Rembrandt is Rembrandt

Dit is de tekst van de lezing die Jan Wolkers afgelopen zaterdag hield in de Stadsschouwburg in Amsterdam tijdens een Rembrandtsymposium

Rembrandt was voor de jonge Jan Wolkers al onvergetelijk voor hij ooit een schilderij van hem had gezien, zelfs voor hij ooit een fatsoenlijke reproduktie onder ogen had gehad. Zou hij zo'n indruk gemaakt hebben als hij niet Rembrandt maar Kees had geheten? “Het zal toch wel iedereen opgevallen zijn dat na Rembrandt geen ouderpaar meer de euvele moed gehad heeft om hun nazaatje Rembrandt te noemen.”

Als ik in mijn jongensjaren niet zo verzot was geweest op koperpoetsen, zou ik volop reden hebben om Rembrandt hartgrondig te haten, want iedere zaterdagmiddag moest ik, terwijl mijn vriendjes aan het voetballen waren, het forse geelkoperen wandbord poetsen dat bij ons in de gang hing en dat, op een wat klonterige manier die de duidelijkheid van de voorstelling niet ten goede kwam, de Nachtwacht in reliëf gedreven in beeld bracht. Bijna plechtig als een offerande legde ik de metalen schijf, waarvan de weerschijn het plafond rembrandtiek verlichtte, op een laag oude kranten op de tafel en liet er vervolgens de Brasso op neer spetteren. Daarna veegde ik, we zouden nu zeggen als een gewetenloze restaurateur want de voorstelling verloor als bij toverslag zijn glans, het poetsmiddel slordig met een katoenen doek over schutters en schuinsmarcheerders uit. Vervolgens liet ik het onsmakelijke papje drogen zodat de compagnie van Kapitein Frans Banning Cocq en luitenant Willem van Ruytenburch in miezerig krijt uitgevoerd leek. Maar niet voor lang. Met een wollen doek wreef ik geleidelijk aan de voorstelling weer te voorschijn, en daarin lag de kern van mijn plezier in dat wekelijks terugkerende karweitje, hoewel mijn oudste broer als hij mij zo bezeten bezig zag vaak smalend zei: "Zo, koperwiek.' Want werd ik zelf niet iedere keer een beetje Rembrandt terwijl ik schutters en lansen te voorschijn poetste tot ze fonkelden als zonlicht in lijnolie. Ik deed het met zoveel krachtige liefde dat we gerust mogen aannemen dat ik zelfs in staat zou zijn geweest het toch danig gehavende kadaver dat de chirurgijn Joan Deyman onder handen heeft, waarvan de stopverfkleurige huid de adellijkheid lijkt uit te walmen, met mijn met wol beklede knokige jongenshanden weer tot leven te wekken. En wanneer ik dan met die blinkende zonneschijf terugliep naar de gang en mijn vader in zijn crapaud zat, voor een wijle in slaap gedommeld door de vermoeienissen van het bestaan, scheen ik even op zijn weerbarstige gelaat, waardoor hij, gedrenkt in de weerschijn der eeuwigheid, nog meer op de Man met de Gouden Helm ging lijken. Toch heb ik mijn vader nooit voor een echte Rembrandt versleten.

Dat wandbord was natuurlijk niet het enige koperen voorwerp dat ik te poetsen had. Ervoor hadden de kandelaars in de vorm van sullige geharnaste ridders met doorgezakte knieën die te slap leken om een kaars te schragen en die op het harmonium pronkten, al een beurt gehad en de koperen ringen die uit de gemelijke muilen hingen van zielloze houten leeuwekoppen die op de plaatsen waar een lade of een deurtje geopend kon worden buiten het buffet staken, glommen al alsof ze van goud waren. En na de blinkende Nachtwacht moest ik nog als sluitstuk van mijn huisvlijt op mijn knieën liggend op de hardstenen stoep, de brievenbus van beduimeling en oxydatie bevrijden zonder het poetsmiddel over het vermiljoen geschilderde houtwerk van de deur te smeren waardoor het de kleur zou krijgen van geronnen bloed. Veel van de kleuren die in mijn jeugd een onvergetelijke indruk op mij gemaakt hadden bleken later naar Rembrandt te verwijzen. De rode verf van de deur naar het nobele rood van de zwierige mantel van Jan Six, en toen na verloop van tijd de verf om de brievenbus toch ging donkeren, werd het het rood van de Staalmeesters. Een blinkend geelkoperen gebit in een koortsige mond. En nog altijd, als ik het Rijksmuseum binnenloop en even voor de Nachtwacht blijf staan, denk ik, nou de brievenbus nog. En een glimlach lang ben ik dan weer het jongetje dat met zijn busje Brasso en zijn poetsdoeken op de afbeelding van Rembrandt het patina der onvergankelijkheid glanzend komt wrijven.

