Carl Friedman: Op een dag, dacht ik, zal ik het begrijpen. Maar er valt niets van te leren.''

Carl Friedman (39) groeide op in Eindhoven en Antwerpen, waar zij een opleiding voor tolk-vertaler volgde. Eind vorig jaar trok ze de aandacht met een markant prozadebuut: Tralievader. Het is een autobiografisch boek over haar ervaringen met haar vader, die getraumatiseerd terugkeerde uit een concentratiekamp. Haar vader was een verteller, geen zwijger. "Ik denk dat iemand die dat kan, gezonder is dan iemand die blijft zwijgen.'

"Als kind ervoer ik de wereld als onveilig. De mensen konden je zomaar meenemen in een trein en je er vervolgens uittrappen. Ergens in je achterhoofd wist je dat het niemand een barst kon schelen wat er gebeurd was. Terwijl het je eigen vader was die het had meegemaakt. Maar je kon op meer sympathie rekenen wanneer je over je gestorven hondje praatte dan over je vader.'

Carl (""Het is eigenlijk Carolina, maar mijn ouders noemden me altijd Carl'') Friedman praat voortdurend met grote intensiteit, haar concentratievermogen houdt ze scherp met sigaretten - zo'n vijftig per dag. Alleen de hond (Hanna) en de kat (Moos) mogen haar aandacht afleiden, wat hun wel is toevertrouwd. En uiteraard Aron, haar 12-jarige zoon, maar die zit vandaag op school. Haar huis geeft uitzicht op mistbanken boven de weilanden benoorden Breda. Een lichte huiskamer met veel boeken, een menora en een nadrukkelijk aanwezige schrijfmachine. Op het telefonische antwoordapparaat kraakt af en toe de stem van iemand die over haar boek wil praten.

Tralievader kwam in oktober 1991 uit en beleeft binnenkort zijn derde druk. Zònder recensies, adverteerde uitgever Wouter van Oorschot aanvankelijk enigszins provocerend. Daarin is inmiddels verandering gekomen. Doeschka Meijsing was, in Elsevier, de eerste die het boek lovend verwelkomde.

Haar conclusie raakte de kern trefzeker: ""Het gaat in Tralievader niet eens zozeer om de verhalen uit het kamp, die sober en pijnlijk authentiek zijn. Het gaat eigenlijk ook niet om de problematiek van "de tweede generatie', al is dat het gegeven. Wat de lezer veel harder treft is het besef dat het verleden van de ander altijd al moeilijk doordringbaar is, maar dat de werkelijkheid van een kampervaring ontoegankelijk is en tegelijkertijd ieders heden met rafels omhangt. Zo precies en vol mededogen als in Tralievader wordt die waarheid zelden verkondigd.''

Ze vertelt over het neo-nazistische propagandamateriaal dat haar werd toegezonden na een publikatie over haar in de plaatselijke pers. ""Een brief uit Breda. Met Engels- en Duitstalige beweringen dat in de kampen maar een handjevol joden is omgekomen. Kort daarop belde iemand om half twee in de nacht van zaterdag op zondag op. Hij riep: "Ze zijn vergeten je te vergassen, ik kom naar je toe'. Ik zei: "Doe dat vooral, ik lust je rauw. Ik sla je schedel in elkaar, eerst in de lengte, dan overdwars'.

""Men heeft mij al vaak gevraagd: waarom heb je dat boek geschreven? Ik wist het antwoord niet precies. Nu zeg ik: dergelijke idioten geven met terugwerkende kracht zin aan dat boek.''

Ze voltooide Tralievader in maart vorig jaar, na drie maanden van trance-achtige arbeid. ""Ik schreef heel snel, was dubbel geconcentreerd. Tot diep in de nacht heb ik zitten werken. De uitgever heeft er maar twee woordjes uit hoeven strepen.

""Ik had ooit een nogal bizarre roman over mijn vader geschreven. Daarna heb ik nooit meer overwogen om er proza over te schrijven. Wel heb ik er sonnetten over gemaakt, nadat ik in 1980 een aantal kampen had bezocht. Dat waren "sonnetten voor een tralievader', want dat was mijn vader voor mij: een echte tralievader. In 1984 zijn die door Maatstaf en De Gids gepubliceerd. Ik had het geld nodig, want ik was toen heel arm. In 1985 werd mijn vader vreselijk ziek. Hij is eigenlijk altijd ziek, maar toen leek het noodlottig. Nadat hij na maanden ziekenhuis onverhoopt opknapte, heb ik een aantal achtregelige gedichten over hem geschreven. Vrienden vroegen me om ze voor te lezen op een boekengala. Men vond ze mooi en moedigde mij aan om ze naar een uitgever te sturen. Ik koos Van Oorschot: prachtige boeken - en dat papier ruikt zo lekker.

