Saoedische prins Abdullah bin Feisal bin Turki waarschuwt EG; "Wij eisen vrije toegang tot markt Europa'

DEN HAAG, 24 JAN. “De Europese Gemeenschap zou de verbeterde relaties met de olieproducerende landen bederven door nieuwe handelsbelemmeringen op te werpen. Wij willen vrije toegang tot de Europese markt voor onze olie- en petrochemische produkten.”

Dat zegt prins Abdullah bin Feisal bin Turki van Saoedi-Arabië, 's wereld grootste olie-exporteur, die op uitnodiging van het Nederlands Centrum voor Handelsbevordering in ons land op bezoek is.

De prins tracht investeerders te interesseren voor de industriële ontwikkeling van zijn land. Vanochtend hield hij een toespraak voor de jaarlijkse conferentie van het Midden-Oosten Instituut in Den Haag.

Saoedi-Arabië hecht groot belang aan de onderhandelingen met de EG over een vrijhandelsovereenkomst voor de zes landen van de Samenwerkingsraad voor de Golf. “Importtarieven, nieuwe belastingen, en quota's beschouwen wij als oneerlijk en onacceptabel”, zegt prins Abdullah.

Prins Abdullah, een neef van koning Fahd van Saoedi-Arabië, ziet grote kansen voor uitbreiding van Nederlandse investeringen in zijn land. Hij is voorzitter van de koninklijke commissie voor de ontwikkeling van de twee grootste industriegebieden, in Al-Jubail aan de Golfkust en in Yanbu in het westen, aan de Rode Zee. “Onlangs is de nieuwe begroting in ons land vastgesteld en mijn departement krijgt de grootste uitgavenstijging: 37 procent”, zegt Abdullah met enige trots. Tot 1995 zal tussen 5 en 7 miljard dollar per jaar aan investeringen worden gedaan in de twee industriegebieden. “Dat betekent grote mogelijkheden voor expansie”, aldus de prins.

Vandaag voerde hij gesprekken met vertegenwoordigers van de Koninklijke Shell-groep en diverse andere Nederlandse ondernemingen, zoals het olie- opslagbedrijf Paktank in Rotterdam en aannemingsbedrijven. Shell heeft al een belangrijke joint venture met een raffinadrij in Al-Jubail.

“Sinds 1977 hebben we in Jubail en Yanbu een snelle ontwikkeling doorgemaakt door investeringen van in totaal meer dan 25 miljard dollar. We beschikken nu over grote raffinaderijen en havenfaciliteiten die ons in staat stellen de belangrijke positie in de wereldolievoorziening te behouden. Nu gaat het om uitbreiding met kleinere fabrieken, vooral petrochemische installaties, en servicebedrijven voor de bedrijfsvoering en het onderhoud. Daarbij kunnen Nederlandse bedrijven ons zeker meer van dienst zijn. We hebben volop kansen voor ze, want we kunnen de Westerse technologie en ervaring in de industrie en speciaal in de olie-installaties goed gebruiken”, aldus Abdullah.

“Saoedi-Arabië wil snel veranderen van een land dat voornamelijk ruwe olie verkoopt in een leverancier van eindprodukten”, zegt hij. “We hebben het geluk een grote hoeveelheid energie te bezitten, die willen we wel blijven leveren aan de Westerse geïndustrialiseerde landen en aan de Derde wereld. Dat is belangrijk voor de wereldeconomie. Maar we beschouwen onze olie niet meer als een grondstof. We willen er een toegevoegde waarde uithalen, net als u dat in de Westerse landen doet, door raffinage en petrochemie.”

Saoedi-Arabië zal dus in dat opzicht een belangrijke concurrent van de Westerse olie-industrie worden, erkent Abdullah. “Dat is geen probleem, het Westen is al hooggeïndustrialiseerd en kent zijn milieu- en congestieproblemen. Een verdere uitbreiding van de olie-industrie kan beter in onze regio gebeuren, waar de energie wordt gewonnen.”

Prins Abdullah zegt dat zijn land vastbesloten is de fouten die in het Westen zijn gemaakt met milieuvervuilende fabrieken, te vermijden. “Onze raffinaderijen zijn de meest moderne ter wereld en in die moderne technieken zullen we blijven investeren. Voorlopig hebben we daar nog veel hulp en ervaring uit het buitenland voor nodig.”

De prins onderstreept het belang van handhaving van de politieke stabiliteit in het Midden-Oosten. Hij merkt in zijn contacten met buitenlandse investeerders meer vertrouwen na de “goede afloop” van de Golfoorlog. “Maar dat betekent wel dat we, samen met de partners in de internationale coalitie die Saddam Hussein uit Koeweit verdreef, moeten blijven zorgen voor voldoende veiligheid en defensie.”

Saoedi-Arabië kreeg tijdens de oorlog tussen Iran en Irak in de jaren tachtig scherpe kritiek te verwerken van diverse Westerse landen voor zijn aanzienlijke wapenaankopen. “Maar als we dat toen niet hadden gedaan, hadden we ons in 1990/1991 niet tegen Saddam Hussein kunnen verdedigen. Dan waren we compleet afhankelijk geweest van het buitenland. Helaas zullen we grote aandacht aan onze defensie moet blijven geven. Maar het internationale politieke klimaat verandert. Ik ben optimistich over de vredeskansen in onze regio.”