Sigarebandje

Hoe komt het toch dat al in mijn vroegste jeugd de naam Rembrandt een onaantastbare klank had als Vim of Persil of Del Monte. Alsof het ook een wettig gedeponeerd handelsmerk was. Kwam het alleen door de krakkemikkige armetierige nabootsing van een van zijn meesterwerken in de gang bij ons waarvan de holten aan de achterzijde de liefdeloosheid van de stansmachine verraadde en waarvan de voorkant butserig was alsof de goden met die gulden discus op de basalten uitlopers van het Walhallah gefrisbeed hadden? Of kwam het door de sigaren die mijn vader rookte van het merk Elisabeth Bas met op het sigarebandje een portret van de pinnige dame zelf, dat toen nog voor een echte Rembrandt doorging. Maar aan de stuurse uitdrukking op haar tronie kon je al zien dat ze er weet van had dat er stevig aan haar authenticiteit geknabbeld werd en dat ze weldra zou verdwijnen uit de asbakken der tevreden rokers. Want wie wil er nou een valse Rembrandt om zijn dekblad. Hoe het ook zij, nog voor ik ook maar een reproduktie naar een schilderij van de meester in ogenschouw had genomen, laat staan een echt werk, bleef Rembrandt al, net als Persil, Rembrandt.

In het midden van de oorlog, toen ik, ondergedoken voor de Arbeidsdienst, op de Leidse Schildersakademie Ars Aemula Naturae ging studeren, kwam ik er pas ten volle achter wat die geheimzinnige naam inhield, waar die voor stond. Want daar bevonden zich in de eikehouten wandkasten met voorwerpen om stillevens mee samen te stellen - schedels met en zonder onderkaak, in leder gebonden eeuwenoude folianten, bleekgroene testen en ander aardewerk dat node een glimlicht van een stilleven-schilder leek te ontberen - verscheidene boekwerken over Rembrandt.

Wandelingen met Rembrandt in en om Amsterdam van Frits Lugt (bij wie ik in 1957 onderdak zou vinden in Parijs in het Institut Néerlandais toen ik bij Zadkine ging studeren), Rembrandt's Leven en Kunst door Jan Veth (van wie ik het portret van Albert Verwey in de Lakenhal mateloos bewonderde), maar bovenal Rembrandt Schilderijen van Dr. A. Bredius, met vele honderden afbeeldingen. En ook al moet het toen reeds tussen de bladzijden geritseld hebben van de valse Rembrandts, er was zoveel koren onder het kaf, dat het er niet toe deed. Van een valse Rembrandt valt voor een beginnend schilder ook nog heel wat te leren. Trouwens, als je omdat de Vim uitverkocht was Ata als schuurmiddel op het aanrecht had staan, bleef je het toch Vim noemen, hoewel het wat minder Flinck schuurde. Wat me vooral is bijgebleven van die nogal duister gereproduceerde schilderijen is het fiere zelfportret uit het Mauritshuis, het jonge meisje aan het venster (waar ik natuurlijk prompt verliefd op werd), de badende vrouw uit de National Gallery in Londen, de hangende geslachte os uit het Louvre, het portret van Jan Six (ook zonder het vermiljoen van onze voordeur was het schitterend), en vooral natuurlijk de bijbelse taferelen. Eindelijk zag ik al die verhalen, waarvan de beelden zich met de natureelste beweeglijkheid voor mijn geestesoog ontrolden als mijn vader uit de Bijbel voorlas, precies zo verbeeld. Geloof en penseelstreek leken samen te vallen. Had ik die gruwelijke vaderhand van Abraham als hij Izaäk offert, niet net zo verstikkend over het gezicht van het jeugdige slachtoffer tot klauw zien verworden, had ik Lazarus niet zo door de helse stank heen van zijn tot op de draad bedorven lichaam tot leven zien komen, en had ik niet de blindmaking van Simson zo gezien, zo gewelddadig en levensecht dat ik het kraken van het gebeente van de oogkas meende te horen wanneer de dolk met satanische kracht in het oog van de nazireeër gods geboord wordt. En had ik niet precies zo de handen van de vader als hij van innerlijke ontferming bewogen wordt, bij de omhelzing van liefde bijna zien wegsmelten in de rug van zijn verloren zoon.

