Nieuwe opstelling Kröller-Müller doet recht aan collectie

Tentoonstelling: Paysage intérieur. Werken uit eigen collectie. T/m 15 maart in het Rijksmuseum Kröller-Müller, Otterlo. Open di t/m za 10-17 u; zo 13-17 u. De beeldentuin is tot 1 april gesloten.

In de nieuwe opstelling van de collectie van het Rijksmuseum Kröller-Müller Paysage intérieur, wisselen het nieuwe, onbekende en het oude, vertrouwde elkaar af. Zo hangt tegenover de ingang van het museum nog steeds het neonwerk van Bruce Nauman met de tekst The true artist helps the world by revealing mystic truths. Direct links aan het einde van een gang staat een video-installatie van dezelfde kunstenaar uit 1991. Hier zijn beelden te zien van een man die onophoudelijk, onder het uitstoten van primitieve klanken, driftig met zijn hoofd schudt. De "waarheid' die deze indringende beelden "openbaren' is dubbelzinnig: de man knikt nee, maar doordat de kop niet in de normale verticale stand in beeld is maar horizontaal, zou het ook "ja' kunnen betekenen.

Behalve deze video-installatie van Nauman zijn er aanwinsten te zien van onder anderen Isa Genzken, die van grauw beton een verfijnd, poëtisch venster maakte en van Jean-Marc Bustamente twee foto's van anonieme landschappen en een oranjekleurig reliëf, Paysage intérieur (1991). Van Matt Mullican werd een groep werken verworven. Louise Bourgeois - aan wie evenals aan Mullican vorig jaar een tentoonstelling was gewijd - gaf twee beelden en vijf tekeningen in bruikleen.

Het is nog te vroeg om uit deze aanwinsten conclusies te trekken over het verzamelbeleid van de nieuwe directeur van het museum, Evert van Straaten, die een jaar geleden aantrad. Een opvallende aanwinst is het enigszins gehavende, maar karakteristieke reliëf uit 1921 van UNOVIS, een kunstenaarscollectief dat onder leiding van Malevitsj de vrije en de gebonden kunsten volgens suprematistische principes wilde vernieuwen. Dit witte reliëf dat met zwarte en rode geometrische vormen is beschilderd, is voorlopig nog een buitenbeentje temidden van andere overwegend witte reliëfs uit de collectie van kunstenaars als Ad Dekkers, Ben Nicholson, Sophie Täuber-Arp, Jan Schoonhoven, Jean Gorin en Joost Baljeu.

De meeste van de aanwinsten hangen in de nieuwe vleugel van het museum die, volgens een bordje, tussen 12 en 13.45 uur "wegens personeelsgebrek' gesloten is. In de zogenaamde oudbouw van het museum kan men in de lunchpauze wel terecht. Na een reeks dichte etalages van Christo staat daar Venus van de vodden (1967-82) van Michelangelo Pistoletto. Het beeld herinnert me aan de discussie over de problemen van de overvolle museumdepots: bewaren of verkopen? Ik wil kunstwerken niet met vodden vergelijken, maar deze blanke Venus maakt wel zichtbaar wat er gebeurt als alles uit de depots tevoorschijn zou komen: zij wordt bijna onder de lompen bedolven.

Terwijl in deze berg geen kledingstuk meer afzonderlijk tot zijn recht komt, beoogt Van Straaten met de nieuwe opstelling van de collectie juist “een zo groot mogelijke aandacht voor het individuele kunstwerk, zonder het zicht te verliezen op de plaats die het inneemt in de collectie”.

Beide doelstellingen zijn respectabel, maar komen soms in botsing met elkaar. Bijvoorbeeld in een zaal met kubistische stillevens van Juan Gris, Jean Metzinger en de onbekende Maria Blanchard, en bij de reeks neo-impressionisten, schilders die net als Seurat een "stippel'-techniek hanteerden. Er is te veel van hetzelfde, waardoor het individuele schilderij in zijn context ten onder dreigt te gaan.

Ook de combinatie in één zaal van de Kaartspelende soldaten (1917) van Léger met de Kaartspelers (1916-17) van Van Doesburg, een bruikleen van de Rijksdienst Beeldende Kunst, is minder geslaagd. Zo'n combinatie doet het misschien goed als illustratie in een boek, maar in een museumzaal blijken de verschillen zo groot dat er geen "visuele dialoog' ontstaat. De verstilde Compositie in lijn en kleur (1913) van Mondriaan hangt er helemaal wat verloren bij.

Elders, zoals in de zalen bij het auditorium, dat nu permanent in gebruik is genomen als expositieruimte, zijn mooie groepen werken te zien. Hier hangen voornamelijk schilders die, na aanvankelijk in kubistische, futuristische of surrealistische trant gewerkt te hebben, in de jaren twintig terugkeerden tot het realisme of neo-classicisme zoals Severini, Metzinger, Herbin, Willink en De Chirico. Eén zaaltje is gewijd aan Charley Toorop.

Het karakter van de verzameling die mevrouw Kröller-Müller in de eerste decennia van deze eeuw bijeenbracht, komt in deze nieuwe opstelling goed tot zijn recht. In haar visie was bijvoorbeeld genoemde terugkeer naar het realisme de "sluitsteen voor den heelen kringloop der moderne kunst'. Tegenover het realisme stond het idealisme en met die twee polen als uitgangspunt bouwde zij aan een privé-verzameling die voor de gemeenschap was bestemd. De oude kunst moest daarbij dienen als verklaring voor de ontwikkelingen in de kunst van de negentiende en twintigste eeuw. Het grootste deel van die oude kunst is nu in het depot opgeborgen. Alleen twee zestiende-eeuwse schilderijen, waaronder Venus met Amor als honingdief van Lucas Cranach de Oude herinneren aan die opzet.

Naast topwerken van kunstenaars als Van Gogh, Seurat, Ensor, Redon en Mondriaan, verlenen werken van minder grote namen als Tobeen, Degouve de Nuncques en Valmier reliëf en persoonlijke kleur aan de verzameling. Ze maken ook duidelijk dat het aanleggen van een kunstcollectie een onzeker avontuur is. Zo is er in het begin van de jaren twintig een groep beelden verworven van Joseph Czàky. Kijkend naar zijn gestileerde koppen en ranke figuren met decoratieve lijnen vraag je je af waarom mevrouw Kröller met haar gevoel voor kwaliteit dit zwakkere werk heeft aangekocht en de (toen nog betaalbare) beelden van Brancusi aan zich voorbij heeft laten gaan.