Zelfs niet-rokers vluchten de sigarenzaak; Thomas Bernhard driemaal herdacht

De schrijver Thomas Bernhard, die drie jaar geleden overleed, verbood het iedereen om zijn werk in Oostenrijk te spelen of in het openbaar voor te lezen. Dat heeft de Oostenrijkers er niet van weerhouden hem uitgebreid te gedenken in geïllustreerde uitgaven en zelfs op videocassette. “Thomas Bernhard hield ervan om gefotografeerd te worden, ook al verborg hij zich meestal voor door onbekenden gehanteerde camera's.”

Thomas Bernhard: Eine Begegnung. Gespräche mit Krista Fleischmann. Edition S. Verlag der Österreichische Staatsdruckerei. Wien 1991 (Ook twee videocassettes van de gesprekken verkrijgbaar). Prijs ƒ 57,30

Maria Fialik: Der konservatieve Anarchist. Thomas Bernhard und das Staats-Theater. Löcker Verlag. Wien 1991. Prijs ¢4 ƒ 50,-

Thomas Bernhard. Portraits, Bilder & Texte, herausgegeben von Sepp Dreissinger. Publication P No 1, Bibliothek der Provinz, Weitra, Nieder-Österreich. 1991. Prijs ƒ 227,80

Thomas Bernhard was de grootste schrijver die Oostenrijk na de Tweede Wereldoorlog heeft voortgebracht. Met zijn dood op 12 februari 1989 in het Opperoostenrijkse stadje Gmunden is een stem het zwijgen opgelegd die een volstrekt eigen toon had, een unieke melodie, een niet te miskennen stijl. Een bittere stem vaak, soms ook een klaaglijke, een bijna altijd gruwelijk overdrijvende, maar ook een stem die steeds een dubbele bodem van humor en relativisme suggereerde. De prominentste Duitse literatuurcriticus, Marcel Reich-Ranicki, noemde Bernhard de uitvinder van de "komische klaagzang' of wel van "opgewekt gejammer'.

Thomas Bernhard, zijn leven lang gefascineerd door het circus en door clowns (zijn toneelstuk Die Macht der Gewohnheit speelt in een circus) kon het niet laten alles in het belachelijke te trekken. Bij mijn werk “mag men nooit precies weten: moet men nu hardop lachen of niet. Dit koorddansen geeft pas plezier”, zei hij zelf eens. En hij leek vaak verbaasd dat men niet harder moest lachen om zijn tirades tegen Oostenrijk, zijn afschuw van de mens, zijn uitvoerige beschrijvingen van ondergang, dood, ziekte en degeneratie, zijn uitvallen tegen de staat, de kerk, het Burgtheater, tegen de medische stand, kunstenaars, de liefde, de fotografie, de natuur en zo maar door. Lachen moesten de lezers en theaterbezoekers heel dikwijls niet. Rellen, woedeuitbarstingen, schandalen vormden eerder het plaveisel van Bernhards opmerkelijke schrijversloopbaan.

Bernhard werd geboren in Nederland: in het ziekenhuis van het Sint Elisabeth-klooster in Heerlen. Zijn ongehuwde moeder, Herta Bernhard, was naar Nederland gegaan om het kind, dat zij van de inmiddels naar Duitsland verdwenen Alois Zuckerstätter verwachtte, "in stilte' te krijgen. Op 9 februari 1931 kwam het ter wereld. Pas na een jaar elders in de kost geweest te zijn kon de baby zijn intrek nemen bij zijn Oostenrijkse grootouders van moederskant: de toen ook nog niet met elkaar getrouwde schrijver Johannes Freumbichler en diens levensgezellin Anna Bernhard. (Waren Thomas Bernhards grootouders met elkaar getrouwd geweest dan had hij Freumbichler geheten, hadden zijn ouders de legale weg bewandeld dan zou hij als Thomas Zuckerstätter door het leven zijn gegaan. Wie moet hierbij niet denken aan Adolf Hitler, die, als het in zijn familie wat legaler was toegegaan Schicklgruber zou hebben geheten, zodat alle nazi's "Heil Schicklgruber' hadden moeten brullen.)