Bijna dagelijks, voor ik op de akademie aan het werk ging, bladerde ik dat boek even door, want ook al had ik voorlopig slechts simpele stillevens te schilderen, Rembrandt ging door mijn bloed heen als een koorts.

Krans

Rembrandt heeft me er ook toe gebracht mijn eerste literaire personage te creëren en aan het papier, al was het dan maar krantepapier, toe te vertrouwen. Ziet u hem al in Leiden door de ochtendschemering lopen van de veertiende juli 1944, die artistieke uitslover en abonnee van het Dagblad van Leiden en Omstreken. Hij gaat omdat het Rembrandtdag is zowaar de Weddesteeg in om langs het geboortehuis van Rembrandt te lopen. Het is toch niet waar?! Jawel hoor! En wat ziet onze abonnee. Twee jongens waarvan de een op de schouders van de ander staat om een krans te bevestigen boven de gedenksteen die daar uit naam van het dankbare nageslacht in de muur gemetseld zit. Hij is zowaar ontroerd en wacht bescheiden aan de ingang der steeg tot de jongelui uitgelauwerd zijn. Voelt u ook de neiging in u opkomen om tegen die fervente Droogkwast te roepen, "Stik in Rembrandt en verdwijn!' Ach, laat u maar, het is slechts een figuur der verbeelding. Geen enkele abonnee van welke krant dan ook loopt op de veertiende juli 1944 om zes uur 's ochtends door de Weddesteeg te Leiden.

Maar die twee jongens waren levensecht. Met een vriend had ik de avond ervoor van takken van eik en taxus een krans gevlochten om die in alle vroegte bij de gedenksteen in de gevel van het geboortehuis van Rembrandt aan de muur te hangen. Toen we 's ochtends voor dag en dauw op pad gingen, ik met de krans over mijn schouder die gaandeweg tot een treurniswekkend ovaal begon uit te zakken, en hij met een potje gluton, een hamer en spijkers en een vel papier waar ik een lofdicht op geschreven had om onder de krans te plakken, hadden we het er een beetje zenuwachtig lacherig over dat we vooral niet moesten zeggen als we door de politie of door Landwachters aangehouden werden en ze zouden vragen wat we gingen doen met die krans, dat we op weg waren naar de begrafenis van Mussert. Dat zou wel heel erg stom zijn. En helemaal niet dat we op weg waren naar de begrafenis van Seyss-Inquart. Dat zou nog stommer zijn. Maar toen we in de koele duistere steeg waren werden we toch nog behoorlijk plechtig, hoewel we aan de inscriptie Hier werd geboren op den 15den juli 1606 Rembrandt van Rijn zagen dat we een dag te vroeg waren met onze huldiging. Ach, het gaf eigenlijk niets, het had zelfs het voordeel dat de begenadigde schilder nu een dag eerder aan de Nachtwacht kon beginnen. Toen we het velletje papier met gluton ingekwast hadden klom ik op de schouders van mijn vriend en plakte het tegen de muur. Daarna gaf hij me de hamer en een spijker aan en even later hing de krans. Vanaf een afstand keken we naar het werk onzer handen, niet erg voldaan vanwege het enigszins potsierlijke effect. We hadden net zo goed de oude binnenband van een fiets kunnen ophangen. Pas toen we op de terugweg over de Blauwbrug liepen werden we weer een beetje uitgelaten omdat mijn vriend het potje gluton te pletter liet vallen op het dauwnatte asfalt, waardoor de doffe perzikhuid van jonge ochtendvochten, zoals Gerrit Achterberg dat in een gedicht zo nuchtertjes noemt, met witte brij beklodderd werd.

De volgende dag kon ik het toch niet laten om te gaan kijken. Nog voor ik de spoorbomen over was zag ik voor mijn geestesoog een drom van mensen heftig staan gesticuleren onder de gedenksteen en door mijn geestesoor hoorde ik kreten van bewondering en instemming. Maar toen ik zo onopvallend mogelijk de Weddesteeg in schoof, was die zo leeg en verlaten als een museum na sluitingstijd. Niemand had het opgemerkt, waarschijnlijk was er zelfs geen sterveling langs gekomen. Dat mocht niet. Dat kon Rembrandt niet aangedaan worden! Deze grootse daad mocht niet onopgemerkt blijven. Verontwaardigd en begeesterd spoedde ik me naar huis en schreef een brief aan het Dagblad voor Leiden en Omstreken. Onder de kop REMBRANDT GELAUWERD werd hij de volgende dag geplaatst.

