EG moet met hulp aan Oost-Europa democratisering stimuleren

The European Community and Eastern Europe. Auteur: John Pinder. Royal Institute of International Affairs/Pinter Publishers Londen, 1991, 118 blz., prijs: ƒ 37,50 ISBN 0-86187-173-1

Wie had dat ooit gedacht: na jaren van "Eurosclerose' speelt de EG nu een leidende rol in de vormgeving van het "nieuwe Europa'. Natuurlijk was daar het ambitieuze plan om eind 1992 een vrije interne markt tot stand te brengen, maar het waren toch met name de omwentelingen in Oost-Europa die Brussel er toe hebben gezet een actiever buitenlands beleid te gaan voeren en zich meer bewust te worden van haar nieuwbakken positie op het wereldtoneel.

Sinds juli 1989 coördineert de Europese Commissie (het uitvoerend orgaan van de EG) de economische hulp van de EG en de 24 rijke industrielanden (de G-24) aan Oost-Europa. Polen, Hongarije en Tsjechoslowakije hebben bovendien al te kennen gegeven liefst voor het jaar 2000 volwaardig lid van de Gemeenschap te willen worden. Tijdens deze overbruggingsperiode kunnen deze drie landen zich middels zogeheten associatie-akkoorden politiek en economisch aan de EG aanpassen, waardoor toetreding in de toekomst wordt vergemakkelijkt.

John Pinder, president van de "European Union of Federalists', is een van de weinigen die al decennia-lang de relatie EG-Oost-Europa in de gaten houdt. Zijn recente boek, The European Community and Eastern Europe, geeft behalve een uitstekend overzicht van de stormachtige ontwikkelingen in de politiek-economische betrekkingen tussen Brussel en haar oosterburen van de afgelopen vijf jaar, ook nog eens een scherpe analyse van de huidige problemen en de controversen die nog in het verschiet liggen.

Het valt niet te ontkennen dat de EG haar nieuwe Europese taken tot nu toe met succes heeft vervuld. Vanaf het begin heeft de Commissie duidelijk gemaakt dat de economische hulp slechts beschikbaar zou zijn wanneer de Oosteuropese landen radicale hervormingen zouden doorvoeren. Democratie en markt, dat behoorden de doelstellingen te zijn van elk lid van de nieuwe Europese familie. Pinder geeft aan hoe de Commissie deze economische hefboom heeft gehanteerd om met name in de Balkanlanden de politieke hervormingen te stimuleren. Zo werden de handelsbesprekingen met Sofia in mei 1989 bijna voor een jaar stopgezet vanwege de abominabele behandeling van de Turkse minderheid in Bulgarije. Ook de onderhandelingen met Roemenië gingen met horten en stoten, waarbij keer op keer duidelijk werd gemaakt dat de Westerse economische hulp afhankelijk was van de naleving van de mensenrechten, vrije verkiezingen en de invoering van een rechtsstaat. In 1990 had de EG met elk voormalig Oostblokland een handels- en samenwerkingsakkoord afgesloten, waarbij voor het eerst duidelijke afspraken werden gemaakt omtrent de toegang tot elkaars markt.

In de afgelopen jaren is er ook een netwerk gecreëerd van tientallen hulpprogramma's, variërend van studentenuitwisselingen, samenwerking op het terrein van transport, telecommunicatie en energie, tot milieubescherming, cultuur en academisch onderzoek. Niet alle programma's lopen naar wens (met name het Tempus-project voor universitaire samenwerking is zwaar bekritiseerd), maar de vooruitgang is desalniettemin opmerkelijk. In het kader van het overkoepelende PHARE-programma initieert de Commissie bijna elke maand nieuwe, veelal kleinschalige projecten, waarmee Oosteuropese bedrijven en organisaties worden ondersteund in hun pogingen een gezonde economie op poten te zetten.

