Glaasje advocaat

Albert Megens: Kletsnat op de stoep. Uitg. Van Goor. Prijs ƒ 19,90

Ben Kuipers: Jandoedel; mijn opa en ik. Uitg. Sjaloom. Prijs ƒ 19,90

In de jeugdliteratuur is regelmatig sprake van een soort bondgenootschap tussen kinderen en oude mensen. Alle verhalen uit De eierman van Janni Howker gaan over de niet verwachte mogelijkheden tot contact tussen jong en oud. In Vergeten herinnering tekent Margaret Mahy de merkwaardige en ontroerende vriendschap van een stuurloze jongeman met een verwarde en ernstig verwaarloosde bejaarde dame. Grappig en avontuurlijk is Elfie Donnelly's De rode kous, waarin een meisje een demente, maar oorspronkelijk denkende vrouw "verstopt', opdat ze niet terug zal hoeven naar de psychiatrische inrichting. Terugkerende thema's zijn het niet voor vol worden aangezien en de beslissingen die anderen voor en over je nemen. Onmacht en onmondigheid is wat kinderen en bejaarden in elkaar herkennen.

Ook Kletsnat op de stoep, waarmee Albert Megens debuteert als kinderboekenschrijver, gaat over een oude man die in de war is en niet meer zelfstandig kan functioneren. Vlak na zijn opname in het bejaardenhuis loopt Jannus weg en dwaalt in de stortregen rond, op zoek naar zijn moeder. Tienjarige Bob neemt hem mee naar huis, waar hij met begrip en warmte wordt opgevangen. Vaders "grote-konten-pak' wordt van zolder gehaald, het hele huis ziet blauw van de sigaredamp en bij het slapen gaan mag de verdwaalde “het lichtje aan, drie kussens en een glaasje advocaat.” Dat is een andere benadering dan in Rozegaarde, waar de verzorgers vervallen in “Zeg eens opa, waar woon je?” of “meneertje is een beetje stoutjes”. Samen met de invalmeester op school - ook al een oudere heer, die prachtig verhalen kan vertellen - blijft Bob zich met Jannus bezig houden. Het kleine verhaal eindigt met een vriendelijke scène op de ziekenzaal, waar Jannus die niet lang meer te leven heeft, omgeven door begripvolle mensen nog een sigaar en een borreltje gegund wordt. In kort bestek weet Megens de problematiek helder en eenvoudig vorm te geven. Het is duidelijk wat hij te zeggen heeft: zo moet je met oude mensen omgaan, met respect, een beetje soepel en zoals je hart je ingeeft. Veel meer valt er aan het boekje niet te beleven. De jongen krijgt nauwelijks een gezicht. Doordat er geen werkelijke relatie tussen hem en Jannus ontstaat - zoals in alle bovengenoemde voorbeelden wel het geval is - blijft hij een schimmige figuur in de marge, terwijl de volwassenen de hoofdrol spelen.

Ook Jandoedel van Ben Kuipers heeft nauwelijks een verhaal te bieden. In negentien piepkleine hoofdstukken blikt de ik-figuur terug op de verhouding met zijn grootvader. Alleen al door goed te kijken naar de kale lijntekeningen van Jan Jutte krijgt de lezer de oude heer scherp voor ogen: een verschrompeld mannetje met enorme werkhanden en een bedeesd hoofd, dat op een iele nek uit een te wijde boord steekt. Opa heeft z'n leven lang in de textielfabriek gewerkt en in zijn vrije tijd op een stukje land groenten verbouwd. Hij is een zwijgzaam type, dat zich in het leven schikt. Hij ziet af van fruitbomen, omdat daar vogels op af komen, die oma's schone was zullen onderpoepen. Wanneer oma geen geit blijkt te willen, wordt het dier direct verkocht en in het ziekenhuis is opa een makkelijke patiënt, die stilletjes doodgaat. Zijn naaste omgeving - oma voorop - verwijt hem dat hij geen fut en geen pit heeft, dat hij een "Weledele Heer Rozewater' is en een Jandoedel. Opa's enige daad van verzet is het stiekem leeggooien van een fles gewijd water uit Lourdes, om hem vervolgens opnieuw te vullen uit de kraan. De kleinzoon heeft het allemaal aangezien en geregistreerd en geeft het nu sec en ingehouden weer. Uit het samen de grond omspitten, het samen staan plassen en het uitwisselen van enkele noodzakelijke zinnen vloeide een vanzelfsprekende verbondenheid voort. Pas veel later volgt het oordeel over de vraag “Was opa slap of alleen maar lief”. Echt expliciet wordt dat oordeel niet gemaakt, maar de zorgvuldige, invoelende lezer kan het wel tussen de regels vinden. De schrijver plant in zijn tuintje zoveel mogelijk fruitbomen en richt met zijn boekje alsnog een bescheiden, zijn grootvader passend monument op.