“Een abonnee schrijft ons: Vanmorgen liep ik, 't was even over zessen en moest met een der eerste treinen mede, op 't Noordeinde. Daar het vandaag Rembrandtdag is, tenminste ik dacht het, later merkte ik dat ik me vergist had met de datum, was ik besloten nog even door de Weddesteeg te gaan, ten einde langs de geboorteplaats van Rembrandt te lopen. Hoe groot was mijn verbazing toen ik de steeg ingaande, daar twee jongelui, op elkanders schouders staande, een krans of iets dergelijks boven de gedenksteen zag hangen. Ze waren zo in hun grootse daad verdiept, dat ze mij niet bemerkten. Toen ze weggingen ben ik even gaan kijken, daar ik het jammer vond ze op het moment te storen. Boven de tegel hing, of hangt misschien nog, een krans, van taxus en eikebladeren gevlochten. Er waren een paar versregels aangebracht, luidende:

Aan Rembrandt

Veel lauwerkransen zijn niet nodig,

Voor redevoering is geen tijd.

En achteraf, 't is overbodig,

Elk weet, dat Gij de Grootste zijt.

Het heeft me ontroerd. Ik ben een groot bewonderaar van schilderkunst en vooral van Rembrandt. Dat er deze dag in Leiden van officiële zijde niets aan gedaan wordt, beschouw ik als een miskenning. Des te meer spreekt het daarom, dat een paar Leidse jongelui, ondanks deze officiële miskenning, beseft hebben wat Rembrandt voor Nederland, en in het bijzonder voor zijn geboorteplaats Leiden betekent.''

Ik had niet alleen mijn eerste literaire personage het levenslicht doen zien maar ik had naar alle waarschijnlijkheid ook de eerste NSB-er in de Nederlandse literatuur geschapen. Want wie wil er nou dat er tijdens de bezetting van officiële zijde in Leiden iets aan de Rembrandtherdenking zou worden gedaan. De hele mispoge van burgemeester en wethouders was toch zeker de Berchtesgadense beginselen toegedaan.

Vaak vraag ik me nog af of hij zijn trein wel gehaald heeft, die matineuze abonnee van het Dagblad voor Leiden en Omstreken. Want niet alleen heeft hij dat lofdicht moeten opschrijven om het te kunnen aanhalen, hij heeft ook nog wat botanisch veldwerk moeten verrichten om achter de juiste samenstelling van de vegetatie van de lauwerkrans te komen.

A rose

What's in a name? That which we call a rose, By any other name would smell as sweet. Wat wij een roos noemen zou met welke naam ook even heerlijk geuren. That's the question. Zelf heeft Shakespeare, die met Rembrandt en Bach tot de drie reuzen van het protestantisme behoort die men met enige verbeeldingskracht zelfs gesymboliseerd kan zien in de ets met de drie bomen, zijn tragedie ook niet John and Ann genoemd, maar Romeo and Juliet. Met een beetje gevoel voor boutade zou men kunnen stellen dat toen het vooralsnog onnozele borelingske van de familie Van Rijn, zonder twijfel met zijn luiertje volgekliederd met zijn eerste ongewassen werkje in sepia, bij de doop de naam Rembrandt ontving, zijn schildersloopbaan onafwendbaar uitgestippeld was, van Bileam en de Engel, de Anatomische Les van Dr. Nicolaes Tulp, De Nachtwacht (die door Conrad Busken Huet in zijn Het Land van Rembrandt "Uittogt naar het Schietterrein' wordt genoemd), De Staalmeesters, tot aan het laatste zelfportret. Het is natuurlijk de waanzin ten zenit, maar gesteld dat zijn ouders de kleine krijser Kees genoemd hadden, gelooft u dan ook maar één moment dat het fameuze RRP in felle discussie zou zijn gewikkeld over de authenticiteit van het werk van ene Kees van Rijn. In mijn jeugd wist al niemand antwoord op de strikvraag wat de voornaam van Rembrandt was. Het zal bovendien toch wel iedereen opgevallen zijn dat na Rembrandt geen ouderpaar meer de euvele moed gehad heeft om hun nazaatje Rembrandt te noemen. Dat was eenmalig in de hele wereldgeschiedenis. Want God is wel goed maar niet gek. Hij gaat geen twee keer in één schepping zo'n behekste tovenaar, zo'n waanzinnig bezeten technicus ten tonele voeren. De absurde veronderstelling dat je een rijwielhandel in zou kunnen lopen en met een onderzoekende blik naar de werkplaats vragen of Rembrandt je achterlicht al gerepareerd heeft is ten eeuwigen dage uitgesloten. Ik ken verscheidene Pieter Pauls, Gabriels en Meinderts en ik mag me zelfs verheugen in een paar Herculessen onder mijn kennissen, maar een Rembrandt, nee, dat zou bijkans satanisch zijn. Voor ons en vooral voor de persoon in kwestie. Want hoe zal hij ooit op drieëntwintigjarige leeftijd zo'n geniaal zelfportret kunnen schilderen als zijn naamgenoot deed.