Sanatorium

Johannes Freumbichler, die in 1937 voor zijn roman Philomena Ellenhub de Oostenrijkse Staatsprijs kreeg, was zeker een van de twee grote liefdes in Thomas Bernhards leven. De andere was Hedwig Stavianicek, een dertig jaar oudere vrouw, die Bernhard als 20-jarige had leren kennen en die hij tot haar dood in 1984 zijn "Lebensmenschen' noemde, “van wie hij alles geleerd had”.

Helemaal waar was dat niet, want het leven leverde hem een harde leerschool. Op zijn zeventiende kreeg hij tbc, waarmee hij jaren in een sanatorium lag. In 1949 stierf de geliefde grootvader, in 1950 zijn moeder. Met rechtbankverslagen en kritieken in de socialistische krant Demokratisches Volksblatt in Salzburg hield hij zich in leven na zijn vertrek uit het sanatorium. Helemaal gezond werd hij nooit meer. Zijn longen maakten regelmatig sanatoriumverblijf noodzakelijk. In het laatste decennium van zijn leven kwam daar een hartkwaal bij. De jaren voor zijn dood kon Bernhard vaak nauwelijks ademhalen en was hij in feite een invalide.

Bij zijn dood in 1989, net 58 jaar oud, liet hij een oeuvre na, waarin ziekte en dood een grote rol speelden. In zijn dertien toneelstukken, gedichten, korte verhalen en romans is dood, het onherroepelijk aflopen van alles en iedereen, het vaak potsierlijke gestrompel van de mens naar dit enige doel, steeds weer hoofdthema. En de belachelijkheid, smakeloosheid, domheid en stuitende weerzinwekkendheid van de mens worden steeds weer ontmaskerd omdat Bernhard de spiegel van het zinloze einde ophoudt en er alles in laat weerkaatsen; ook zijn ik-figuren in het proza en zijn spreekbuizen in de toneelstukken, die geen spaan van hun omgeving heel laten.

De moeder in het stuk Am Ziel jammert over de moderne tijd, de macht van de arbeiders, de lamlendigheid van de jeugd, maar zelf is zij niet echt meer op weg naar haar vakantieoord Katwijk, maar "Am Ziel', aan haar levenseinde. In Heldenplatz, dat nu in Nederland gespeeld wordt, raast en tiert Professor Robert Schuster tegen Oostenrijk, dat hij een "geest- en cultuurloos riool' noemt. Maar deze kankeraar en "outsider' is zelf ook niet veel zaaks. Telg uit een gedegenereerde, geïsoleerde, halfgekke familie is hij weer een van die spreekbuizen van Thomas Bernhard zelf, die al meteen zó gerelativeerd worden dat men hun hatelijke overdrijvingen alleen maar kan zien als uitingen van woede tegen de zinloosheid, de dood, "the dying of the light', zoals Dylan Thomas dichtte.

Altzangeres

In Holzfällen, een kort meesterwerk, is dit nog duidelijker. De verhalende ik-figuur, een schrijver, brengt een "artistieke' avond door bij een welgestelde componist en diens vrouw, een altzangeres. Eregast: een beroemde toneelspeler van het Burgtheater. De verteller, twintig jaar tevoren een intieme en bewonderende vriend van gastheer en gastvrouw, walgt van het hele gezelschap. Hij beschrijft hun hypocrisie, opgeblazenheid, onwaarachtigheid, hun mislukte, aan talentloosheid of drank ten onder gegane levens, hun pretenties en snobisme. Maar bij het afscheid gedraagt de verteller zich net zozeer als huichelaar, lafbek en misselijke meeprater. Hij prijst tegenover de gastvrouw haar gasten, zegt gelukkig te zijn over het herstelde contact en zoent, net als vroeger, haar nu zo gehate voorhoofd. Kokhalzend over zichzelf stort hij zich in de nachtelijke straten van Wenen, de stad die hij haat, maar ook liefheeft. En al gauw gaat hij nog een stap verder: ook het gezelschap van die avond blijkt hij niet alleen te haten, maar ook lief te hebben omdat Wenen “doch meine Stadt ist und immer meine Stadt sein wird und dass diese Menschen meine Menschen sind und immer meine Menschen sein werden.”

