Drinken, zwijgen en kampliederen zingen; Gesprek met Lydia Bobrova over haar film 'Oj, vy goesi'

Het Filmfestival Rotterdam biedt dit jaar het beste wat vorig jaar op de internationale festivals aan films is vertoond. Op deze en de volgende pagina gesprekken met de regisseurs Martha Coolidge, Hal Hartley en Lydia Bobrova, van wie komende week werk te zien is.

"Oj, vy goesi' van de Siberische regisseur Lydia Bobrova is volgende week wel in Rotterdam te zien, maar niet in de Russische bioscopen. Daar is op dit moment om commerciële redenen alleen nog maar plaats voor goedkope Amerikaanse B-films en mierzoete Indiase liefdessprookjes. Bobrova filmde het Rusland van haar eigen jeugd; een dorp, drie broers, drank en mislukte levens. “Kunst moet de mensen de kracht geven weerstand te bieden aan de wreedheden van het leven.”

De film "Oj, vy goesi' wordt tijdens het Filmfestival Rotterdam vertoond op dinsdag 28 jan. om 17u30 in Lumiere 1, en op woensdag 29 jan om 15u45 in Luxor.

Als je met de Transsiberische spoorlijn van Irkoetsk naar Chabarovsk rijdt, een tocht van twee dagen langs de Chinese grens, passeer je om de zoveel kilometer een seinwachtershuisje in de eindeloze taiga. Een eenzaam mannetje heft een vlaggetje en kijk je in een bocht uit het raam terug langs de trein, dan zie je hoe hij de trein blijft nastaren. En je nestelt je nog eens in de hoek van je coupé en verkneukelt je erover dat je dat achterblijvende mannetje niet bent.

Zo'n spoorwegmannetje was de vader van Lydia Bobrova, die veertig jaar geleden in een seinwachtershuisje in de taiga geboren werd. Haar eerste indrukken? De schoonheid van de natuur, en veel meer was er in de wijde omtrek ook niet te bewonderen. Bij het sein woonden drie gezinnen, tien mensen in totaal. Vader speelde op de trekharmonica, Lydia had drie broers. Heel af en toe kwam er een "wagon-club' langs, een trein met een filmzaaltje, om de eenzame spoorwegarbeiders wat bewegende beelden te vertonen. Toen de kinderen naar school moesten verhuisde het gezin naar Jerofej Pavlovitsj, een piepklein spoorweggehucht, genoemd naar de ontdekkingsreiziger Jerofej Pavlovitsj Chabarov, die zijn achternaam aan de stad Chabarovsk leende. Chabarovsk ligt aan de machtige Amoer, de kilometers brede grensrivier met China, en voor Lydia was dat de grote wereld. Na zes klassen lagere school vertrok de familie naar de provincie Stavropol, het thuisland van Michail Gorbatsjov. In tegenstelling tot haar broers had Lydia idealen, zij wilde hogerop, en belandde na veel vijven en zessen op de filmacademie in Leningrad.

Lydia Bobrova is tenger, blond en ernstig. Een Russisch dorpsmeisje met blauwe ogen. Ze mist godzijdank de pathetiek die veel Russische vrouwen uit de kunst tot hun handelsmerk hebben gemaakt. Maar zij weet wat zij wil. Zij wilde maar een ding: het dorpsleven uit haar jeugd filmen, zonder opsmuk, zonder pseudo-filosofische diepgang, zonder druipende symboliek, in de trant van de vroege Fellini, een van haar grote voorbeelden.

Oj, vy goesi (Oh ganzen, grijze ganzen, voorspel mij mijn lot) is de titel van een melancholiek volkslied over de ongewisheid van het leven. De film is het simpele verhaal van drie broers. Bittere armoe, drank en mislukte levens. En toch, zegt Bobrova in de hal van het Filmhuis, waar haar film net voor een handjevol Russen in première is gegaan, is het een film van de hoop. “Mijn film toont meer dan het gewone harde bestaan, er zit iets lichts in, iets dat bewijzen moet dat mensen ondanks alles mensen blijven. Daar geloof ik heilig in, het Russische volk is een geduldig volk, een indrukwekkend volk. Wij hebben zulke gruwelen moeten doorstaan, de revolutie, de hongersnood, de collectivisatie, de oorlog en toch hebben de mensen hun geestelijke veerkracht behouden. Ik heb het geluk gehad aan dat milieu te kunnen ontsnappen en daarom zie ik deze film als mijn plicht tegenover de mensen uit wier midden ik afkomstig ben.”