Zelfs Van Gogh is er niet in geslaagd voornaam en oeuvre samen te laten vallen, hoe ijverig en trouwhartig hij zijn bezielde doeken ook met Vincent signeerde. Geen sterveling zal het in zijn hoofd halen om over de grote Vincent-tentoonstelling te spreken. En de artistieke snoodaards die lispelend over Vincent en zijn perzikboompje en gele bed mummelen maken zich voor ons gevoel schuldig aan onzedelijk amicaal gedrag. Een braakverwekkend demasqué van een bepaald soort kunstliefhebber.

Vieze man

Men vond Rembrandt nogal eens een vieze man. En dat was hij, gode zij dank, van tijd tot tijd misschien ook wel. Hij die als geen ander de mens wist onder te dompelen in het licht der onvergankelijkheid, alsof hij hem al schilderend een ticket bezorgde voor het eeuwige leven, heeft meer dan welke kunstenaar ook uit zijn tijd de mens afgebeeld in de romantische verstrengeling die doorgaans tot nakroost aanleiding geeft. Of om het in goed Nederlands te zeggen, er wordt bij Rembrandt nogal eens vrijpostig gecohabiteerd. In schaduwrijke houtwallen of grazige bermen treft de argeloze toeschouwer soms ineens een paartje aan met op- en afgeschorte kleding dat, zoals de moderne mens dat zo fijnzinnig noemt, zich even onledig houdt met een vluggertje. Maar nooit vlug genoeg om de tekenstift of burijn van de meester te ontlopen. Zelfs op verheven voorstellingen als De Prediking van Johannes de Doper kunnen honden het niet laten om naar een emmer koud water te solliciteren. Alsof bij zoveel overstelpend geestelijk leven de natureelste beweeglijkheid toch ook aan zijn trekken moet komen. Want Rembrandt wist maar al te goed dat zelfs op de dag des oordeels er geliefden in elkaars armen zouden verzuchten tegen de engel met de bazuin: “Nog even. We zijn bijna klaar voor de eeuwigheid.” Als je de meest rechtse van de drie schetsen bekijkt die hij maakte van de verloren zoon en een vrouwspersoon, en je ziet dat die jongeman helemaal niet zo verloren is maar dat hij eerder gevonden schijnt te hebben, want de wijsvinger van zijn rechterhand beroert gulzig haar tepel terwijl zijn andere hand verdwenen is in de warmte tussen haar dijen en zijn satereske guitige oog toont duidelijk wat zijn vingertoppen daar voor lieflijks aangetroffen hebben, dan denk je toch onwillekeurig, hoewel het scabreus zou kunnen klinken, een grandioos schetsje, om je vingers bij af te likken. En je beseft dat het geen wonder is dat Rembrandt alleen maar met een wees kon huwen. Toekomstige schoonouders zouden hun reine dochter toch nooit ofte nimmer toevertrouwen aan een man die zo het klappen van de zweep bleek te kennen. Nog nooit in de beeldende kunst heeft een man, al was het dan in godengedaante, zo gedurfd geil en belust naar het lichtbehaarde venusgebeuren gestaard als Jupiter wanneer hij het laken behoedzaam van de slapende Antiope wegneemt en hij met een lichte verrukking de geur van haar liefdesnektar lijkt op te snuiven.

