Quené in geweer tegen "karikaturale' kritiek op Ser

DEN HAAG, 24 JAN. "Een gotspe', een "karikatuur' en "een volstrekt tekort aan historisch en maatschappelijk besef'. Driftig pareert ir. T. Quené - de grootmeester van de genuanceerde dictie - de kritiek op de organisatie die hij voorzit; de Sociaal-Economische Raad.

Het kabinet is verplicht om de Ser advies te vragen bij alle belangrijke aangelegenheden van sociaal-economische aard. En Quené wil die verplichting handhaven, want “anders ontstaat er een schimmig lobby-circuit rondom het aanvragen van een Ser-advies, ongewenst vanuit democratisch oogpunt”.

Maar het belangrijkste adviesorgaan van het kabinet ligt onder vuur. De politiek gebruikt de Ser als “parkeerhaven” om besluitvorming uit te stellen, meent PvdA-fractievoorzitter Wöltgens. Hij bepleit een minder prominente rol voor de raad. VVD-fractievoorzitter Bolkestein wil de Ser zelfs helemaal afschaffen; de raad zou worden gebruikt als “schuilkelder” voor de politiek.

Quené neemt de handschoen op. Opmerkelijk, want de Ser-voorzitter laat zelden in het openbaar van zich horen. Het liefst opereert de 61-jarige Quené binnenskamers, als een spin in het sociaal-economisch web. Hij tracht werkgevers, werknemers en kroonleden (onafhankelijke experts waarvan wordt verwacht dat ze het algemeen belang in het oog houden) te bewegen tot constructief overleg. “Ik verschaf neutrale grond aan de vertegenwoordigers van belangenclubs. Hier kunnen ze vertrouwelijke gesprekken voeren en verdwijnen de scherpe kantjes in het debat.”

Sinds zijn aantreden in 1985 trekt Quené ten strijde tegen het beeld van de Ser als een fossiel uit het na-oorlogse tijdperk. En dat irriteert. “De Raad van State wordt toch ook niet om de haverklap gevraagd naar het bestaansrecht?”

Tijdens de algemene en politieke beschouwingen nodigde Bolkestein de PvdA uit de Ser, als boegbeeld van het corporatisme, te bestrijden. Vorige week bleek uit Wöltgens' reactie dat deze oproep niet aan dovemansoren was gericht.

Quené: “Er zullen betere argumenten op tafel moeten komen om de rol van de Ser terug te dringen. Eén van de problemen die ik met de kritiek van Bolkestein en Wöltgens heb, is dat ze niet goed onderbouwd is.

“In een politieke democratie - en over het primaat van de politiek bestaat tussen Wöltgens-Bolkestein en mij absoluut geen verschil van mening - moet de mogelijkheid voor maatschappelijke organisaties bestaan om in te spelen op de besluitvorming. De besluitvorming moet goed worden voorbereid, een breed maatschappelijk draagvlak hebben en goed uitvoerbaar zijn. En in onze gecompliceerde samenleving is het niet goed denkbaar dat je die drie zaken uitsluitend in het parlement regelt. Wat er gebeurt als het maatschappelijk draagvlak ontbreekt, zie je op dit moment bij de plannen van staatssecretaris Simons van gezondheidszorg.

“De Ser is de locatie bij uitstek om die drie zaken te regelen en sinds de oprichting van de Ser in 1950 is dat gebeurd. Dat heeft een doorslaggevende rol gespeeld bij de arbeidsrust en maatschappelijke stabiliteit in Nederland. Dat historisch besef kom ik in de analyses van Bolkestein en Wöltgens niet tegen. Maar je hoeft niet helemaal terug te gaan naar 1950, want de beheerste ontwikkeling van de loonkosten sinds het Stichtingsakkoord van 1982 - de basis van het sterke economische herstel in de jaren tachtig - berust op de breed gedragen verantwoordelijkheid van de sociale partners. Die komt niet voor niets, maar men ontmoet elkaar bijna dagelijks bij instellingen als de Ser en de Stichting van de Arbeid.

“De maatschappelijke overeenstemming van dit moment - ik noem arbeidsparticipatie, infrastructuur, milieubeleid - berust niet alleen op een overeenkomst tussen twee regeringspartijen; maar ook op een overeenstemming tussen sociale partners.”

En daar heb je de Ser voor nodig?

“Daar heb je de Ser absoluut voor nodig. Als er geen instantie is als de Ser dan wordt de agenda alleen door politiek Den Haag bepaald. Werkgevers en werknemers zullen wel hun weg vinden in de richting van de politieke partijen. Maar ik vrees dat dat vaak one-issue gericht zal zijn; daar zal de lobby zich op richten. De brede sociale oriëntatie verdampt op het moment dat de institutionele structuur van de Ser wegvalt.