Kort voor zijn dood bepaalde Bernhard dat uit zijn nalatenschap geen brieven, aantekeningen, schetsen of wat dan ook gepubliceerd mogen worden. (In Oostenrijk mogen bovendien geen nieuwe ensceneringen van zijn stukken worden opgevoerd of mag er uit zijn werk in het openbaar worden voorgelezen.) Zijn halfbroer, de internist Peter Fabjan, kreeg de taak dit verbod af te dwingen. Maar natuurlijk kan niemand verbieden dat boeken met herineringen aan, gesprekken met of foto's van Thomas Bernhard worden gepubliceerd. Die rollen dan nu ook gestaag van de persen.

Thomas Bernhard - eine Begegnung omvat drie grote interviews voor de camera, die de cultuurredactrice van de Oostenrijkse televisie, Krista Fleischmann, met Bernhard had. Niet alles wat in dit boek te lezen is werd uitgezonden. De indertijd geknipte passages brengt het boek ook. Vooral over het laatste interview was Bernhard, die dergelijke gesprekken verafschuwde en literaire journalisten zoveel mogelijk uit zijn buurt hield, zeer te spreken. “De film geeft mijn manier van denken weer” zou hij erover gezegd hebben.

Dat zal waar zijn, want in de gesprekken met Krista Fleischmann geeft Bernhard hetzelfde "opgewekte gejammer' ten beste dat men uit zijn boeken kent. Alleen is hij vaak nog ongrijpbaarder, nog clownesker, nog onmogelijker dan in het literaire werk. Vraagt Krista Fleischmann hem naar het verschil tussen de schrijver en de privé-persoon Bernhard dan antwoordt hij met een onzinnig betoog dat hij over elke zin vier tot vijf weken doet omdat hij zich bewust is van de noodzaak “dat kunst en persoon een eenheid vormen”. Na die weken schrijft hij zijn zin met een griffel van zijn grootvader op peperduur "porselein-papier'.

Even later blijkt dat hij al zijn werk tikt op een schrijfmachine en alleen met de hand schrijft als hij een handtekening moet zetten.

Goede ogen

Spreekt zij hem erop aan dat hij in mensen alleen maar feilen lijkt waar te nemen dan betoogt hij terug dat andere mensen precies zo naar zijn fouten zouden mogen kijken. Maar dat doen ze niet, volgens Bernhard, omdat niemand hem waar wil nemen. “Als ik in Wenen ben en collega's zie, kijken ze altijd weg. Ik loop altijd vriendelijk rond en, omdat ik goede ogen heb, zie ik er al een op honderdvijftig meter afstand. Die rent dan, totaal zinloos, een tabakswinkel binnen, hoewel hij niet rookt, alleen maar om mij te ontlopen.” Zo is het altijd gegaan, volgens Bernhard, zelfs toen hij nog een kind was en “schattig, met grote lange krullen, lief om te zien, met een prettige stem”. Een lange "komische klaagzang' vormen de interviews, die irritant, grappig, treurig en ontroerend tegelijk zijn. Bernhards aristocratische anarchisme, zoals Hilde Spiel het omschreef, en zijn humoristische nihilisme zijn overal present.

Maria Fialik, die voor haar doctoraal theaterwetenschappen een scriptie over Bernhard en het Burgtheater schreef, publiceerde vorig jaar Der konservative Anarchist, Thomas Bernhard und das Staats-theater. Het zijn twaalf interviews met toneelspelers, theatercritici en politici over Bernhard, de rel voor de première van Heldenplatz aan het Burgtheater in de regie van Claus Peymann en de verhouding tussen Thomas Bernhard en de Oostenrijkse cultuurwereld. Het boek wordt gepresenteerd als materiaal voor een kritische Bernhard-biografie, maar het brengt weinig feiten en al helemaal geen documentatie over genoemde thema's. Wel veel geklets en geroddel en voor wie geïnteresseerd is in het Weense equivalent van de Amsterdamse grachtengordel is het boek zeker "gefundenes Fressen'.