Volgens de overlevering schijnt Rembrandt wel eens gezegd te hebben, als toeschouwers zijn schilderijen te dicht naderden, dat zijn werk niet om aan te ruiken was, en als je dan de ets van Jozef en de vrouw van Potifar bekijkt, die met van lust versmokkelde ogen en haar hele ontblote onsmakelijke hebben en houwen in de aanslag, de kuise jongeling tot onbezonnen bokkedaden probeert te dwingen, ruik je en je ziet het aan de kieskeurige neus van Jozef dat het inderdaad in de eerste plaats de onbehouwen beddelucht is die hem de frisse buitenlucht in drijft.

Rembrandt heeft ook ronduit afstotende, zelfs een beetje smerige mensen geschapen. Nota bene Adam en Eva op de ets De Zondeval. Dat lijken allerminst de eerste mensen op aarde die, zoals de legende wil, naar Gods evenbeeld geschapen zijn, maar eerder het lijfelijke bewijs van de theorieën van Darwin over de afstamming van de mens. Zelfs de vorst der duisternis in de gedaante van een slang, toch niet gauw vies van een paar gedrochten, schijnt geen appeltje met ze te schillen te willen hebben. Het lijkt wel of een dolgedraaide casting director Rembrandt die onsmakelijke wezens uit de Baliemvallei, met buiken pafferig opgezwollen van de levend verslonden duimgrote larven van de sagopalmkever, in de maag gesplitst heeft. Hij heeft studies van naakte vrouwen vervaardigd, die zo de natuur op de huid zitten dat je de smet onder de hangende borsten vermoedt. Zichzelf heeft hij ook allerminst gespaard. Hij heeft zelfportretten geëtst waarop hij voor ons verschijnt als een mekkerende onnozele of met gefronst voorhoofd als notoire schenner der zedelijkheid. Bij de kruisoprichting heeft hij zichzelf tussen de Romeinse soldaten als overijverige beulsknecht afgebeeld. Rembrandt deinsde nergens voor terug. Ook niet voor het lieflijkste, dat nog moeilijker is weer te geven dan de schaduwkant van het leven. Wie naar Hendrickje Slapend kijkt, weet dat hij de mooiste tekening ter wereld aanschouwt. Dit is een meesterschap over vorm en wezen dat de grens van het wonderbaarlijke verre overschrijdt. Wat mij betreft mogen hiervoor de engelen uit de hemel nederdalen om te verkondigen dat er uit wat vegen sepia een zo lieftallig mens geboren is dat de sterren ervan stilstaan boven de Rozengracht. En als de drie koningen die hem eer komen bewijzen zie ik de Chinese meesters van het penseel uit de dertiende en veertiende eeuw, die tot credo hadden, het treffen van het levensritme en het weergeven van de wezenlijke structuur van de lijn.

De Chinezen van Europa

Ach, Rembrandt is zo vaak zelf een Chinees geweest. Als hij even neerzeeg tussen de moerasandoorns en het bitterzoet langs de Amstel of het IJ en hij haalde een stukje papier te voorschijn en maakte dat met wat krassen in sepia en wat vegen tot een uitzicht op de oneindigheid. Geen schilder op het westelijk halfrond heeft zo intens het niet-zijn weergegeven als hij, in die rijkste en stilste uren van zijn leven. Wat zouden we ons gelukkig kunnen prijzen als wij daarom de Chinezen van Europa genoemd werden.

Niemand heeft ook de boog tussen stilte en luidruchtigheid, zo moeiteloos bewandeld als Rembrandt. Van het met overdreven geweld afrossen van een ezel, zodat je de slagen hoort zwiepen en het balken tot taal hoort worden, het als raketten met vleugel- en voetgeklapper en windgedruis afschieten van engelen ten hemel, het met rumoerig geweld en wapengekletter blinderen van een zijn krachten niet helemaal kennende nazireeër Gods, het tromgeroffel van uitrukkende compagnieën bij dag of nacht, naar de gewijde stilte van het ontroerende wonder van een meisje dat uit de dood ontwaakt, het naar licht hunkerende gezicht van een blinde die genezen wordt, een afgeslagen hoofd dat als een zucht ter aarde ligt.

