Vader en zoon Waugh; Papa at alle bananen op

Auberon Waugh: Will this do? An autobiography. Uitg. Century, 288 blz. Prijs ƒ 65,50

Mr Wu & Mrs Stitch: The letters of Evelyn Waugh and Diana Cooper. Edited by Artemis Cooper. Uitg. Hodder & Stoughton, 344 blz. Prijs ƒ 75,80

Auberon Waugh de zoon van Evelyn, staat op de omslag van z'n autobiografie (over zijn first fifty years) in een winterjas waaronder een donker pak, met een hoed op. Wie die afbeelding gaat interpreteren moet niet denken dat deze Waugh zich wil voordoen als een meneer van de oude school. Waarom draagt hij dan geen trui of T-shirt net als iedereen? Om te laten zien dat hij lak heeft aan degenen die hem beschouwen als een meneer van de oude school, wiens plaats in de maatschappij van zijn geboorte af werd vrijgehouden dank zij de reputatie van zijn vader en het geld van de familie.

Bij nadere kennismaking met zijn leven zal bijna iedereen willen toegeven dat hij niet door zijn afkomst in de watten gelegd is. Wat de reputatie van zijn vader betreft, het kan geen voordeel geweest zijn om op te groeien als erfgenaam van Decline and Fall en Brideshead Revisited; Waugh junior zal zich des te harder hebben moeten inspannen om zich in een eigen stijl te onderscheiden.

Wat het geld van de familie aangaat, dat was er wel maar er bleef zelden iets van over. De familie Herbert van zijn moeder had meer, zowel status als vermogen, dan de Waughs en Auberon groeide op in tamelijk grote huizen met hectaren eigen grond in Somerset en Gloucestershire. Het leek heel wat, maar van zijn twintigste af heeft hij zichzelf moeten financieren, met romanschrijven en met columns in kranten en weekbladen (de Spectator, Private Eye, de Literary Review).

Hij mocht vooral in het begin van geluk spreken dat hij tenminste een invaliditeitsuitkering van het leger kreeg, hoewel hij daar een vinger, een long en twee ribben voor had ingeleverd. In militaire dienst op Cyprus in 1958 morrelde hij aan een machinegeweer omdat er iets klemde, en toen vuurde het zes kogels op hem af, waarvan vier in zijn borst en schouder. Na negen maanden in ziekenhuizen kon hij weer rondlopen; twintig jaar later moest hij nog eens een reeks behandelingen ondergaan voor een hardnekkig abces in zijn borst.

Intussen heeft hij zijn romans geschreven en, omdat die niet genoeg opbrachten, in de laatste twintig jaar een onafzienbare massa artikelen en columns, soms vier per week. Hij is in veel ruzies, vriendschappen en vijandschappen verwikkeld, en soms in processen wat geen wonder was want zijn grappen zijn vaak van de soort die in Engeland het slachtoffer op de gedachte brengt van schadevergoeding. De laatste tien jaar heeft zijn vrouw Teresa aan de inkomsten bijgedragen door ook te schrijven, eerst vertalingen en toen romans. Sinds 1971 woont het gezin (er zijn vier kinderen, nu alweer opgegroeid) in Combe Florey, het huis waar Evelyn Waugh in 1966 gestorven is, en dat zij eerst nog deelden met de weduwe die in 1973 overleed.

Dus is hij toch ook een soort heer op het land, zo niet conservatief dan tenminste anti-egalitair, al heeft hij maar één long en moet hij steeds weer stukjes naar Londen sturen. Het monument dat ik zal nalaten, schrijft hij, is Combe Florey teruggebracht tot zijn oorspronkelijke allure, zoals het in 1740 gebouwd is, met de oude soort ramen. De romans vindt hij van minder belang; van de andere tien boeken zou hij vooral willen dat de twee met columns uit het satirische Private Eye meer bewondering kregen dan tot nu toe.