""Wouter van Oorschot vond die gedichten mooi, maar hij wilde ze niet uitgeven. Hij is een week later hier komen praten. Toen merkte hij pas dat ik altijd schrijf, elke dag: verhalen, een roman, dagboeken, heel veel brieven. Ik doe het al vanaf mijn dertiende. Schrijven is gezond voor me. Als ik niet schrijf, krijg ik eczeem.

""Van Oorschot wilde dat ik over mijn vader ging schrijven. Hij zei: je bent een prozaïst, ik geloof niet dat je een heel poëtisch oeuvre zult opbouwen. Ik had er eerst helemaal geen zin in. In november kregen we echt ruzie. Hij zei: je durft niet over 'm te schrijven. Toen kreeg ik iets over me van: klier, ik zal eens even wat laten zien.

""Ik heb nooit de ambitie gevoeld om schrijfster te worden. De pretentie alleen al: kijk mij nou eens. Op gezette tijden werd ik het ook beu. Vijf jaar geleden heb ik veel van mijn werk in de container van een Chinees restaurant gedumpt. Ik dacht: waarom ga ik niet achter de kassa zitten bij Albert Heijn? Ik schaamde me eigenlijk een beetje voor al dat geschrijf. Op zolder heb ik nog koffers vol verhalen en gedichten liggen. Van Oorschot vindt dat ik de helft van de tijd mijn kasten moet uitruimen en de andere helft schrijven. Maar dat doe ik niet, want zo goed is het allemaal niet.''

Tralievader wordt geprezen om de bondige, Minco-achtige stijl, die nooit een teveel aan sentiment toelaat. ""Ik heb die sobere stijl nagestreefd omdat het om jeugdherinneringen gaat die in de tegenwoordige tijd zijn geschreven. Het ligt ook aan het onderwerp: het kampverleden van mijn vader. De oorlog vaart er alleen maar wel bij als je grote woorden en holle frasen gebruikt. Het is een door en door smerig bedrijf, daar moet je niet bloemrijk over wezen.''

Was er nog wel behoefte aan het zoveelste boek over de kampen? Die vraag had ze Van Oorschot voorgehouden. Ja, zei hij, want zó is het nog niet eerder gedaan: de tweede generatie die haar ervaringen met de eerste generatie beschrijft.

Carl Friedman en haar twee oudere broers werden na de oorlog geboren. Hun vader was in juni 1945 als een - fysiek en mentaal - zwaar geschonden man uit een concentratiekamp naar Nederland teruggekeerd. Daar wachtte hem zijn vriendin en latere vrouw. Hij was destijds gearresteerd toen hij zich buiten zijn onderduikadres had gewaagd.

De kampslachtoffers zijn zwijgers òf vertellers, heeft Primo Levi eens geschreven. Carls vader was een verteller - althans, tot op zekere hoogte. Hij overlaadde vrouw en kinderen met verhalen over zijn kampverleden. Ze kregen ze bijna dagelijks te horen - tot in de gruwelijkste details. Tralievader laat de uitwerking van die verhalen op de kinderlijke psyche zien. De drie kinderen reageerden heel verschillend: Carl passief-meegaand, haar broers - vooral de oudste - in toenemende mate opstandig.

""Nee'', zegt ze, ""ik heb het mijn vader niet kwalijk genomen. Mijn broers hebben dat wèl gedaan - en nog steeds. Van de zomer zaten we voor het eerst sinds vijftien jaar weer met z'n drieën bij elkaar. Mijn vader werd 80, we zouden een feest organiseren. Ze uitten toen veel kritiek op mijn vader. Ik zei: als jullie iets met hem te verhapstukken hebben, ga dan met hem praten. Na afloop van dat feest heb ik opnieuw een woordenwisseling met mijn tweede broer gehad. Ik vond zijn opstelling te hard. Mijn broers zijn vreemden voor me geworden, we hebben niets gemeenschappelijks meer.

""Ik heb hun gezegd: word toch eens volwassen, geef het een plaats in je leven. Ik heb van mijn hart nooit een moordkuil gemaakt. Ik denk dat ik nu beter af ben dan zij. Ik heb hun het boek toegestuurd, ze hebben het snikkend zitten lezen.