Uitspatting

Rembrandt is een man van contrasten. Naast de vuns krioelende vrouw van Potifar schilderde hij Hendrickje Stoffels als Badende Vrouw, zuiver en in zichzelf besloten met een vage glimlach om het koele water dat om haar benen rimpelt. Er zijn wel kunsthistorici geweest die dit intieme werkje de grootste erotische uitspatting van de meester vonden, maar dan hebben ze zich, op de vleugelen der Spaanse vliegen, danig door hun verhitte fantasie laten meeslepen. Er is verondersteld dat het model naar de weerspiegeling van haar onderlichaam kijkt, maar je ziet duidelijk dat ze verder voor zich uit staart dan welke weerspiegeling ook. Ze kijkt zoals het water voelt, met alle gedachten die een mens dan kan hebben. Ze hebben het ook wel vergeleken met de vrouw van Rubens als Venus afgebeeld, het zogenaamde Pelsken, omdat een kledingstuk van bont het enige is dat om haar weelderige lichaam geslagen is. Maar het verschil met Hendrickje is echt een kwestie van poseren of beleven. Hélène Fourment lijkt koket haar borsten te bedekken, maar ze drukt ze opbollend omhoog alsof ze de hele wereld wil laven terwijl Hendrickje, afwezig, in een routinehandeling haar hemd vastgepakt heeft (waarschijnlijk hetzelfde hemd dat naast de Bathseba gedrapeerd ligt) om het over haar hoofd uit te trekken en een verfrissend bad te gaan nemen. De argeloosheid van een hinde aan de drenkplaats. Een nobel schilderijtje dat glanst als een parel. Honi soit qui mal y pense! Er is nog een verschil. Als Hendrickje Stoffels de stof in haar rechterhand (die net zo fenomenaal geschilderd is als de hand van Jan Six op het fameuze portret) loslaat, hangt de zoom van haar hemd in het water en is haar fraaie gestalte zelfs aan de blik van iets te hormonenrijke kunsthistorici onttrokken. Maar als de vrouw van de koning van het Vlaamse vlees haar bontje loslaat valt het onherroepelijk aan haar voeten en ligt de hele breed uitgevallen rijbaan des vlezes open en bloot voor de toeschouwer.

De Staalmeesters

Wie de Staalmeesters na de restauratie gezien heeft, kan niet anders dan bewondering hebben voor de restaurateurs. Het is of er een grauwsluier van het schilderij verwijderd is. De kleuren zijn weer zo levendig, dat Rembrandt zelf, als hij het kon waarnemen, zich verwonderd zou afvragen, “Ben ik pas zo kort dood?” Het schijnt wel eens anders te zijn gegaan. In het dagboek van de gebroeders Edmond en Jules de Goncourt las ik dat zij na een museumbezoek op zondag 16 januari 1859 schreven: “In het museum zijn we naar de restauratie van oude schilderijen gaan kijken die onder leiding van Villot is begonnen. Het is ongehoord dat daar toestemming voor is gegeven. Het is het soort restauraties dat handelaren uitvoeren om waardeloze doeken aan Amerikanen te verkopen. De schilderijen van Le Sueur en van Rubens zijn al gedaan. Voor Le Sueur is het verlies, naar mijn mening, niet heel groot, maar voor Rubens! Het is net een muziekstuk waaruit alle halve tonen zijn verdwenen: alles schreeuwt en brult als waanzinnig geworden aardewerk... Ja, dat moeten de burgers wel prachtig vinden! Er wordt evenwel geen protestgeluid gehoord om dit vandalisme te stoppen, het meest opvallende en het meest schaamteloze dat ik ooit gezien heb.” En even verderop vervolgen de kunstgevoelige broeders: “Om de waarheid te zeggen hebben de schilderijen, aldus van hun gouden patina ontdaan, ons ook sterk aan het twijfelen gebracht. De tijd is een groot heerser: zou hij misschien ook een groot schilder zijn? Staande voor de schilderijen van Rubens, die nu niet meer zijn dan een decoratief element, hebben wij ons afgevraagd of die warme in elkaar vloeiende tonen - de indrukwekkende kleur van de oude meesters - misschien het gevolg zijn van hun ouderdom.” Tot zover hun schrikreactie over het, kennelijk onoordeelkundig restaureren. Ik laat nog even horen wat ze meteen hierna schreven omdat het ons hart als onvervalste Rembrandtbewonderaars goed zal doen. “Een prachtige nieuwe Rembrandt gezien: een opgehangen en opengespalkte os. Dat is pas schilderkunst, werkelijk, en wat een schilder: De rest is kunst uit boeken. Van Poussin via David naar Delaroche, wat een waardeloze voortbrengselen van literaire inspiratie!”

