Verdeeld advies over steun aan dagbladen

DEN HAAG, 24 JAN. Minister d'Ancona (WVC) heeft een verdeeld advies gekregen over de compensatieregeling voor noodlijdende dagbladen. Een commissie onder voorzitterschap van de hoogleraar openbare financiën en CDA-senator prof.dr. P.B. Boorsma is het niet eens kunnen worden over de vraag of deze regeling moet worden gehandhaafd. Een meerderheid vindt dat de regeling moet worden beëindigd. De minister heeft het verdeelde advies vandaag naar de Tweede Kamer gestuurd.

Het Bedrijfsfonds voor de Pers adviseerde d'Ancona vorig jaar de regeling, waarbij dagbladen voor teruglopende advertentie-inkomsten worden gecompenseerd uit de opbrengsten van radio- en tv-reclame, in een verbeterde en vereenvoudigde vorm vijf jaar voort te zetten. Daarop vroeg d'Ancona een commissie om advies. In maart neemt zij een definitieve beslissing over het voortbestaan van de regeling.

Sinds 1981 is op basis van de regeling - die als experiment werd ingevoerd - ongeveer 90 miljoen gulden uitgekeerd aan zestien dagbladen. Geld is beschikbaar gesteld in 1981, '83, '85, '86 en '89. Volgens de commissie is het moeilijk aan te tonen wat het effect van de regeling is. Er kan alleen worden geconstateerd dat er sinds de invoering van de regeling enkele kranten zijn verdwenen.

De commissie, waarin behalve Boorsma ook emeritus hoogleraar bedrijfseconomie H.W. de Jong en oud-PvdA-senator J.H. Simons zitting hadden, stelt vast dat de regeling “een bepaalde matigende werking” heeft gehad op het verdwijnen van dagbladen. De vraag of dagbladen dankzij de regeling in stand zijn gehouden kan de commissie naar eigen zeggen niet met een ondubbelzinnig "ja' of "nee' beantwoorden.

Boorsma en De Jong zijn tegen voortzetting van de huidige regeling. Zij vinden dat de regeling het risico van een "conserverende werking' inhoudt. Ook kan de regeling naar hun mening onjuiste beslissingen van ondernemers honoreren. Volgens Simons is de regeling een belangrijk instrument gebleken voor het in stand houden van "de pluriformiteit in de dagbladpers'. Hij beschouwt de regeling als “de nagenoeg enig overgebleven faciliteit waarmee de overheid aan haar zorgplicht voor een pluriforme pers gestalte geeft”.