""Mijn oudste broer wendde zich op zeker moment helemaal van mijn vader af. Hij was een jaar of twintig toen hij een meisje mee naar huis bracht en zei: "Er wordt niet over het kamp gepraat'. Toen mijn vader het toch deed, is hij opgestapt. Dat vond ik van een grote ongevoeligheid. Daar heb ik 's nachts echt om gehuild.

""Dit was de situatie: er komt iemand verscheurd uit de oorlog. Toen waren er twee opties: òf mijn vader naar het gekkenhuis waar hij onzichtbaar was geworden, òf thuis bij zijn gezin. Hij moest erover vertellen. Ik denk dat iemand die dat kan, gezonder is dan iemand die blijft zwijgen. Wie ben ik om te oordelen over mijn vader? Om te zeggen: je had je mond moeten houden?

""Mijn vader wilde niet naar een psychiater. Dat vond hij beledigend, alsof hij gek was geworden en niet de halve wereld die hem in die kolk had meegesleurd. Hij wilde ook eigenlijk niet toegeven dat hij een oorlogsslachtoffer was, hoewel hij het prototype is van iemand met een post-concentratiekampsyndroom. Twintig jaar later moest hij voor een oorlogspensioenregeling naar een psychiater. Die vroeg: droomt u wel eens? Nou, zei mijn vader, ik droom wel eens dat ik in een beestenwagon zit die in brand vliegt, maar dat heeft iedereen wel eens, hè? Hij wilde er weer zo snel mogelijk onderuit, maar die psychiater wist toen wel hoe laat het was.

""Aan wie anders dan aan ons had mijn vader zijn ellende moeten vertellen? Heel Nederland werkte zich uit de naad, men had wel iets anders aan het hoofd. Wij deden wat psychiaters als Bastiaans en Musaph later deden: luisteren en nog eens luisteren. Je kon toch niets zeggen om hem te troosten. Hij monopoliseerde al het leed. Als je pijn had, had hij toch altijd méér pijn gehad. Als je honger had, wist je volgens hem niet wat honger was. Je kon er nooit tegenop.

""Hij is een goede verteller. Hij probeerde de situaties te verbeelden. Hij rende, danste, sprong. Hij werd kwaad, zoals hij destijds kwaad was geworden. Zijn ogen zijn heel licht en werden dan helemaal doorzichtig. Soms verviel hij in zwijgen. Hij zag eens in een documentaire een overlevende die hij in het kamp gekend had. Toen was hij sprakeloos en begon hij met zijn vingers te trommmelen. Altijd dat trommelen...

""Ik was een keer alleen met hem thuis. Hij was me vergeten, denk ik, want opeens begon hij boven de krant te huilen, zó hartverscheurend en onbedaarlijk. Hij bleef maar huilen, alles werd nat, de krant, zijn overhemd, hij huilde een hele plas. Hij zei steeds tegen zichzelf: "Het is ook al zolang geleden'. Ik stond daar maar en ik kon niets aan zijn verdriet doen.''

Haar vader leefde in een situatie van permanente schizofrenie, vindt ze achteraf.

""Hij stond met één been in de gewone wereld: zijn werk bij Philips. Daar kun je niet de hele tijd zeuren, want een mens wil ook aardig worden gevonden door zijn collega's. Zó leefde hij tien uur per dag. Dan kwam hij thuis, de enige plek waar hij zijn sores kwijt kon.

""Mijn vader deed iets op het gebied van work efficiency. Hij vond het vreselijk. Van origine was hij arts. Hij had heel andere dromen gehad over zijn maatschappelijke toekomst, maar hij was allang blij dat hij een baan kon krijgen. Een echte carrière met promoties was voor hem niet meer weggelegd. Hij was veel te vaak ziek. Hij heeft zoveel operaties gehad - alleen al dertien maagoperaties. Zijn hele lichaam is overdekt met littekens. Toen hij uit het kamp kwam, waren zijn schouderbotten en polsen verbrijzeld, één long was niet meer in orde. Hij is nu een soort omhulsel waarin nog maar weinig organen zitten, alles is verplaatst of weggekapt. In mijn jeugd zagen wij hem lange perioden alleen maar in ziekenhuizen of sanatoria waar hij voor tuberculose werd verpleegd.