Verering

Aan echte Rembrandtverering hebben we in Nederland altijd maar weinig gedaan. Een Rembrandt-monument hebben we niet. Aan de Amstel is, voornamelijk voor Japanse toeristen zoals blijkt, bij een melige molen een nogal kei-achtig beeld neergezet van een gehurkte figuur die de meester moet voorstellen terwijl hij aan het werk is. Op het naar hem genoemde plein in Amsterdam staat een houten klaas in gietijzer, die men van tijd tot tijd in de menie moet zetten om hem voor wegroesten te behoeden. Een karakterloze figuur die men er niet licht van zal verdenken ooit een penseel ter hand te hebben genomen, en die dan toch wel uiteindelijk de reeds eerder besproken Kees van Rijn zal moeten voorstellen. Maar we hebben de laatste jaren wel een paar schitterende monumenten in boekvorm erbij gekregen. De catalogi bij de tentoonstelling, Rembrandt - De meester & zijn werkplaats Schilderijen, en Tekeningen en Etsen en het boekwerk van B. Haak, Rembrandt, Zijn Leven - Zijn Werk - Zijn Tijd. Wie die fraaie werkstukken in huis haalt en aandachtig bestudeert komt de meester zeer nabij. Wat het Rembrandt Research Project betreft, hoe minder Rembrandts hoe beter. Als de allermooiste maar overblijven. De dichter Staring zei al, “Wordt eikeschors bij het pond gewogen, Men weegt kaneel bij het lood.” Ondanks het feit dat het debâcle met de sigaren van het merk Elisabeth Bas diepe sporen bij mij heeft nagelaten.

Conrad Busken Huet schrijft in Het Land van Rembrandt, sprekend over de titelpersoon van zijn boek, “Hij boezemt zulk een vertrouwen in dat, ook wanneer wij hem niet begrijpen, wij ons overtuigd houden van zijn goed recht. Had het anders behoord, denken wij, hij zou anders gedaan hebben, want hij kon alles. Hij is de knapste Hollander die ooit geleefd heeft.” En hij beëindigt zijn Studiën over de Noordnederlandse Beschaving in de Zeventiende Eeuw met een ware apotheose. “Waren de hollandse geleerden van de tegenwoordigen tijd te bewegen, bij het samenstellen van hun geschriften zich meer naar Rembrandt te richten, onze geschiedenis althans zou er bij winnen. De beste historiestijl, is nog altijd de stijl van Rembrandt: veel weglaten, veel overdrijven, en op een klein getal feiten en beweegredenen veel licht doen vallen.”

Hij kon dus alles en was de knapste Nederlander die ooit geleefd heeft. Ik zal de laatste zijn om dat in twijfel te trekken. Maar dan moet men dat "knap' niet slechts zien als gekund. Alles wat Rembrandt heeft gemaakt is niet alleen technisch volmaakt maar vooral ook doorleefd. Hij was niet in staat om ook maar één zielloze lijn, één loos gebaar of zinloze beweging op papier te zetten. Tijdgenoten van een befaamd Chinees schilder van paarden hebben gezegd, “Als Li Lung paarden tekent is hij zelf een paard.” Rembrandt is heel wat meer dan een enkel paard geweest. Leeuwen, olifanten, bedelaars, engelen, koningen, gekruisigden, moordenaars, hoeren, heiligen, blinden en dwazen, hij is in de huid gekropen van die hele lawine van menselijk leven en heeft in schilderij na schilderij, in ets na ets, in tekening na tekening, weergegeven wat een belevenis dat was. Als we ernaar kijken zindert het onder onze ogen.

Die andere hemelbestormer van de Nederlandse schilderkunst waar we ons diep gelukkig mee mogen prijzen, Vincent van Gogh, heeft in een van zijn brieven gezegd: “Het schilderen is een ding waar men van verslijt.” Men kan het bij Rembrandt op de voet volgen. Van het in jeugdig zelfvertrouwen geschilderde zelfportret uit het Mauritshuis tot aan de laatste verschijningen van de meester, als de cirkel van zijn leven zich gesloten heeft. Zoals in de bijbel staat geschreven: “Wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, maar wie het durft te verliezen die zal het behouden.” In Rembrandts werk kunnen we het dagelijks ervaren.