Tarzan van de apen

In de stad Groningen ben ik geboren; mijn moederstad, want mijn vader kwam uit Roermond en dat ligt heel ergens anders.

Onlangs was ik er en ik rook het meteen toen ik het hoofdstation uitkwam: de suikerbietencampagne is in volle gang. Een weeïge lucht die bij westenwind over de stad hangt. Lekker is dat. Als vroeger in oktober, november de bietenwagens door de stad denderden vielen van de zo hoog opgetaste wagens vaak bieten naar beneden en als je geluk had vond je een mooie rooie. Thuis, waar de kachel al sinds de derde dinsdag van oktober gezellig brandde, ging het kleed van de tafel en op een krant holde je héél voorzichtig met een aardappelschilmesje je biet uit.

Zo dun mogelijk, want er kwam een kaarsje in te staan en dat scheen door de overzoete huid heen, waarin jij met een spijker een kerkje of iets heiligs had geprikt omdat hij als lampion ging dienen met Sint Martinus en je ermee langs de huizen trok. (Op die verjaardag regende het natuurlijk kei- en keihard. Het kaarsje ging uit. Het touwtje scheurde en het stokje brak. Eigenlijk alleen maar ellende, nattigheid en kou. “Sintmartinus schiet mi moar, bist de zeun van Sietsemoa, Sietsemoa en Hillegie, biet'n mekoar in 't billegie.”)

Ik heb een afspraak in café "de Beurs' bij de Vischmarkt en ik zit er fijn op mijn gemak een uur te vroeg omdat het er zo ouderwets gezellig is. Ouderwets Gronings. Naast het café is nog steeds een bioscoop waar we als jongens éénmaal in de week naartoe mochten. 3de rang: ƒ 0,45; 2e rang: ƒ 0,60; 1e rang: ƒ 0,75; parket: ƒ 1,25 en balkon: ƒ 1,50. Wij zaten altijd tweede rang want de derde rang hield je nek niet vol en het was er vooral bij knokfilms levensgevaarlijk. (Sledemenners. Butjes en slobbertjes.)

Ik ga er alleen heen. "Tarzan en de apen', met de enige echte tarzan, Johnny Weissmuller. Iedereen had hem al gezien behalve ik. Zaterdagavond. De eerste voorstelling. Een lange rij voor me. Achter het loket de snibbige, geblondeerde kaartjesjuffrouw waar ik bang voor ben. (Dunne, geverfde lippen en een sigarettepijpje.)

Boven haar hoofd verschuift ze achteloos "uitverkocht' achter tweede rang. Niets vreselijks, want ik heb nog vijftien cent extra voor een rol drop achter de hand. Als het mijn beurt is, wordt ook de eerste rang door haar met een vals trekje aan het sigarettepijpje voor "uitverkocht' verklaard.

De tranen springen in mijn ogen. "Tarzan en de apen' vanavond voor het laatst. Iedereen naar binnen, behalve ik. Een grote jongen met een hele gulden duwt me aan de kant. Ik heb het: vlak in de buurt wonen mijn redders: tante Annie en oom Aatje; beiden kinderloos en daarbij even hartelijk als gul. Ik moet snel zijn. Want de voorfilm is al begonnen. Ik ga ze om een kwartje vragen. Dat zullen ze zeker niet weigeren. Hollen.

“Dat is me nog eens een leuke verrassing. Nee, maar Aatje, wie denk je wie bij ons op bezoek komt? Paultje van Jans en Sjef. Kom binnen jongen. Hoe is het met je moeder? Is vader thuis? Zo maar uit jezelf bij oom Aatje en tante Annie langsgaan. Dat is nog eens aardig van je, niet Aatje? Ga zitten, dan maak ik een kop chocola voor je. Aatje pak de koektrommel eens. Vertel onderwijl aan oom hoe het op school gaat. Je dacht zeker: ik ga eens bij oom Aat en tante Annie langs. Leuk hoor.”

Een kwartje. Een kwartje. Ik durf het niet te vragen. Ik lieg dat ik zeker niet de slechtste van de klas ben. Een kwartje. Een kwartje. De chocolademelk is veel te heet die heb ik over een kwartier nog niet op. Kwartje, kwartje gloeit mijn gezicht. Kwartje, kwartje dreunt mijn hartebons in de kamer. Zijn oom en tante doof? Op de klok zie ik dat de hoofdfilm al aan de gang is. De vijfvoudig olympisch kampioen crawl laat zijn angstaanjagend gebrul horen en raast aan zijn liaan door de gezellige bovenkamer van tante en oom. “Kwáááááááártje joehoeaaiaaachiiiòòòòòjjjj!!!”

De tijd verstrijkt. Er is geen hoop meer. Als ik op de klok zie dat de film bijna is afgelopen vinden beiden dat ik maar eens moet opstappen. “Anders weet moeder niet waar je bent. Toe Aatje, laat die jongen niet met lege handen de deur uitgaan. Nee, nee, geen gulden geef hem een rijksdaalder. 't Is maar één keer per week zaterdag. Gaat hij morgen fijn van naar de bioscoop.”