""We hadden nauwelijks geld, want er ontstonden grote schulden door de ziekenhuiskosten. De verzekering vergoedde maar gedeeltelijk, omdat het verband tussen de kampervaringen en kwalen als t.b. niet aantoonbaar was. Later heeft Philips die schulden gedeeltelijk overgenomen. Pas in de jaren zestig kreeg mijn vader zijn oorlogspensioen. Ik heb me nog eens woedend gemaakt op mensen van de Stichting '40-'45 die geld kwamen ophalen voor een cadeau aan iemand. "Donder op', zei ik met mijn vijftien jaar, "zorg maar dat er een pensioen voor hem komt, hij is meer dan honderd procent invalide.'

""Hij kan zich nooit ontspannen, ook niet op vakanties. Hij blijft met zijn verhalen rondlopen. Afgelopen zomer ontmoette hij in Zeeland voor het eerst een buitenstaander met wie hij over het kamp kon praten. Die man toonde oprecht belangstelling.

""Ik denk dat mijn vader er zoveel over praat, omdat hij hoopt dat hij er door de eindeloze herhaling ten slotte iets van zal begrijpen. Misschien ligt er ergens in die massa feiten een reden verborgen. Dat leidt uiteraard tot niets. Ik heb het zelf ook een hele tijd gedacht. Ik heb me al in mijn jeugd op die oorlog gestort en er zoveel mogelijk over gelezen. Op een dag, dacht ik, zal ik het begrijpen. Maar er valt niets van te leren. Je kijkt er met een heleboel medelijden en pijn naar en het is allemaal tevergeefs. Sindsdien besteed ik er minder tijd aan.

""Hij praatte altijd met mij, ik heb het nooit afgehouden. Dat kwam ook doordat hij zo vaak weg was door zijn ziekten. Als hij thuis was, wilde je dat hij van je hield. Voor mij was het een manier om bij hem te zijn. Die band is later nog versterkt. Mijn huwelijk liep al na een jaar op een scheiding uit en ik bleef achter met mijn zoon Aron. Elke zomer ging ik naar mijn ouders op hun vaste vakantieadres. Zodoende heb ik hen beter leren kennen dan mijn broers.

""Mijn moeder is een heel flinke vrouw die alleen voor dat gezin moest zorgen: een veeleisende man en kinderen in grote verwarring en pijn. Ik heb me altijd nietig gevoeld naast haar. "Ik ben een soort Kissinger', heeft ze wel eens gezegd, "altijd maar schipperen tussen de partijen'.''

Haar ouders leven nog. Daarom was publikatie van Tralievader een nogal hachelijke onderneming.

""Ik heb hem het typoscript tevoren laten lezen'', zegt ze. ""Als hij bezwaar had gemaakt, was het niet doorgegaan. Door de telefoon zei hij: "Ik vind het wel leuk, al die verhaaltjes hebben een clou'. Maar toen hij later het boek las, raakte hij toch weer overstuur. Mijn moeder belde me op, ze zei: "Hij is er nu weer zo mee bezig, het houdt niet op'. Ik zei: "Het houdt pas op als hij wordt ondergespit'.

""De meeste moeite had hij met mijn beschrijving van zijn moord op een Duitse Kapo, een zware crimineel. Daar schaamt hij zich voor. Hij had natuurlijk nooit kunnen denken dat hij daartoe in staat was. Hij kan zich achteraf niet meer voorstellen dat hij het heeft gedaan, maar tegelijkertijd zou hij hem opnieuw willen vermoorden. Dat weet hij van zichzelf - en toch heeft hij spijt.

""Hij gelooft in het bestaan van God. Hij is ervan overtuigd dat hij niet in het kamp mocht sterven, omdat hij die Kapo van het leven had beroofd. Sterven in het kamp beschouwde hij destijds als een genade, een verlossing. Maar God dacht: "Jij stuk uitschot, loop nog maar een tijdje op deze wereld rond, misschien leer je nog wat'. Je kunt zeggen: waarom is hij dan niet gecrepeerd - zo moeilijk was dat toch niet? Maar zo eenvoudig lag het niet. Als er al een keuze was, was die waarschijnlijk alleen weggelegd voor heiligen.''

In 1980 is ze zelf naar het kamp gegaan waar hij heeft vastgezeten. De naam houdt ze liever voor zich. ""Die doet er niet toe, er waren zoveel onheilsplaatsen en ze leken allemaal op elkaar. Het kwaad is niet te localiseren, het is overal en in onszelf nog het meest. Ik heb er foto's gemaakt en die met een aantal sonnetten aan hem gegeven. Een morbide cadeau, vond een vriend. Maar mijn vader vond het fantastisch dat ik gegaan was, zelf kon hij het niet meer opbrengen.

