Bougainville: genocide in de "Oceaan van vrede'

ROTTERDAM, 25 JAN. Het is de combinaties van een ruige blanke kop, knauwend Engels en een jas van schapevacht die verraden uit welke windrichting Mike Forster komt. Men herkent de Australiër. En toch is hij dat niet. Forster (44) noemt zich "Bougainvillees' en draagt met trots het paspoort van zijn, door geen enkele andere natie erkend land. Hij reist door Europa om steun te krijgen voor de onafhankelijkheid van Bougainville, waar het leger van Papua New Guinea naar zijn zeggen genocide pleegt. “Sinds mei 1990 zijn 8.000 mensen om het leven gekomen, vermoord of door ontbering gestorven.”

Bougainville is het meest oostelijke eiland van Papua New Guinea. De melanesische bevolking, 150.000 zielen, verschilt etnisch en cultureel sterk van de Papoea's en is verwant aan de bewoners van de nabijgelegen Solomon-eilanden. Het plantersgeslacht Forster woont al generaties lang op Bougainville, vrijwel de enige blanke familie die is geaccepteerd door de Melanesiërs en zich aan hen heeft aangepast. "Tabuna' noemen zijn landgenoten Mike Forster, "de geest', hij is voor hen de ambassadeur van de hoop.

Forster drijft een cacao-plantage en is woordvoerder van de "overgangsregering', die door Papua New Guinea wordt genegeerd. Port Moresby heeft alle paspoorten van de inwoners van Bougainville ingetrokken, alleen Forster kan nog naar het buitenland dankzij het feit dat hij aan zijn schooltijd in Sydney een Australische pas heeft overgehouden.

Het beeld dat hij schetst van zijn land is er een van vervolging, economische uitbuiting en ellende. “Ik begrijp niet waarom het ene autochtone volk (de Papoea's) het andere (de Melanesiërs) zo naar het leven moet staan”, zegt Forster. “We wonen in de Pacific, de oceaan van de stilte en de vrede, een weerspiegeling van de aard van de Melanesiërs. In werkelijkheid is het hier een hel.”

De ernstige situatie op Bougainville, die ook door de spaarzame buitenlandse bezoekers is bevestigd, heeft behalve een culturele vooral een economische achtergrond. Op het eiland bestaat een grote kopermijn, Panguna, goed voor 20 procent van de staatsinkomsten van Papua New Guinea. Volgens Forster heeft de centrale overheid nooit anders gedaan dan profiteren van de mijn, zonder Bougainville ook maar op de geringste wijze op te bouwen. Afval uit de mijn zou inmiddels grote gebieden hebben vervuild. Enkele jaren geleden ontstond als reactie een verzetsbeweging en werd een tegenregering in het leven geroepen.

Forster wijst niet alleen Port Moresby aan als schuldige van het “grote onrecht”, ook Australië - Panguna is voor 53 procent in handen van Australiërs - en Indonesië houden een onafhankelijk Bougainville tegen. “Jakarta heeft Papua New Guinea zelfs troepen aangeboden om ons land schoon te vegen. Jakarta vreest dat het ontstaan van nieuwe staten zal overslaan naar Oost-Timor en Irian Jaya en dat willen de Indonesiërs koste wat kost voorkomen.”