraaid. Daarom zegt het me ook niet zoveel of een collega in de SED was of niet.''

De belangrijkste factor in het archiefbehoud van Oost-Duitsland was evenwel de als orde gecamoufleerde chaos. ""Kijk'', licht Oldenhage toe, ""de DDR was helemaal geen perfect georganiseerde bureaucratenstaat, al leek het zo. Het was een bureaucratisch labyrinth, en dat komt uiteindelijk de geschiedschrijving ten goede. Instanties werkten langs elkaar heen, en de obsessie met geheimhouding maakte het systeem voor iederéén ondoorzichtig, ook voor degenen die het meest bij geheimhouding en verdonkeremaning waren gebaat. Ik garandeer dat straks de geschiedenis van de DDR net zo volledig kan worden geschreven als die van het Derde Rijk. En over kennis omtrent Hitler-Duitsland hebben we niet te klagen, ondanks het feit dat de nazi's heel veel belastend materiaal hebben vernietigd omdat zij het einde al jaren hadden zien aankomen.''

Treinkaartjes

Om zijn boude stelling te staven, memoreert Oldenhage dat hij en zijn medewerkers de afgelopen veertien maanden meer dan veertig strekkende kilometer documentatie uit de voormalige DDR-ministeries en andere overheidsinstellingen, zoals het bureau voor de statistiek, hebben weggehaald, vier keer zoveel als er in het Staatsarchiv al lag opgeslagen. ""Allemaal hebben we met papier lopen sjouwen, en vrachtauto's volgeladen. Tijd om af te wegen wat belangrijk of interessant is of niet, hebben we ons niet gegund. We hebben gewoon èlke snipper papier ingepakt, tot oude kwitanties en gebruikte treinkaartjes toe. Later zien we wel wat we weggooien.''

Over het geheel genomen, werden de stukken zonder protest afgestaan - waarbij andere bronnen mompelen dat Oldenhage, die mede aan de wieg van de recente Duitse Archiefwet heeft gestaan, daarin listig een paragraaf heeft weten te smokkelen die deze confiscaties mogelijk maakten. Alleen de vroegere "Staatsbank der DDR', die nu als gewone commerciële bank door het leven gaat, maakte in eerste instantie bezwaar tegen het afgeven van alles wat op haar eerdere bestaan als nationale bank betrekking had. ""Misschien hadden ze heimwee naar de tijd dat ze hun eigen bankbiljetten mochten drukken'', grapt Oldenhage.

Al hebben de archivarissen nog nauwelijks tijd gehad om te bekijken wat ze hebben vergaard, de prikkel om bij hen te informeren of we op verrassingen mogen hopen, is groot. Oldenhage dempt de verwachtingen. ""Wat kan ons nog schokken, nu we hebben gehoord van een man die jarenlang zijn eigen vrouw voor de Stasi heeft bespioneerd? Dat iemand zichzelf bespioneerde? Dat is duizendvoudig gebeurd; geen nieuws. Zelfs de meest naïeve wereldverbeteraar is langzamerhand van de gedachte genezen dat er ondanks alles in de DDR een humanistisch experiment gaande was dat in principe wel sympathie verdiende. Nee, gezien alles wat nu al bekend is, zal het geschiedbeeld van de DDR de komende jaren nauwelijks een fundamentele wijziging ondergaan.''

Voor zijn eigen afdeling, het Duitse Rijk, koestert Oldenhage de geheime hoop dat er ergens in de papiermassa's nog een stuk ligt dat één bepaalde historische kwestie kan beslechten: het document waaruit blijkt dat Hitler zijn plaatsvervanger Rudolf Hess juist wèl of juist niet persoonlijk opdracht heeft gegeven om in 1941 zijn zogenoemde "vredesvlucht' naar Engeland te ondernemen. ""Maar ik weet dat het ijdele hoop is te verwachten dat over wat dan ook, één document bestaat waarin de absolute, beslissende waarheid is vervat. Dat is een droom van schrijvers, journalisten en archivarissen. Als ik ons recente DDR-materiaal, hoe globaal ook, overzie, weet ik dat de waarheid moet worden opgegraven uit het combineren van bergen stukken. Toen in Koblenz bezoekers mij weleens vroegen een "beslissend stuk' te laten zien, toonde ik hen altijd maar de brief waarin rijkskanselier Otto von Bismarck de keizer zijn ontslag aanbood.''

Ruilhandel

De weg die men in Potsdam en de Zweigstellen de komende jaren heeft te gaan, is in grote lijnen duidelijk. De veertig strekkende kilometers archief moeten worden gesorteerd op relevantie en geïnventariseerd. Een ingewikkelde ruilhandel is al aan de gang tussen Koblenz, Potsdam en de archieven van de nieuwe deelstaten in de voormalige DDR om archiefbestanden die "organisch' bij elkaar horen, samen te voegen. Ook daarbij dient een zeker evenwicht in acht te worden genomen om de delicate Oost-West-sentimenten te ontzien, zo blijkt uit de praktijk. ""Het mag niet zo zijn dat alles van waarde naar het westen verhuist, de tweede garnituur in Potsdam blijft, en de archieven in de nieuwe deelstaten alleen de kruimels krijgen'', zegt Oldenhage. ""Daarom heb ik bijvoorbeeld de archieven van het concentratiekamp Buchenwald naar het archief in Thüringen laten verhuizen, hoewel in Buchenwald mensen uit heel Europa gevangen hebben gezeten en het kamp dus geen specifiek Thüringse aangelegenheid was. Het lijkt me niet erg fijngevoelig een bureaucratische competentiestrijd uit te vechten over de herinnering aan duizenden kampslachtoffers.''