Meermalen is er op gewezen dat deze Westerse hulpactiviteiten zijn gebaseerd op welbegrepen zelfbelang. Pinder wijst er terecht op dat de EG, nog meer dan nu al het geval is, de economische en financiële hulp moet aanwenden om de democratische ontwikkelingen in Oost-Europa te stimuleren. Hoe Brussel dat dan zou moeten doen, geeft hij echter niet aan. Verregaande privatisering zou een vruchtbare voedingsbodem kunnen vormen voor de democratie, maar de voorbeelden van Taiwan, Zuid-Korea en Spanje hebben al aangegeven dat ook autoritaire regimes redelijk goed kunnen gedijen binnen een markt-economie. Nu het nationalisme overal de kop opsteekt, en in Joegoslavië in conflictueuze ontbinding verkeert, moet de EG zich met name richten op het beheersen van potentiële geschillen tussen de Oosteuropese landen onderling.

Ook al is Pinder positief over het EG-optreden in het algemeen, hij is zonder meer teleurgesteld in de houding van de Commissie tijdens de onderhandelingen over de associatie-akkoorden met Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije. De Commissie heeft van de Raad maar een beperkt onderhandelingsmandaat gekregen, hetgeen betekent dat de EG-markt waarschijnlijk ook in de toekomst gesloten zal blijven voor een groot deel van de Oosteuropese export. Met name in de zgn. "gevoelige' sectoren, zoals de landbouw, textiel, en kolen en staal, blijft de EG-markt praktisch gesloten.

Deze protectionistische houding van Brussel is desastreus voor de Oosteuropese economieën, aangezien hen na het wegvallen van de traditionele Sovjet-markt en de negatieve effecten van de Golfcrisis, nu ook nog eens de toegang tot de EG-markt wordt geweigerd. Pinder is, terecht, resoluut in zijn suggesties aan het adres van de Commissie: de EG moet, in navolging van Oost-Europa, in eigen huis eens radicaal orde op zaken stellen. Dit betekent dat het zgn. gemeenschappelijk landbouwbeleid, dat verantwoordelijk is voor de monstrueuze vlees-, graan- en boterbergen, op de helling moet.

Pinders argumenten zijn zonder meer juist, aangezien het toch vreemd mag heten dat de EG met de ene hand hulp geeft aan Oost-Europa, maar met de andere hand de deur dicht houdt voor zijn produkten; wanneer de EG werkelijk een bijdrage wil leveren aan de economische hervormingen in het Oosten, dan moet het de vrijhandel die het predikt ook zelf in praktijk brengen.

In zijn boek behandelt Pinder eveneens de stekelige kwestie van de mogelijke toetreding van de diverse Oosteuropese landen tot de EG. Hij refereert aan het Brusselse dilemma van "verdieping versus verbreding', oftewel: moet de EG zich allereerst richten op de politieke en economische integratie van de huidige twaalf lidstaten, of moet het de vele kandidaat-leden al binnen afzienbare tijd binnenlaten?

Pinder is hierover niet duidelijk. Hij stelt: “But such deepening should not be seen as a means of excluding East Europeans. It should, on the contrary, be part of a two-pronged strategy, whose other half is the widening of the Community until it includes all democratic European states that wish to join, as most of them almost certainly will during the course of the next two decades.” (p.108).

Dit is wat al te gemakkelijk; het moet toch duidelijk zijn dat het er voor een economisch onderontwikkeld land als Polen niet eenvoudiger op wordt om lid te worden van de EG-club wanneer deze club zich de komende tien jaar ontwikkelt tot een coherente economische, financiële en politieke eenheid? Pinder gaat voor het gemak voorbij aan de enorme kosten die het voor de EG met zich mee zal brengen wanneer zij landen als Polen, Roemenië, Bulgarije, de Baltische staten, en, wellicht in de verdere toekomst ook enkele huidige Sovjet-republieken, binnen de EG-poorten zal toelaten.

De huidige regionale en structuurfondsen, ingesteld om achtergebleven gebieden binnen de EG (met name de mediterrane landen, maar nu natuurlijk ook de ex-DDR!) te stimuleren, zullen verbleken bij de hoeveelheid geld die nodig zal zijn om de toekomstige oostelijke lidstaten economisch op peil te brengen.

The European Community and Eastern Europe is een uiterst welkome publikatie. Het boek was door de uitgever al aangekondigd voor vorig jaar, maar de auteur heeft er goed aan gedaan om met publikatie te wachten, en de nodige aanpassingen aan te brengen. In de inleiding zegt Pinder te verwachten dat “some of what is written may be outdated before it is read”, maar dat is, in tegenstelling tot veel andere boeken over de Sovjet-Unie en Oost-Europa, hier zeker niet het geval.