Samenhangende overpeinzingen van Jan Kuijper; Een lijk vermoorden - kan dat?

Jan Kuijper: Denkbeelden. Uitgeverij Querido. 115 blz. Prijs: ƒ 29,90

Jan Kuijper houdt niet zo van Sibelius. Of in elk geval niet van de látere Sibelius. Dat zegt hij niet met zoveel woorden, maar het valt op te maken uit een van zijn 574 gebundelde Denkbeelden, nummer 184: “Sibelius kreeg een staatspensioen, en hing zijn lier aan de wilgen. Wijze Finnen!” Als wij Kuijper mogen geloven, ontdeden de Finnen zich op elegante wijze van een componist die het alleen nog maar deed voor het brood en niet meer voor de kunst en zelf blijkbaar niet aarzelde om van deze VUT-regeling avant la lettre gebruik te maken. “Sibelius wist van ophouden”, zo vervolgt Kuijper monter in nummer 185. “Soms vraag je je zelfs af of er iets aan je plaat mankeert.”

Veel van de denkbeelden van Jan Kuijper zijn zoals deze twee over Sibelius: kort, puntig, interessant en geestig. Gelukkig zijn ze niet al te aforistisch of sententieus van formulering. Voor de Succesagenda zijn ze ongeschikt, want te weinig algemeen en te persoonlijk. Daarvoor hangen ze ook teveel samen. Net als de Ideën van Multatuli - waardoor Kuijper zich duidelijk heeft laten inspireren - is er tussen zijn denkbeelden een associatief verband. De ene gedachte is weloverwogener, dieper, grappiger, verrassender of waardevoller dan de andere, maar ze vullen elkaar mooi aan. De overwegingen over Sibelius passen in een reeksje over 20ste-eeuwse muziek, dat weer past in een reeks over kunst en talent, dat weer past in een nog grotere reeks over kunst en vernieuwing, dat weer past in een nog weer grotere reeks over kunst en eeuwigheid, enzovoort. Ik wil niet beweren dat Kuijpers overpeinzingen zich alleen maar in samenhang zouden laten begrijpen, want sommige zijn ”los' ook erg bruikbaar, zoals deze over koloniale uitbuiting: “Rockefeller stierf op Nieuw-Guinea - maar zijn collectie Papoeakunst zal zijn naam doen voortleven.”

Maar ik geloof wel dat de kracht en de humor van deze denkbeelden ligt in het geheel, in de gedachtengang die van een prettig soort onafheid is, en die vraagt om meer. Diezelfde eindeloze voortgang is er ook in de ontroerende kindertekening van Jan Kuijper die de omslag van het boek siert. Vijf wegen en verkeersstromen zijn erop te zien, met langzame weggebruikers (twee nogal verschrikt ogende wandelaars) en één zeer snelle (een straaljager), en verder veel karren, auto's, treinwagons (waarin onder meer een baal hooi, boeven en een tijger vervoerd worden) en helikopters. Alle vijf druk bereden en bevolkte wegen lopen, zo is de suggestie, door buiten de tekening.

Het moet voor Kuijper zelf ook aantrekkelijk zijn om nu eens, ongehinderd door versvorm, regellengte, rijm en metrum uiting te kunnen geven aan gedachten over van alles en nog wat. De poëzie wordt hier overigens niet over het hoofd gezien en één van de denkbeelden s zelfs een gedicht, een wat verdwaald sonnet over Van Gogh. Een flink aantal denkbeelden heeft betrekking op de formele, inhoudelijke, technische en niet in de laatste plaats op de maatschappelijke kanten van poëzie. Zo is er volgens Kuijper een verband tussen de explosieve stijging van het aantal uitgeleende bibliotheekboeken in de afgelopen vijftien jaar en de halvering van de gemiddelde oplage van een nieuwe dichtbundel. Ook is het hem niet ontgaan dat er verhoudingsgewijs steeds minder prijzen voor poëzie worden uitgedeeld. De AKO-literatuurprijs is alleen ingesteld voor proza, al weerhoudt dat een dichter er niet van om zitting te nemen in de jury. Fijntjes merkt hij op dat de Anton Wachterprijs, bestemd voor een beginnend auteur die schrijft in de geest van Vestdijk, tot dusver vanzelfsprekend naar een prozaïst is gegaan, terwijl Vestdijk zelf indertijd als dichter debuteerde.

Meestal is zijn toon beheerst en dempt hij zijn gevoelens in een luchtig terzijde, een koele slotsom en een enkel uitroepteken hier en daar. Maar oprechte boosheid klinkt op uit denkbeeld 296, dat gewijd is aan een van zijn meest geliefde boeken, ABC de Babar. Met medewerking van de zoon van de overleden schrijver werd het in verminkte vorm herdrukt. “Zelf heeft die zoon een in alle opzichten inferieur Babar's ABC gepubliceerd, en trouwens nog een heleboel andere olifantenboeken. Eerst het lijk van je vader kaalvreten en hem vervolgens vermoorden - kan dat?”

Kuijper is er goed in op een achteloze manier vragen de wereld in te zenden en die vervolgens onbeantwoord te laten, zoals deze over een paar bekende romans van Arthur van Schendel. “Wat heeft het te betekenen dat zowel in Een zwerver verdwaald als in De grauwe vogels iemand beide handen verliest?” Voordat men hiervan goed en wel bekomen is, want hoe zat dat ook alweer met die handen, komt Kuijper al met zijn volgende, nog veel klemmender vraag: “En als je die vraag hebt beantwoordt, wat dan nog?”

In Denkbeelden wordt veel stof tot overdenking gegeven, over uiteenlopende onderwerpen. Het maakt eigenlijk niet uit of het nu gaat over de smaak van doppinda's of over de ”piel van Bofill' in het centrum van Amsterdam, over de verwerpelijkheid van christelijke scholen en ziekenhuizen of over een schilderij van Vermeer waarop, ”twee en een halve eeuw voor Kandinsky of Picasso' een abstract schilderijtje is afgebeeld, over de prijzen van de kaartjes voor het Concertgebouw of over het nut van masturbatie. Stuk voor stuk zijn het zaken waarover je nog veel meer zou willen lezen. Multatuli schreef zeven bundels Ideën.

“Ik ben een zachtmoedige. Het is een zwaar lot als je werkelijk talent hebt voor de zachte dingen. Ik en dieren bijvoorbeeld, dat is een bron van ergernis voor iedereen. Als ik een bij in een plas water zie liggen, dan ga ik hem redden. Als ik een hengelaar een worm aan de haak zie frummelen, dan kan ik hem wel de vaart intrappen. Je kunt wel zeggen dat er genoeg vliegen zijn, maar dit, dit is mijn vlieg, die zie ik in een spinneweb en die haal ik eruit. Ik Almachtige, sta tegenover iets dat absoluut prooi is. Die situatie vind ik niet evenwichtig en dan red ik zo'n beest. Het zijn vermoedelijk identificaties, die je niet al te positief moet zien. Ik ben geen heilige.”