Geert van der Kolk over communisme, kinderen en misverstanden; Goede gesprekken leiden tot niets

Geert van der Kolk begon als communistisch student in Nederland en is nu schrijver en huisman in Amerika. Communist is hij al lang niet meer, wel speelt zijn laatste roman in het voormalige Oost-Berlijn. “Al dat communistische gedoe is niet meer dan een achtergrond,” zegt hij.

Geert van der Kolk: Käte Jahn. Uitg. Veen, 262 blz. Prijs ƒ 32,90

Geert van der Kolk noemt zichzelf een lineair schrijver. Hij heeft geen systeem, geen schema's en geen kaartenbakken. Hij springt in het diepe op pagina 1 en ziet wel waar hij uitkomt. Het enige waar hij zich aan houdt, is dat wat er op papier staat in orde moet zijn voor hij verder kan. Als hij vast zit, zit hij ook echt vast. Soms zit hij wekenlang achter zijn bureau naar buiten te staren. Deze werkwijze is een echo van de manier waarop zijn leven loopt: hij maakt keuzes op intuïtieve gronden en legt zich dan vast op de gevolgen, welke die ook mogen zijn. Zo combineert hij romantiek met toewijding, wat ridderlijkheid oplevert.

Van der Kolk (1954) woont al bijna tien jaar in Amerika. Het begon met een fellowship voor Princeton University. Hij deed daar als afgestudeerd historicus onderzoek voor een proefschrift over de beginjaren van de Communistische Internationale, en meer specifiek wat voor rol Nederlandse communisten daarin speelden. Toen zijn jaar in Princeton om was, was het werk nog niet af, maar wel had hij een vriendin gevonden: een Tsjechische immigrante, die in 1969 op twaalfjarige leeftijd met haar ouders naar Amerika was gevlucht, en nu als econome ook bezig was met een proefschrift. Uiteindelijk promoveerden ze geen van beiden maar trouwden ze en kregen een kind. Zijn vrouw kreeg een baan bij de Wereldbank en hij besloot schrijver te worden. Ook zou hij voor het kind zorgen. Ze verhuisden naar Washington.

Sindsdien schreef Van der Kolk vier verhalenbundels.

Een terugkerend thema in zijn verhalen is het onvermogen tot communicatie tussen geliefden of tussen mensen in het algemeen. Zo ook in zijn onlangs verschenen eerste roman Käte Jahn, een liefdesgeschiedenis die zich in Oost-Berlijn afspeelt in de late jaren zeventig, toen het communisme in Oost-Europa nog onwrikbaar leek. Het is het verhaal van een romantische jongen die met z'n kop tegen de muur loopt. Niet de muur van het systeem, zoals je misschien zou verwachten van iemand als hoofdpersoon Jan Goedkoop die zijn hart aan het communisme (van de CPN) verpand heeft, maar de aloude muur van de mislukte liefde.

Jan Goedkoop is iemand die in Amsterdam als afgestudeerd geschiedenisstudent een beetje met z'n ziel onder z'n arm loopt. In naam werkt hij aan een proefschrift over de beginjaren van de Communistische Internationale, maar hij vult zijn dagen met hand- en spandiensten voor de CPN. Hij vertrekt naar Oost-Berlijn voor verder archiefonderzoek en verzeilt daar al snel in morsige, artistieke kringen, waar hij verliefd wordt op een zangeres, Käte Jahn. Zij ziet in hem een mogelijkheid om het door haar gehate systeem te ontvluchten en zich via een schijnhuwelijk in West-Berlijn te vestigen. De sfeer in de stad en het land is grauw en troosteloos. Toch heeft Jan Goedkoop de tijd van zijn leven. Van der Kolk schetst een desolaat beeld van Oost-Berlijn dat desondanks sprankelt in de ogen van de hoofdpersoon. Dat de liefde zijn beslag niet krijgt valt te verwachten bij een schrijver als Geert van der Kolk, die misverstand en wanbegrip als de normale gang van zaken beschouwt. Käte Jahn gaat over iemand die opgesloten zit in zijn eigen hoofd.

Ideologie

Voor een boek van een ex-CPN-lid, die een tijd in Oost-Berlijn heeft gezeten, zit er opvallend weinig ideologie-discussie in. Van der Kolk: “Daar ging het me ook niet om bij het schrijven van dit boek. Voor zover ik me de ideologische discussies nog kon herinneren, waren ze niet interessant meer. Mijn hoofdpersoon loopt gewoon zijn neus achterna. Hij verveelt zich in Nederland, hij is op zoek naar vrijheid en avontuur. En dat vindt hij in Oost-Berlijn. Al dat communistische gedoe is niet meer dan een achtergrond.”

