DE ANTROPOLOGIE VAN HET VOETBALVANDALISME

Tussen het tuig door Bill Buford 323 blz., Meulenhoff / Kritak 1992, vert. Ernst Ris, Rikkert Stuve & Jan Fastenau (Among the Thugs, 1991) f 34,90 ISBN 90 290 2845 9

De allereerste keer in "De Meer' was een schok. Met een medewerker van m'n vader had ik al vaker een voetbalwedstrijd bezocht. Maar dat was slechts DWS-A geweest, een club uit Amsterdam-West en dus niet van "ons' uit Oost. We zaten daar in het Olympisch Stadion bovendien hoog en droog op de marathon-tribune, dat wil zeggen, te midden van de elite. Maar op die zondag 20 november 1966, de laatste thuiswedstrijd voor de legendarische zege op Liverpool (5-1), kon ik, tien jaar oud, eindelijk helemaal alleen naar een wedstrijd.

Ajax-Telstar stond op het programma. Voor 50 cent stond ik achter het doel aan de Diemen-zijde vlak onder vak-F. Hogerop in vak-E stonden de supporters uit IJmuiden. ""A-J-A-X, Ajax is een club van niks,' scandeerden ze. Ik was diep geraakt. Dit kón niet waar zijn. De uitslag (4-2) verzachtte het leed weliswaar maar ik was getekend voor het leven.

Vijfenhalf jaar en vele seizoenkaarten (staantribune stadszijde vak-P) later waren "wij' van Ajax op weg naar de Kuip in Rotterdam. Nerveus baanden we ons zondag 15 april 1972 een weg naar vak-X achter de goal, ondertussen onzekere grappen makend over de petrochemische stank in de stad van Feyenoord die ons reine Amsterdammers ongetwijfeld de das zou omdoen. We bleken ons zorgen te maken om niets. Het seizoen 1971-72 was het aller geniaalste jaar van onze club. Het werd 1-5 tegen Feyenoord, alleen die arme spits Posthumus mocht hún eer redden.

Na afloop dansten we carnavalesk om de bussen van de Feyenoord-supporters van de eilanden. Ik, leerling op een keurige middelbare school waarvan ik de naam tegenover mijn tribunematen altijd angstvallig verzweeg uit vrees te worden afgewezen, ging er ook geheel in op. Want dit, dit was voor mij het wezen van het stadion: de saamhorigheid jegens een geconstrueerde vijand.

Van voetbalvandalisme was toen nog geen sprake, dachten we. Maar er werd wel al veel geduwd en getrokken. Ik heb in die jaren geleerd hoe je op de massa kan deinen en je langs rijen kunt wringen. Er werd op de tribune eveneens reeds lustig op losgedronken, 's zomers bier en 's winters jenever. Een "berenlul' was onze lievelingskost. En niets was mooier dan gratis het stadion "glippen'.

"OUWE LUL'

Die emotie is nooit overgegaan. Natuurlijk heb ik me ondertussen geconformeerd aan de redelijkheid van de betere middenklasse. Ik lach nu dus slechts stiekem in mijn hypocriete vuistje als de F-side ""waar zijn die boeren nou?' begint te yellen meteen nadat Stefan Petterson afgelopen zondag een penalty had benut tegen Hans van Breukelen, die ""ouwe lul' volgens de tribune. Maar als Ajax verliest, is mijn zondag waar ook ter wereld danig vergald en hul ik mij in een kleed van agressieve somberheid.

aarom deze lange inleiding? Omdat ik eigenlijk niet goed raad weet met het recent in Nederland verschenen boek Tussen het tuig van Bill Buford. Deze in Engeland wonende Amerikaan uit Louisiana raakte in de jaren tachtig zo gefascineerd door het voetbalvandalisme dat hij zich wel onder de hooligans moest mengen en vervolgens menig wedstrijd in binnen- en buitenland met ze heeft bezocht.Buford is een eminent journalist. Hij is hoofdredacteur van Granta, een kwalificatie die geen toelichting behoeft. Hij is bovendien een groot schrijver. Dankzij beide eigenschappen is zijn Tussen het tuig een prachtig boek geworden. Dit is niet de zoveelste flauwekul-reportage over het voetbalvandalisme, nee, dit is literatuur.

Tussen het tuig is angstaanjagend en geestig tegelijkertijd. Je schrikt van de geregisseerde agressie als de zaak "ontploft' en de strikte hiërarchie onder de supporters waarin zelfs het fascistische National Front probeert te roeren. Je bent verbijsterd over de hoeveelheden bier en andere alcoholica die ze weten te nuttigen. Maar enige sympathie voor die woeste drinkers is evenmin te onderdrukken. Veel van die hooligans zijn op de keper beschouwd namelijk eigenlijk goeie jongens die eens in de week gewoon op hún (a-sociale) manier lol willen hebben.

De enigszins eerlijke lezer, die bereid is toe te geven dat het ook aantrekkelijk is om ""gevaarlijk te leven', wordt door Buford bovendien gedwongen om zich af te vragen waarom hij zich wel heeft aangepast aan de fatsoenlijke regels van de straat en zij dat eens per week op zaterdag zo pertinent weigeren.

ZATERDAG-GEVOEL

Maar in al deze lof schuilt tevens de kritiek. Van voetbal begrijpt Buford niets. Rationeel heeft hij zich aangeleerd dat het niet zomaar sport is maar een manier van leven. Emotioneel is hij echter niet in staat door te dringen tot het zaterdag-gevoel. Uiteindelijk lijkt Bill Buford dan ook vooral bij een vreemde stam op bezoek te zijn geweest. De antropologie van die stam boeit hem, maar zij is op de keper niet meer dan een wetenschappelijk-literair subject van onderzoek.

Het gebruik van drugs bijvoorbeeld blijft onderbelicht, alsof Buford bang is om in zijn participerende journalistiek die laatste grens te overschrijden. Verdovende middelen waren en zijn niettemin een essentieel bestanddeel van het vandalisme op en rond de stadions. Niet voor niets is het nu in Engeland aanmerkelijk rustiger dan enige jaren geleden. De fans hebben sinds enige tijd de XTC uit de acidhouse-scene ontdekt en hebben daarom de speed en rohypnol waarmee zij zichelf opfokten afgezworen.

Wie, kortom, een beeldschoon boek wil lezen over de onderste lagen van een post-industriële samenleving, wende zich tot Tussen het tuig. Hij of zij die er van binnenuit iets van wil begrijpen, kan beter teruggrijpen op het al ruim dertig jaar oude Saturday Night, Sunday Morning van Alan Sillitoe. En diegene die zich wil verdiepen in het voetbalvandalisme, kan het beste een kaartje voor de eerstvolgende wedstrijd kopen.

Bill Buford is zondagavond a.s. te gast in het televisie-programma van Adriaan van Dis