Over twee nog onopgeloste problemen van zwaar kaliber hult archivaris Oldenhage zich in discreet, maar enigszins geladen stilzwijgen. Het ene betreft de vraag wat er moet gebeuren met het archief van de SED, dat nog altijd berust bij de nakomeling van die partij, de Partei des Demokratischen Sozialismus (PDS). Hoewel de communistische partij in feite de overheid wàs, heeft het Bundesarchiv niet het recht het SED-archief in te pikken omdat het formeel privé-eigendom is. Aan de andere kant is een communistisch archief te belangrijk om aan (oud-) communisten over te laten.

Nu de Bondsdag eergisteren heeft bepaald dat de partijen een overeenkomst moeten sluiten, en het gekrakeel is losgebarsten tussen politici, historici en privacybeschermers, zoekt het Bundesarchiv onopvallend naar een tussenoplossing, waarbij de PDS het eigendom formeel niet opgeeft, maar "Potsdam' in de praktijk het beheer over het archief voert en de toegankelijkheid ervan regelt. Nu al houdt de federale overheid in elk geval mede het toezicht op het archief, wat gezien de recente ervaring van Oldenhage niet overbodig is. De grote vrees van de Duitse archivarissen is dat hun voorzichtige pogingen om een oplossing te bereiken, zullen worden doorkruist door politici die de volksgunst willen behagen en met eigen "oplossingen' komen, zoals een apart instituut met eigen regels voor toegang tot het materiaal.

Dat laatste is in elk geval al gebeurd met de Stasi-dossiers, waarvoor met instemming van alle politieke partijen na woeste debatten in de pers en aan de stamtafels de Gauck-Behörde in het leven is geroepen. Oldenhage houdt over dit onderwerp de kaken stijf op elkaar (""zoals het een echte ambtenaar betaamt als het over politiek gaat'', zegt hij met een ironische glimlach), maar in de Duitse archieven is tussen het papiergeritsel door een onmiskenbaar woedegesis te horen. Over de Oost-West-tegenstellingen heen zijn de archivarissen één in hun collectieve gevoel door de politiek te zijn vernederd. Hun kon het beheer over de Stasi-dossiers blijkbaar niet worden toevertrouwd. Daarenboven dreigt het gevaar dat de Gauck-Behörde zoals iedere ambtelijke organisatie haar macht steeds verder wil uitbreiden, niet uit boosaardige opzet, maar omdat het nu eenmaal zo gaat.

Legendarisch is intussen in de archievenwereld de ankedote dat de Gauck-Behörde zich dossiers uit de tijd van de Duitse keizer heeft toegeëigend, louter omdat ze toevallig tussen Stasi-eigendom zijn aangetroffen. De strijd wie uiteindelijk de inhoud van de Zweigstelle Freienwalderstrasse mag beheren, zal ook nog ontbranden. Het gaat immers om een archief dat weliswaar uit de nazi-tijd stamt, maar dat bij de Stasi in gebruik is geweest. Er is weinig fantasie voor nodig om zich voor te stellen hoe uit deze concurrentie een archievenoorlog kan ontstaan, opgestookt door de licht ontvlambare publieke sentimenten als het over Stasi en communisten gaat.

De kans dat Joachim Gauck een mogelijke oorlog wint, is niet gering. Deze oud-predikant uit Rostock, die tot de leiding van het Stasi-archief is beroepen omdat hij een voormalig dissident is met een reputatie van onkreukbaarheid, zal vast niet zelf tot het kwade geneigd zijn. Wel kan hij kan door de omstandigheden in een bepaalde rol worden gedwongen. Om te beginnen heeft hij niemand boven zich, een reden waarom hij in de pers al verscheidene malen, laatst nog in Der Spiegel door de schrijver Stefan Heym, eenvoudig met God is vergeleken. Alleen de Bondsdag kan hem aan de teugel nemen, maar dat zullen de afgevaardigden niet snel doen uit vrees ervan te worden beschuldigd het Stasi-verleden in de doofpot te willen stoppen. Zo wordt het schrikbeeld van de Duitse "reguliere' archivarissen dat er een reusachtig (nu al meer dan tweehonderd strekkende kilometer aan dossiers), ongrijpbaar schaduw-archief ontstaat, begrijpelijk.

Oldenhage beperkt zich in deze tot het weergeven van zijn credo. ""Ik hoor qua instelling bij de generatie Duitse archivarissen van de jaren vijftig die, beïnvloed als ze waren door de schokkende feiten van de nazitijd, maximale openheid nastreefden. Natuurlijk zijn er grenzen aan de openheid. Het privéleven van zelfs Erich Honecker hoort door de archivaris te worden beschermd, bijvoorbeeld. Maar zoals Cato de Oude elke toespraak besloot met "overigens ben ik van mening dat Carthago moet worden vernietigd', zo eindigde Walter Hallstein, de rechterhand van bondskanselier Konrad Adenauer in de jaren vijftig, elke brief aan de Westerse Geallieerden met: "De bondsregering neemt deze gelegenheid te baat om nog eens te verzekeren dat als u ons onze archieven teruggeeft, ze toegankelijk zullen zijn voor iedere vorser uit binnen-en buitenland.' Hij kreeg de archieven terug. Ik vind dat dat een verplichting schept.''

Foto's: Bundesarchiv in de Freienwalderstrasse in Oost-Berlijn

Joachim Gauch, beheerder van het Stasi-archief Vernietigde dossiers op de binnenplaats van het Stasi-hoofdkantoor in Potsdam