Meer deernis met de daders dan met de slachtoffers

Een Nederlander die ongeveer vier jaar lang in een van de Nacht-und-Nebel-Lager had gezeten - dit waren de, op de vernietigingskampen na, ergste Duitse concentratiekampen - probeerde eens een gehoor van Canadese studenten deelgenoot te maken van zijn ervaringen. Reactie: “Dat zouden wij nooit op ons hebben laten zitten. Wij zouden bij de kampleiding geklaagd hebben.” Dit toont aan hoe moeilijk het is ervaringen over te dragen van de ene cultuur naar de andere, van de ene generatie naar de andere.

Soortgelijke kloof doet zich voor tussen Oost en West, zelfs nu de muren engordijnen zijn verdwenen. Ook zij die vijf jaar Duitse bezetting hebben meegemaakt, kunnen niet de toestand naleven van mensen die meer dan vier decennia onder een vreemde dictatuur moesten leven, zonder enig uitzicht te hebben op het einde ervan.

Hoe zouden wij gehandeld hebben als de Duitse bezetting niet vijf, maar bijna vijftig jaar had geduurd, terwijl de rest van de wereld al lang haar vrede had gesloten met de bezetter en zijn handlangers? Zouden wij dan niet veel ergere accommodementen met het regime zijn aangegaan dan de meesten onzer tussen 1940 en 1945 hebben gedaan? Ja, hoevelen van ons zouden dan lid van de NSB zijn geworden, teneinde hun baan te houden of hun kinderen te kunnen laten studeren?

Zulke vragen moeten wij onszelf altijd stellen wanneer wij, nu de archieven opengaan, steeds meer verhalen horen over mensen die, onder het communistisch regime in Oost-Duitsland, op de een of andere manier met de geheime politie blijken te hebben samengewerkt. Voormannen van de Wende van 1989 als Ibrahim Böhme, Wolfgang Schnur en Lothar de Maizière waren de eerste slachtoffers van de nieuwe openheid.

Nu staat Manfred Stolpe, minister-president van Brandenburg, in het licht van de schijnwerpers. Er is weliswaar nog geen belastend dossier van hem ontdekt, maar hij heeft zelf nu bekendgemaakt - kennelijk om eventuele beschuldigingen vóór te zijn - dat hij als kerkelijk waardigheidsbekleder talloze contacten heeft gehad met de Stasi, zonder een Inoffizieller Mitarbeiter (IM) ervan te zijn.

Dank zij die contacten heeft hij, naar niet alleen hij beweert, voor de evangelische kerk een zekere vrijheid weten te behouden, maar ook vele mensen voor gevangenneming weten te behoeden of weten te bevrijden. Daarnaast heeft hij, uitgaande van de veronderstelling dat de DDR voor onbepaalde tijd zou blijven bestaan, ook wel gehoopt door die contacten het systeem te kunnen veranderen. Daarin is hij, zoals hij nu toegeeft, te naïef geweest.

Dit is een klassiek burgemeester-in-oorlogstijdgeval, waarvoor (nog) veel meer verzachtende omstandigheden in 't geweer kunnen worden gebracht dan in werkelijke oorlogstijd. Heel veel moeilijker is dat in het geval van de IM's, de verklikkers - van wie er ruim honderdduizend in de DDR waren (daarnaast waren er ook nog eens honderdduizend officiële medewerkers van de Stasi).

Wat te denken van de man van Vera Wollenberger, lid van de oppositionele Bündnis 90 en nu van de Bondsdag, die de Stasi precies op de hoogte hield van de activiteiten van zijn vrouw en daar nu allerlei wollige verklaringen voor geeft (nadat hij eerst bij het hoofd van hun kinderen gezworen had geen IM te zijn geweest)?

Of van de psychiater in wie ds. Heinz Eggert, thans minister van binnenlandse zaken van Saksen, al zijn vertrouwen had gesteld en die nu blijkt hem, in opdracht van de Stasi, met psychopharmaca te hebben vol gespoten en rapporten over zijn gesprekken met Eggert naar de Stasi stuurde?

Of van de dichter Sascha Anderson, een voorman van de kunstenaarsscene in de Oostberlijnse wijk Prenzlauer Berg, die, ook nog na zijn zogenaamde vlucht naar het Westen, menige collega verlinkt blijkt te hebben? Achteraf moet nu gevraagd worden of die hele alternatieve kunstenaarsbent, die heel wat buitenlanders de indruk gaf dat het in die DDR heus nog wel meeviel, niet gemanipuleerd en grotendeels betaald werd door de Stasi.