Grappig is wel te merken dat nog al wat gesprekspartners van Maria Fialik, evenals zijzelf, zich opwinden over tegenstrijdigheden tussen beweringen van Thomas Bernhard en de gedocumenteerde werkelijkheid. Zo tierde Bernhard nogal eens tegen kunstsubsidies en hij schreef er de slechtheid van Oostenrijks kunst en literatuur aan toe. Zelf ontving hij evenwel als jonge schrijver ook subsidie, werd hij overladen met geldprijzen en leende hij van de staat om zijn boerderij in Ohlsdorf te kopen en te restaureren. Terwijl Bernhard jarenlang het Burgtheater in Wenen boycotte en zijn stukken in Duitsland in première liet gaan is nu gebleken dat hij zelf best directeur van het Burgtheater had willen worden en daar gesprekken over gevoerd heeft. Dat consistentie niet zijn stijl was blijft kennelijk verbazen.

Het mooiste boek in de postume publikatiegolf is een fotoboek. De fotograaf Sepp Dreissinger stelde het samen en koos beelden en tekst voor het schitterende Thomas Bernhard, Portraits, Bilder & Texte. Het boek biedt een uitvoerige documentatie van Bernhards leven, waarin foto's en tekst elkaar zeer zinnig afwisselen. Bijdragen van o.a. Ilse Aichinger, Ingeborg Bachmann, Friedrich Heer, Elfriede Jellinek, Bernhard Minetti, Claus Peymann, Marcel Reich-Ranicki en Carl Zuckmayer hebben bijna zonder uitzondering een hoog niveau - de foto's, die schitterend zijn afgedrukt en waarvoor veel ruimte is genomen, zijn steeds de moeite waard, soms zelfs prachtig.

Geniepig

Thomas Bernhard hield ervan om gefotografeerd te worden, ook al verborg hij zich meestal voor door onbekenden gehanteerde camera's. En ook al laat hij Franz-Josef Murau in zijn grootste roman Auslöschung zeggen dat “fotografie een geniepige vervalsing” is en van de mens alleen een groteske en komische momentopname brengt. “Die Fotografie ist das grösste Unglück des zwanzigsten Jahrhunderts” zegt Murnau zelfs met de gebruikelijke Bernhardiaanse overdrijving. Als iets dit kan weerleggen is het wel Sepp Dreissingers fotoboek over Thomas Bernhard.

Het boek is verschenen bij Richard Pils, een provinciale uitgever die in het plaatsje Weitra in Neder-Oostenrijk, niet ver van de Tsjechische grens, zijn alternatieve "Bibliothek der Provinz' heeft gesticht. In de afgelopen jaren bracht de uitgeverij vijftig titels op de markt (o.a. van Friederike Mayröcker), literatuur en kunst, waarbij uitgever Pils zich persoonlijk betrokken voelt. Het boek Selbstdarsteller - Hauptdarsteller uit 1990, ook met foto's van Dreissinger, won de Oostenrijkse staatsprijs voor het mooiste boek van dat jaar.

Achter de "Bibliothek der Provinz' staat een ideologie. Het regionale, zegt Pils, wordt verdrukt. De schatten die daar te vinden zijn worden over het hoofd gezien. Tegenover de coca-cola-cultuur die de stad in haar greep heeft stelt Pils de hoge kwaliteit van zijn bibliofiele uitgaven, die hij met grote zorgvuldigheid in beperkte oplagen laat drukken door drukkerijen in de provinciestadjes in zijn buurt. Massaproduktie is hem een gruwel. Maar hij verbergt zich niet in de provincie. Tijdens het Mozartjaar droeg zijn uitgeverij de oudste teksten en partituren bij aan de tentoonstelling in Salzburg. In het huidige Columbusjaar verzorgt hij een reizende tentoonstelling door Amerika met houtsneden van Benedictijner monniken uit de tijd van Amerika's ontdekking.

Thomas Bernhard past in de "Bibliothek der Provinz' als geen ander. Pils heeft dan ook nog een andere titel op het programma staan: Gesprekken tussen Thomas Bernhard en André Müller. Een boek om naar uit te kijken.