Malaekat

Er was eens een kat, in het Sultanaat Pengel,

Die had al heel jong een gezicht als een engel.

Zijn kop baadde steeds in een heilig soort licht:

Je wist je geen raad met dat engelgezicht.

Je hoefde hem maar in zijn ogen te kijken,

Of je voelde je langzaam van binnen bezwijken;

Je zwoer bij zijn onschuld, maar het was zo banaal niet,

Want die poes was geen engel, O jee nee, helemaal niet.

Wanneer je nietsvermoedend zei: kom nu eens bij het baasje,

Dan vloog hij met een dikke staart omhoog in de vitrage.

Hij brulde als hij honger had, hij morste met zijn voer,

Hij liep met modderpoten op de pas gedweilde vloer.

Soms zat hij op de linnenkast stil voor zich uit te staren;

En kwam je argeloos voorbij dan sprong hij in je haren.

Hij kon met een verrukt gezicht zijn klauwen in je boren,

Hij likte raspend aan je neus of knauwde in je oren.

Hij gooide graag een verfpot om, of beet wat in de gasten,

Hij wipte vaak voor zijn plezier de boeken uit de kasten.

Wanneer je dacht: nu is hij moe en suffig van de hitte,

En je begon weer aan je boek, dan ging hij er op zitten.

Hij vernielde de planten met wortel en stengel,

Maar hoe blijf je kwaad op de snuit van een engel.

Een heilige pestkop, maar een pestkop het meest -

Om 't eerlijk te zeggen: die kat was een beest.