Jeffrey Tate leidt ontdekkingsreis door muziekgeschiedenis

Concert: Rotterdams Philharmonisch Orkest; dirigent: Jeffrey Tate; solisten: Martin van de Merwe, Jos Buurman, Bob Stoel en Nico van Vliet, hoorn. Programma: Escher "Hymne du Grand Meaulnes', Schumann "Konzertstück in S opus 86 voor vier hoorns en orkest', Henze "Symfonie nr. 1', Roussel "Symfonie nr. 3'; gehoord: 23/1 in de Grote Doelenzaal te Rotterdam, herhaling 24/1 en 26/1. Het concert van 26/1 wordt door de NOS op Radio Vier rechtstreeks uitgezonden.

De geschiedenis herhaalt zich. Steeds vaker duikt de naam Eduard Flipse op in verband met de repetoirevernieuwing van Jeffrey Tate. Wat Tate de Doelenbezoekers deze week aanbiedt, zou een programma van Flipse, de pionier uit de jaren dertig bij het RPhO, kunnen zijn. Gewaagd heette eertijds Flipse's beleid maar het vestigde wel in een klap de naam van het toen nog jonge orkest. Gewaagd wordt nu ook de keuze van Tate genoemd, hoewel niemand kan ontkennen dat de muzikale horizon wordt verruimd en het uitzicht vaak mooier is dan men had durven verwachten.

Tate voldoet aan een absolute voorwaarde bij deze ontdekkingsreis door de muziekgeschiedenis: hij kiest uitsluitend werken van onbetwiste kwaliteit. Daar kan iets bij zijn dat het publiek niet zint. Men kan het dan zelfs, getuige de vele lege plaatsen in de zaal gisteravond, a priori laten afweten en de toegangskaarten ongebruikt laten totdat het reisdoel weer een vertrouwde omgeving is. Maar logischer is toch een zekere nieuwsgierigheid.

Als applaus een graadmeter is voor de waardering van het gehoorde, dan scoorden Henze en Roussel aanzienlijker hoger dan Escher. Henze's eersteling is een aantrekkelijk klankavontuur dat gaandeweg de aanvankelijke subtiliteit weliswaar prijsgeeft, maar toch zo vindingrijk jongleert met het orkestcoloriet dat elk solotrekje verrast. De derde symfonie van Roussel, uit 1930 al en desondanks nog altijd actueel van samenklank, was daarnaast, hoe spiritueel dan ook, een stoer stuk met felle ritmen en een krachtige puls.

De hymne van Rudolf Escher die volgens de componist nadrukkelijk geen literaire of visuele bijbedoelingen heeft, zou waarschijnlijk toch het beste gedijen als muziek bij een film. Het stuk heeft een bepaalde klanksfeer, die echter door de overstructuering en een overmatige lengte goeddeels van haar autonome werking wordt beroofd. De echte ovaties van deze avond bleven gereserveerd voor Schumanns concertstuk, met vier hoornisten van het RPhO in de hoofdrol. Zo gespeeld verdient het alleszins van onder het stof tevoorschijn te zijn gehaald, ook al draagt het niet bij tot verdieping van de kennis van Schumanns werk.