Van der Kolk heeft allang afstand genomen van het communisme, maar wat hem tijdens zijn geschiedenis-studie er in aantrok heeft hij in de persoon Jan Goedkoop proberen te leggen: “Als CPN-lid was je lekker bezig, je kon je overdaad aan energie kwijt. Elke avond was er wel iets te doen, vergaderingen, contributie ophalen, partijgenoten bezoeken. En bovendien kwam je als student in aanraking met andere mensen, die met beide benen in het echte leven stonden. Het verbreedde mijn horizon.”

Van der Kolk heeft niet de meest voor de hand liggende wegen bewandeld in zijn leven. Hij heeft, zoals zijn hoofdpersoon, zelf ook een schijnhuwelijk gesloten in Oost-Berlijn. Niet uit wanhopige liefde, maar omdat hij het gevoel had aan iets heel belangrijks, aan een goede zaak mee te werken. Toch mompelt hij tijdens het gesprek een aantal keer: “Je hebt het niet voor het kiezen.” Zijn partijlidmaatschap zegde hij op na een verblijf in Polen in 1981, waar hij als freelance journalist voor Nederlandse kranten berichtte over onder andere de opkomst van Solidariteit. Het idee schrijver te worden was een jaar eerder bij hem opgekomen, toen hij de winter in het desolate, maar tegelijk intrigerende Oost-Berlijn doorbracht en Isherwood las.

Hij wilde graag weg uit Nederland, maar niet voor de rest van zijn leven. Dat hij in Amerika is blijven hangen is ingegeven door de omstandigheden. Zijn vrouw heeft hier een baan, zijn kinderen van 7 en 4 gaan er naar school. Zijn kinderen zijn drietalig. Met hun moeder spreken ze Tsjechisch, met hun vader Nederlands en op school en met elkaar Engels. In de kamer slingeren de bekende kinderboeken voor deze leeftijdscategorie als Pluk van de Petteflet en Dat rijmt.

Mist hij de Nederlandse cultuur niet? Een van de weinige vragen waarover hij niet hoeft te piekeren: “Nee, helemaal niet.” Hij leest geen Nederlandse kranten en maar sporadisch een Nederlands boek. En de taal dan? Is het niet moeilijk om Nederlands te blijven schrijven, als je dat nooit meer om je heen hoort? Daar heeft hij geen last van, althans niet dat hij weet. Tenslotte is hij elk jaar wel een paar weken in Nederland en zegt hij “dan word ik bijna high van al dat Nederlands om me heen. Dat geeft wel een kick”.

Potje

Käte Jahn is in zekere zin een nostalgisch boek, omdat hij wel eens heimwee heeft naar de tijd dat hij volstrekt zonder maatschappelijke beslommeringen kon ingaan op wat zich voordeed. Niet dat dat ergens toe leidt. Het wezen van de romantiek is dat de mens elk grammetje geluk onmiddellijk verknalt, zodra hij er de hand op kan leggen. Het is een terugkerend thema. Van der Kolk: “Ik ben ervan overtuigd dat misverstand de regel is in wat voor verhouding dan ook. Over het algemeen begrijpen mensen elkaar verkeerd. Als het eens een keer goed gaat is het mooi meegenomen maar stom toeval. Ik zie geen heil in het voeren van goede gesprekken om nader tot elkaar te komen. Mensen lopen elkaar tegen het lijf, er had misschien iets moois uit kunnen voortkomen, maar ze maken er een potje van en dan gaan ze weer allebei hun eigen weg. En het gevoel dat overblijft is: wat een verspilling, wat een verspilling.”

Hij zou wel graag in Alaska willen wonen, omdat de wildernis en het op jezelf aangewezen zijn hem aantrekt. Maar onder deze omstandigheden kan daar geen sprake van zijn. Het is al moeilijk om er alleen een paar weken tussenuit te gaan, omdat hij als huisman de eerst verantwoordelijke ouder is. “Het is een last,” zucht hij, “de kinderen zijn erg aan mij vastgebakken. Dat is aan de ene kant wel vleiend, maar het is meer dan waar ik om gevraagd heb. Er komen allerlei praktische problemen op je af en eigenlijk gaat het leven heen met die op te lossen.”

Hij reageert wat geprikkeld als ik constateer dat hij en zijn vrouw een volkomen rolwisseling tot stand hebben gebracht, iets wat je toch zelden tegenkomt. Hoezo rolwisseling? Ik denk toch niet dat hij op een lijn te stellen is met de huisvrouwen met wie hij buiten de school staat te wachten tot de kinderen naar buiten komen? Hij heeft een vak, hij is schrijver! Ik knik en denk aan die huisvrouwen die ook ongetwijfeld een vak of vaardigheid hebben. “Het is gezeur zonder belang,” zegt hij dan, “het kan niet anders en het enige waar ik spijt van heb is dat ik het niet altijd met een glimlach heb gedaan.” Ridderlijkheid verloochent zich niet.