Moeilijker ligt het met Andersons collega Rainer Schedlinski, ook naar buiten toe een anti-figuur, die een eigen tijdschrift uitgaf. Ook hij blijkt IM te zijn geweest, maar de druk waaronder hij stond - bedreigingen met jarenlange gevangenisstraf (die hij al eens had ondergaan) - maakte weigeren vrijwel onmogelijk. Hij is ook een van de weinigen die eerlijk - althans eerlijk schijnend - getuigenis hebben afgelegd.

Dit zijn maar een paar gevallen van de honderdduizenden, die alle op hun eigen merites beoordeeld moeten worden. Het merkwaardige is echter dat er heel wat schrijvers en critici zijn - in Oost- en West-Duitsland - die bij voorbaat medelijden tonen met deze mensen (heel wat meer medelijden dan met hun slachtoffers) en diegenen die er anders over denken, zoals de dichter Wolf Biermann, voor scherprechters en inquisiteurs uitmaken. (De officiële medewerkers van de Stasi lijken helemáál buiten schot te blijven).

Ook Nederlanders gaan niet helemaal vrijuit. Vooral in kringen van de Nederlandse hervormde kerk waren er veel contacten met Oostduitse kerkelijke kringen, waarvan we ons kunnen afvragen in hoeverre ze door de Stasi werden aangemoedigd en gebruikt. (Om maar helemaal niet te spreken van de vereniging Nederland-DDR, wier belangrijkste Oostduitse gesprekspartner, de CDU'er Götting, nu als IM ontmaskerd is).

Kwalijker is de Nederlandse predikant Dik Boer, die ik onlangs in het programma van de IKON De andere wereld van zondagmorgen op radio-5 hoorde. Hij was lid van de CPN en vier jaar predikant in de DDR geweest. Daar had hij vaak gepolemiseerd tegen gemeenteleden die tegenstanders waren van het regime.

Hoe voelt zo'n Nederlander zich nu die per slot van rekening zich als - laten we hopen: alleen geestelijk - handlanger van een onderdrukkend regime heeft gedragen? Voelt hij niet dat hij mensen in de steek heeft gelaten die van hem, die uit het democratische Westen kwam, juist steun hadden verwacht? En verkondigt hij nu in Nederland weer van de kansel hoe het moet en niet moet? En hoe moeten we de woorden interpreteren die de theoloog prof. G. H. ter Schegget, die tegen die marxiserende christenen aanleunt, in Trouw schreef over “deze zware dagen, waarin ons aller houvast in de strijd voor gerechtigheid op aarde ontglijdt”?. Betreurt hij het wegvallen van een regime dat, hoe onmenselijk ook, een tegenwicht bood tegen een nog erger kapitalisme?

Er zijn meer van die Nederlandse christenen voor wie de DDR hun “geestelijk vaderland” was, zoals een hunner zei. Hun tehuis was het hervormde Hendrik Kraemerhuis in Oost-Berlijn, dat blijkens de missives die het nog altijd uitzendt, zich eveneens meer bekommert om de daders dan om de slachtoffers van de Stasi en over de heksenjacht van het CDU klaagt.

Ds. L. H. Ruitenberg, die een lezenswaardige rubriek heeft in Hervormd Nederland (links, maar meer met de benen op de grond dan dit weekblad zelf), vraagt zich af of “de leiding van het Kraemerhuis in de jaren van de communistische macht niet te hoopvol is geweest toen zij ter wille van het gesprek verbondenheid met het marxisme zocht”. Zeg maar rustig dat die leiding zich vele oren heeft laten aannaaien.

Want de moeilijkheid is, zoals ds. Ruitenberg zegt op grond van de “vele zeer persoonlijke contacten die ik haast levenslang met marxisten had”, “dat de macht die men kreeg binnen organisatorische structuren elke, wezenlijke, dialoog verhinderde. Dialoog vraagt immers ruimte, onbedreigd zijn en relativering”.

Ook hier moeten we vooralsnog aannemen dat het Kraemerhuis geen instrument van de Stasi is geweest, maar welkome collaborateur van de communistische partij is het zeker geweest, een partij die een van de directeuren, ds. Bé Ruys, nog na de Wende “geen slechte partij” noemde.

En voor die collaboratie bestond niet het excuus dat de Oostduitsers ruim veertig jaar lang in een schijnbaar uitzichtloze situatie wel konden doen gelden.