Geen vergoeding na besmetting met AIDS

AMSTERDAM, 24 JAN. Vice-president J. Vrakking van de Amsterdamse rechtbank heeft gisteren een eis tot schadevergoeding afgewezen van een hemofiliepatiënt tegen het Academisch Medisch Centrum (AMC). De patiënt acht het ziekenhuis verantwoordelijk voor de verstrekking van een met het aids-virus besmet medicijn op basis van donorbloed.

Vrakking wil eerst het resultaat van een bodemprocedure afwachten, waarin moet worden bepaald wie verantwoordelijk was voor de besmetting. Pas in 1982 werd in een medische publicatie een verband gelegd tussen het gebruik van het bloedstollingseiwit Factor VII en en HIV-besmettingen. Het is zeer wel mogelijk dat de besmetting al voor die tijd heeft plaatsgehad, meende de vice-president. Het AMC ging in juni 1983 als eerste ziekenhuis ertoe over het met HIV-besmette Factor VII-concetraat te vervangen door veilige preparaten.

Het bestuur van de HIV-vereniging distantieert zich tevens van de oproep van de Nederlandse Vereniging van Hemofiliepatiënten (NVHP) aan haar leden om collectief schadevergoeding te eisen van de overheid.

Na een vergadering in december heeft het bestuur van de HIV-vereniging een brief doen uitgaan naar de staatssecretaris van WVC, waarin wordt gesteld dat alleen in individuele gevallen een schadevergoeding uitgekeerd moet worden. Daarover zou een onafhankelijke rechter moeten beslissen.

Het bestuur schrijft dat een collectieve schadeclaim rechtongelijkheid in de hand werkt: “In het onderscheid ligt de suggestie besloten alsof alleen zij die door bloed of bloedproducten met HIV genfecteerd zijn geraak "onschuldige' slachtoffers van het virus zouden zijn.” Van de 1200 haemofilie-pattiënten zijn 170 met het HIV-virus besmet geraakt. Een groot deel daarvan heeft tussen 1979 en 1985 een met besmet donorbloed bereid medicijn gebruikt.