""Daarna behandelde hij me een poosje alsof ik er zelf ook gevangen had gezeten. Ik dacht even dat hij gek geworden was. Jij weet dat wel, zei hij dan, alsof ik een maat was geweest. Toen dacht ik: nu ben ik eindelijk geaccepteerd. Maar de liefde was weer snel uit. Toen was ik weer gewoon een vreemde voor hem. Het was altijd een strijd: je moest hem winnen, je had hem niet zomaar. Vaders houden niet onvoorwaardelijk van hun kinderen, moeders wèl.

""Ja, het was eenrichtingsverkeer tussen hem en ons. We hebben nooit ècht gepraat. Hij vertelde, wij luisterden. Hij is zo moeilijk benaderbaar... Als je die oorlog een loer wilt draaien, kun je beter je kinderen zo dicht mogelijk tegen je aan drukken, maar dat heeft hij niet gedaan. Wij moesten voor zijn leed op de knieën vallen. Dat heeft mijn broers tegen hem in het harnas gejaagd.

""Als mijn vader goed benaderbaar was geweest, had ik dit boek niet geschreven. Ik heb het voor mijn zoon geschreven, maar het is ook een lus die ik naar hem uitgooi. Die heeft hij niet gepakt, hij heeft er nauwelijks persoonlijk op gereageerd. Voor ons heeft hij nooit veel aandacht gehad. Hij heeft zich niet in ons ingeleefd. Hij denkt dat wij die verhalen hebben aangehoord zonder er conclusies aan te verbinden. Dat ons dat zoveel pijn heeft gedaan, kan hij zich niet voorstellen. Maar het is natuurlijk vreselijk voor een kind om te moeten horen dat zijn vader zo vernederd is. Je ziet hem toch elke dag met zijn kwaliteiten?

""Je kon hem helemaal niet bereiken. Als je hem tijdens het vertellen had proberen te troosten, zou hij bang van je zijn geworden. Als je hem onderbrak, of liet merken dat je wist wat er ging komen - die verhalen hebben we duizenden keren gehoord - werd hij nerveus. Je kon niet zeggen: het zit me tot hier, ik hoor elke nacht om twee uur de klok slaan. Als kind was ik slapeloos, die verhalen bleven maar door mijn hoofd malen. Wat een spookwereld, dacht ik, het bestaat toch niet dat mensen elkaar zulke dingen aandoen. Ik heb hem nooit kunnen zeggen dat ik misschien meer ben gaan begrijpen dan hij voor mogelijk houdt.

""In 1985 werd hij vreselijk ziek. We dachten dat hij in het ziekenhuis zou sterven. Ik hield zijn hand vast en hij vroeg opeens: "Is het 6 juni?' Dat is de dag waarop hij uit het kamp is teruggekeerd. Ik stuur elk jaar op die dag een telegram en bloemen. "Nee, Jochel', zei mijn moeder, "het is november'. Toen dacht ik: als hij hier bovenop komt, moet ik toch een keer echt met hem praten. Maar het is er nog steeds niet van gekomen.''

EED

Jawel, misschien was ik gelukkiger geweest wanneer je mij niet in vertrouwen had genomen. De notie dat de mens niet meer is dan een beest is niet bevorderlijk voor kinder- dromen. Misschien is dat ook wat mij heeft bezeerd: Roodkapjes grootmoeder is altijd wolf gebleven. En welbeschouwd heb jij mij niets geleerd. En welbeschouwd kan ik jou niets vergeven.

Maar nu ik ben die jij me hebt gemaakt: jouw evenbeeld, uit hongerbrood en pijn en uit de etter van je zieke longen - wat zou ik nu een ander willen zijn? Nu blijf ik naast je, noodgedwongen, tot men het vuren staakt.

GAMBIET

Zelfs in het voetlicht van septemberkoren bewaart het kamp een donker aangezicht: reusachtig schaakbord in de open lucht met een teveel aan logge zwarte torens. Het spel nu stil, het voetvolk lang geslagen en al wie koning was te paard gevlucht.

Slechts dwazen komen nog om uitleg vragen met woorden die tot niemand zijn gericht.

(MOTTO)

"Wat wil jij later worden?' vraagt de juffrouw. "Onzichtbaar', zeg ik, "dan kan de SS mij niet vangen.' Het is het verkeerde antwoord. Er gaan vingers omhoog. De juffrouw wijst, maar iedereen roept tegelijk. "Kapitein!' "Verpleegster!' "Bij de brandweer!'

(Uit: Tralievader)