“Ik vind het curieus dat de Ser op dit moment in Nederland weer ter discussie staat, want internationaal wordt daar heel anders tegenaan gekeken. Bij het streven naar beleidsconvergentie in de EG, maak ik vaak mee dat men wil overleggen met de maatschappelijke decision-makers. In Brussel is men tot de conclusie gekomen dat dat overleg in Nederland perfect is geregeld: met één brief aan de Ser bedien je heel Nederland. En uitgerekend op de morgen dat Wöltgens uithaalde richting Ser, vergaderde de Europees Sociale Commissie en werd Nederland geprezen als het absolute voorbeeld van een efficiënte overleg-economie. Hier kun je tijdens één zitting van de raad horen wat de president van De Nederlandsche Bank, de directeur van het Centraal Planbureau en de voorzitters van werkgevers en werknemers vinden van verschillende beleidsvoornemens van het kabinet.”

Wöltgens vindt dat de overlegdemocratie volledig is doorgeschoten en dat ze is ontaard in een situatie waarbij de overheid zichzelf ernstig heeft verlamd bij het nemen van besluiten.

“Onzin. Wöltgens vindt dat de politiek te weinig daadkrachtig is en daarom is hij zijn kruistocht voor het "primaat van de politiek' begonnen; een visie overigens die niemand bestrijdt. In zijn eerste rede in Eindhoven heeft hij gezegd "de politiek bakt er te weinig van'. In zijn tweede rede in Eindhoven verschoof dat naar de achtergrond en werd "het falen van de politiek' vervangen door "het falen van de sociale partners'. En vorige week werd de Ser aan de schandpaal genageld, waarbij hij de besluitvorming rondom de WAO/Ziektewetmaatregelen als treffend voorbeeld aanhaalde”.

Met stemverheffing: “Een gotspe. De WAO is hèt voorbeeld van het falen van de politiek. Als je dat gaat aanhalen als illustratie voor het falen van de Ser ben je bezig met een volstrekte omkering van de waarheid. Ik vind het van een vergaande domheid òf brutaliteit getuigen als Wöltgens de WAO als voorbeeld naar voren schuift. Maar op het moment dat men ervaart dat de politieke besluitvorming niet adequaat is, heeft de politicus de neiging om over de heg te kijken en de buren te beschimpen.

Het kabinet vraagt in februari aan de Ser advies over het terugdringen van het aantal mensen dat een beroep doet op de WAO en Ziektewet. Op 12 juli brengt de Ser haar advies uit, en twee dagen later neemt het kabinet een besluit dat haaks staat op het Ser-advies.

“Maar daarmee is het verhaal niet af. Een zomer met sociale en maatschappelijke onrust; revolutionair, gemeten naar Nederlandse maatstaven. Het juli-besluit van het kabinet heeft het parlement niet bereikt, want eind augustus neemt het kabinet het meerderheidsadvies van de Ser over. Een bewijs dat onze gecompliceerde samenleving vastloopt wanneer men beleid niet goed voorbereidt en maatschappelijke draagvlak en uitvoerbaarheid niet voldoende onderkent.

Bolkestein en Wöltgens. Welke kritiek heeft u het meest getroffen?

Quené speelt met zijn stropdas. De woordenstroom stokt. “Persoonlijk ben ik het meest getroffen door de aanval van Wöltgens, omdat hij de fractieleider is van een regeringspartij. Zijn kritiek vind ik bovendien niet scherp; het waaiert uit naar zeventien punten. Hij is daardoor minder grijpbaar dan Bolkestein. Bolkestein wil in wezen één ding: een scheiding tussen advisering en belangenbehartiging.”

In de Ser wordt alleen voor de belangen van werknemers opgekomen; in-actieven staan buiten spel.

“De Nederlandse vakbeweging is een brede vakbeweging en die oriënteert zich niet alleen op de werkenden maar ook op uitkeringsgerechtigden. Aan de kant van de werkgevers is de collectieve sector niet vertegenwoordigd; maar dat is op dit moment een punt van discussie.”

Vorig week heeft de commissie-Wolfson het rapport "Niemand aan de kant' gepubliceerd. Wat vindt u als prominent PvdA-lid van de voorstellen van de commissie?

(Resoluut) “Daar spreek ik geen oordeel over uit.”

En als voorzitter van de Ser?

“Ik heb nog geen oordeel. Pas nadat het dagelijks bestuur van de Ser daar een goede inhoudelijk discussie over heeft gevoerd, geef ik mijn oordeel. Zo gaat dat in een overlegstructuur.”