Lastige man

De autobiografie, het zestiende boek, heeft het geld voor de nog ontbrekende vier ramen van het huis moeten opbrengen. Dat het Waughs derde meesterwerk is zou ik niet willen zeggen, maar het verrijkt onze kennis van zijn opmerkelijke familie, het vertelt een aantal verhalen die ik hoop nooit te vergeten, en hoewel de zoon niet zo'n lastige man is als de vader kijkt zijn oog voor het leven als komedie soms even scherp.

Het grappigste verhaal van alle is te lang en te afhankelijk van Waughs verteltrant om hier weergegeven te worden: over de dichter Hilaire Belloc rukkend aan een bellekoord dat nergens meer op aangesloten was - dat zal de belangstellende lezer zelf moeten opzoeken, op pagina 15.

Beter na te vertellen is het verhaal over de bananen van 1945 of '46, die als de eerste na de oorlog in Engeland aankwamen en met bijzondere distributiebonnen verdeeld werden: één per kind. De familie Waugh kreeg er drie, en vader Evelyn at ze achter elkaar op, met ook gerantsoeneerde room en suiker, voor de ogen van de drie kinderen. Het zou onzin zijn om te zeggen dat ik hem nooit vergeven heb, zegt Auberon die zes was, maar hij zakte voorgoed omlaag in mijn achting.

Een van zijn tegenzetten die het vermelden waard zijn kwam twaalf jaar later toen hij in het militaire hospitaal lag en Evelyn hem schreef dat zijn maandelijkse toelage van ¢8 25 nu meteen maar moest ophouden. Papa, ik hoop dat je spoedig over je financiële moeilijkheden heen zult zijn, schreef Auberon; ik hoor dat paddestoelen kweken voordelig is, en anders zou je een pension kunnen openen.

Niet slecht voor een negentienjarige; het idee van Evelyn Waugh als pensionhouder loopt vooruit op Fawlty Towers.

Oude heer

Wie de oude heer zelf nog eens duidelijk wil horen kan hem vinden in zijn briefwisseling met Diana Cooper, uitgegeven door haar kleindochter. Diana Manners, dochter van de hertog van Rutland, was op haar twintigste het mooiste meisje van Londen; in 1919 trouwde zij met Duff Cooper die toen niet veel bijzonders was maar in 1945 ambassadeur in Parijs werd waar het echtpaar gloriejaren beleefde. Waugh had een relatie met haar van 1932 tot 1966, in het nette; wat aan de netheid ontbrak was alleen dat hij het niet kon vinden met Cooper, zoals hij in enkele brieven in de verzameling Mr. Wu & Mrs. Stitch bewijst.

Wu en Stitch waren maar twee van de talrijke namen die Waugh en Lady Diana voor elkaar gebruikten. Zij hadden veel plezier in hun brieven en bij hun ontmoetingen, als Waugh niet te veel dronk; zij vertelden elkaar alles wat zij gehoord hadden van en over mensen die zij allebei kenden.

De kleindochter heeft grondig werk gedaan aan de voetnoten, zodat wij van al die mensen iets te weten komen. Wie de vrijzinnige upper middle class-toon van de briefschrijvers welluidend vindt, en zich enigszins thuis voelt bij de toenmalige goede families en andere aanzienlijken van Londen, zal in dit boek een eind komen. Er staat niet veel bij voor lezers op zoek naar roerselen achter de brieven, maar af en toe toch ook iets. Er viel gisteren een stenen vaas van zijn voetstuk op het hoofd van een van de werklui, schrijft Evelyn; ik vroeg of hij erg kapot was, Laura zei hij bloedt lelijk, en ik zei nee, ik bedoel de vaas. “This came out quite instinctively. How to reconcile this indifference to human beings with the obligations of Charity. That is my problem.”

Het probleem is in zekere mate opgelost in zijn laatste levensjaar. Toen waren al zijn tanden getrokken, zonder verdoving want zo wilde hij het, en hij werd milder, alsof iets van zijn karakter in dat gebit had gezeten.

Wat een geschiedenis, de familie Waugh. Nog enkele tientallen jaren met boeken van en over hen, en wij zullen bijna even lang met ze bezig kunnen zijn als met Bloomsbury.