Pastorale roman van Longus tweemaal vertaald; Een luchtige ontmaagding

Longus: Daphnis en Chloe. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Marc Moonen. Uitg. Ambo, 99 blz. Prijs 35,-. Daphnis en Chloe, vert. Stefaan van den Broeck. Uitg. HouteKiet, 80 blz. Prijs 24,50.

“Dit stelt de brave Vergilius in de schaduw”, zei Goethe over een Franse vertaling uit het Grieks waarmee zijn trouwe Eckermann op 9 maart 1831 aankwam. En een paar dagen later verklaarde hij boud: “Je zou een heel boek moeten schrijven om alle kwaliteiten van dit werk recht te laten wedervaren. Het zou goed zijn het eens per jaar te lezen.” Van wie was dat onsterfelijke meesterwerk? Van Homerus, Sophocles of Plato? Van geen van allen. Het werk waarop Goethe doelde was Daphnis en Chloe van Longus.

Ik zal het de lezer niet kwalijk nemen als hij van dit werk alleen de titel kent. Tenslotte hebben zelfs classici nog niet kunnen achterhalen wie Longus precies was en waar hij heeft geleefd. Slechts de tijd waarin hij actief was staat min of meer vast: de tweede eeuw van onze tijdsrekening.

Voor de leek is het misschien een verrassing te vernemen dat Daphnis en Chloe een roman is. Gewoonlijk gaat men ervan uit dat de roman, zoals zijn naam al suggereert, is ontstaan in de romaanse wereld (met de Spaanse Amadis-romans, die in de Don Quichot duchtig worden geparodiseerd). Het genre is echter al veel ouder. In de laathellenistische wereld zijn er wel een half dozijn romans verschenen waarin liefde en avontuur de hoofdingredienten zijn. De intriges zijn stereotiep: na velerlei gevaren en toevalligheden, zoals schaking, schipbreuk en verkoop op de slavenmarkt, vallen de gescheiden geliefden elkaar weer in de armen. Je zou die verhalen triviaalliteratuur kunnen noemen, indien hun stijl minder verzorgd was. De erudiete auteurs kruiden hun tekst evenwel met zoveel literaire allusies en artistieke fiorituren dat de alleen op sensatie beluste lezer vlug afdruipt.

Jeugdig groen

De titel Daphnis en Chloe roept een pastoraal kader op. De jonge Daphnis is genoemd naar een mythische herdersfiguur, terwijl zijn prille tegenspeelster haar naam ontleent aan het Griekse woord voor "jeugdig groen'. Precies dat gedealiseerde decor a la Poussin schijnt Goethe getroffen te hebben. De tachtigjarige dichter raakt niet uitgepraat over de idyllische sfeer van een wereld zonder somberheid, waarin zelfs de onaangenaamste dingen zo snel mogelijk worden afgehandeld. het Biedermeierbloed kruipt waar het niet gaan kan. In zijn Paul et Virginie (1787) had Bernardin de Saint-Pierre een weliswaar zoetelijke, maar toch veel dramatischer vorm gegeven aan de avonturen van een soortgelijk primitief paar.

De zonnige weiden vol zoemende bloemen, de klaterende bronnen en zwatelende pijnbomen, de mekkerende geiten en blerende lammeren, de kwetterende zwaluwen en tjirpende cicaden zouden misschien zelfs een lid van de groene partij op de zenuwen werken als zij niet de achtergrond vormden van een pikant verhaal. Het hoofdthema van de roman is immers niets minder dan de ontmaagding.

In zekere zin is Daphnis en Chloe de antipode van Richardsons Clarissa Harlowe. Terwijl in deze laatste roman de heldin de wanhopigste pogingen doet om haar maagdelijkheid te behouden, doen de hoofdfiguren van de Griekse roman alle moeite van de wereld om deszelve te verliezen. Zij zijn immers op seksueel gebied zo onrijp (hij is zestien, zij veertien) dat zij niet weten hoe de vork in de steel zit. Het voorbeeld van de dieren is zo weinig instructief dat Daphnis door een oudere vrouw genitieerd moet worden eer hij echt weet hoe het moet. Direct daarop wordt hij echter door piraten ontvoerd, zodat hij zijn nuttige lessen niet in de praktijk kan omzetten. Dat gebeurt pas helemaal aan het eind van de verhaal, in de allerlaatste zin: “Daphnis deed wat Lycaenion hem had geleerd en toen pas begreep Chloe dat alles wat ze aan de bosrand hadden gedaan slechts kinderspel was geweest.”

Stationsroman

Daphnis en Chloe is zeker geen voorlichtingsdrama in de zin van Wedekinds Fruhlings Erwachen. Het gaat Longus niet om moralistische of psychologische uitdieping, maar om een luchtig spel met onproblematische erotiek. De pikanterie ligt geheel besloten in de spanning tussen de onwaarschijnlijke naviteit van de personages en een geraffineerde stijl die zich geen onvertogen woord laat ontglippen.

Aan het gewaagde thema is het succes van Longus door de eeuwen heen te danken. Erg beroemd is de Franse vertaling door Amyot (1559), die Sainte-Beuve beter vond dan het origineel. Naar het voorbeeld daarvan gaf J. Brouwer in 1919 een archaserende Nederlandse versie. Na de stroef filologische vertaling van F. Cluytens (1958) verscheen de levendige van J. Prins (1960).

Thans zijn er kort na elkaar twee vertalingen door Vlamingen op de markt gekomen: de ene door de jonge Stefaan van den Broeck bij HouteKiet, de tweede door de oudere Marc Moonen bij Ambo. Beide zijn in een erg leesbaar idioom gehouden (Van den Broeck noemt Daphnis en Chloe zelfs de eerste stationsroman uit de westerse literatuur!). De keerzijde van die vlotheid is een zekere nonchalance tegenover de precieuze stijl van het origineel. Zo had een stilist als Longus zich nooit een onbeholpen zin als die uit Moonens versie veroorloofd: “Onder kreupelhout en struikgewas waarin klimop woekerde, lag een zacht grastapijt waarop het kindje lag” ("waarin', "waarop', "lag', "lag': elegant is het niet). Maar ook Van den Broeck klinkt hier minder gelukkig: “Er was een bosje met wat struikgewas en in het diepst daarvan wat woekerende klimop en een mals grastapijtje, waarop het kind lag” ("wat', "wat', "in het diepst' waarvan?).

Zo kun je op elke bladzijde van deze vertalingen wel onhandigheden noteren. De gemiddelde lezer hoeft zich daardoor het plezier niet te laten vergallen dat hij kan beleven aan dit meesterwerkje van libertijnse kunst. Tenslotte las zelfs de grote Goethe Daphnis en Chloe in de niet al te betrouwbare Franse vertaling van de "kanonnier te paard' P.-L. Courier.