Een rijk man

Het eerste wat meneer Ratti deed toen hij buiten stond, was genieten van de frisse lucht. Hij kreeg er honger van, liep naar de bakker en kocht een gevulde koek die hij achter elkaar opat. Daarna belde hij drie opkopers en liet ze alle drie op hetzelfde tijdstip naar zijn kelder komen.

“Heren”, zei hij plechtig, “ik verkoop al mijn verzamelingen, behalve wat in deze tassen en deze doos naast mij staat. Hier is mijn kasboek, waarin elk voorwerp is genoteerd. Zegt u maar wat u biedt.”

“Kan er niet meer licht aan?” vroegen de opkopers.

“Nee heren, ik heb veel lampen verzameld, maar niet om ze te laten branden.”

Toen zetten de opkopers de voor- en de achterdeur open en begonnen te snuffelen in de dozen, bakken, zakken, koffers, tassen, blikken en potten. Ze vielen van de ene verbazing in de andere. Ze begrepen bij voorbeeld niet waarom meneer Ratti gebruikte lucifers had verzameld, of pennen, knopen, elastiekjes of huissleutels. Maar meestal waren ze hebberig en begonnen tegen elkaar op te bieden.

“Tweehonderd voor deze peper en zoutstelletjes!”

“Tweehonderdvijftig!”

“Driehonderd!”

Meneer Ratti sloeg met zijn hamer: “Eenmaal, andermaal... verkocht.”

“Zestig voor de borrelglaasjes!”

“Vijfduizend voor de klokken en horloges!”

“Een tientje voor de asbakken!”

“Honderd voor de paraplu's!”

Meneer Ratti liet ze flink tegen elkaar opbieden en had er schik in.

“En honderd voor deze... hè, wat zijn dat nou?”

“Dat hoort er niet bij”, zei meneer Ratti, en hij drong zich tussen de opkopers en knoopte de grote zak met knikkers weer dicht.

“Vijfduizend voor de postzegels!”

“Achtduizend!”

“Vijftienduizend!”

“Tienduizend voor de sieraden!”

Verkocht. Verkocht. Verkocht. Alles werd verkocht. Toen de opkopers vertrokken, was meneer Ratti een rijk man.

“Dat is mooi”, zei hij. “Maar mijn totale verzameling geld is te zwaar om mee te nemen.”

Hij opende de doos die hij niet aan de opkopers had willen verkopen, haalde er een verzameling spaarpotten uit en vulde ze met stuivers, dubbeltjes, kwartjes, guldens en rijksdaalders.

“Naar de overkant ermee. Niet in de doos, dan valt de bodem eruit... Wacht, ik doe ze in een deken. Die dekens hebben mij ten slotte jarenlang beschut, die kunnen wel tegen een stootje.”

Hij legde de spaarpotten op de deken en sleepte het loodzware pakket de trap op, naar het huis van Marleen.

De gordijnen waren opengeschoven, maar er was binnen kind noch kat te zien.

Meneer Ratti loerde door de brievenbus en zag zijn kinderwagen staan.

“De knuffels zijn eruit, goed zo... En wat ruik ik? Ts, een lekker soepje, een soepje om aan te sterken... Hmmm, wat ruikt dat overheerlijk...”

“Lust u misschien een kopje, meneer Ratti?” vroeg een vriendelijke stem achter hem.

Meneer Ratti gluurde over zijn schouder en zag dat het de moeder van Marleen was.

“Ik moest even naar de apotheek”, zei ze. “Laten we maar gauw naar binnen gaan.”

“Eh nee”, zei meneer Ratti, “ik eh... sta hier niet om een kop soep, maar om dit pakket af te leveren.”

“Ach, komt u toch even mee”, zei de moeder zacht.

“Eh nee... ik moet weg en ik heb haast.”

“Marleen zal zo blij zijn als ze u ziet. Al is het maar heel even.”

Meneer Ratti kromp in elkaar. Ik ren weg, dacht hij. Maar zijn benen wilden niet luisteren, en hij vermande zich en zei: “Goed, maar dan heel, heel even.”

(wordt vervolgd)