Flaporen

Het mooiste portret in de film is dat van de oudste broer Sanka (V. Frolov), die in het dorp plotseling uit de lucht komt vallen. Lang, benig, grote flaporen, grote onhandige handen, ingevallen wangen. Hij is net uit een strafkamp ontslagen en zoekt zijn broer Micha op. Voor zijn nichtje brengt hij een speelgoedbeertje mee, een Olympisch beertje, zoals er tienduizenden door gevangenen werden gemaakt voor de Moskouse Olympische Spelen, Brezjnev's laatste hypocriete krachttoer, toen het straatarme Moskou gedwongen werd zich voor de buitenlandse gasten tot één immens Potjomkin dorp te transformeren. Het nichtje reageert met nauwelijks verholen teleurstelling.

Sanka zegt niet veel, maar zijn gezicht spreekt boekdelen. Als alle mannenrollen in de film wordt Sanka door een amateur gespeeld, maar de rol is hem op het lijf geschreven. Ook in het echte leven was Frolov een pechvogel, een ex-gevangene. Bobrova vond hem op een bouwplaats, via een regisseur van een amateurtoneelgroep, die hem na twee jaar wegens overmatig drankgebruik had weggestuurd. “Alleen onze Frolov kan die Sanka van jou spelen,” had de regisseur gezegd.

De indrukwekkendste scène vindt Bobrova zelf het drankgelag met de ex-gevangenen. Tot afgrijzen van Micha's vrouw verzamelt Sanka 's avonds een handvol voormalige zeki (het Russische slang voor gevangenen) om zich heen om samen te drinken, te zwijgen en kampliederen te zingen. Een voor een filmde Bobrova hen in close-up. Verweerde houten koppen, verzopen, verlopen types en het benige gezicht van Sanka. “Heb je gezien hoe intens de gerimpelde oude man naar het lied luistert, hoe hij een kreet van herkenning slaakt en zijn glas achterover gooit?” Als ik voorzichtig opmerk dat de oude man mij eerder aan een neanderthaler deed denken, schieten Bobrova's ogen vuur. Even staat er een muur van onbegrip tussen ons. “Hij heeft een prachtig gezicht!”, zegt zij verontwaardigd. Alle zeki in de film hebben zelf drie, vier keer gezeten.

“Die zeki ken ik maar al te goed uit mijn jeugd. Er zijn dorpen waarvan er uit elk gezin wel iemand in een kamp zit. Als kind had ik altijd medelijden met ze, hoewel er moordenaars tussen zaten. Al die verknipte levens! Mijn oudste broer heeft zelf gezeten en wij gingen hem wel eens opzoeken in het kamp. Ik heb daar een keer een concert van gevangenen meegemaakt dat grote indruk op me heeft gemaakt. Het was voor mij een openbaring om te zien hoeveel getalenteerde originele mensen daar bij elkaar zaten. De burgerman leidt misschien een oppassend en rechtschapen leven, maar deze mensen zijn het absolute tegendeel van saai. Mijn oudste broer heeft als prototype voor Sanka gediend.”

Het Russische kampsysteem kweekt criminelen. De omstandigheden zijn keihard, de omgeving is gevaarlijk en de maatschappij reageert op misdadigers met uitstoting. “Wie een keer in die gehaktmolen is beland, komt er meestal niet meer uit. Wij kennen dat afschuwelijke paspoortsysteem, een gevangene verliest zijn woonvergunning. Als hij uit het kamp komt en zijn straf heeft uitgezeten, is hij geen misdadiger meer, maar naar huis terug kan hij niet omdat hij geen woonvergunning heeft. Het is de bekende vicieuze cirkel: omdat hij geen vergunning heeft, kan hij ook geen werk krijgen. Dat is een monsterlijke wreedheid. Ik ken maar twee, drie voorbeelden van mensen die zich uit die cirkel los hebben weten te maken.”

Veel gevangenen zijn veroordeeld wegens vechtpartijen in staat van dronkenschap. De drank, zegt Bobrova, is onze nationale tragedie. “Mijn vader dronk met mate, maar al mijn broers drinken als alle Russen. Het is een kwestie van welstand. Een geslaagd mens drinkt in de regel niet. Je moet de geschiedenis van ons volk kennen om dat te kunnen begrijpen. Ons volk is verkracht, gedwongen tot een bepaalde manier van leven. De mens weet dat hij met een zeker doel op de wereld is gekomen, maar wat kan hij in onze hopeloze omstandigheden doen? Dat voel je tot in het diepst van je ziel en dan geeft de drank vergetelheid. En langzamerhand verandert dan de oorspronkelijke spiritualiteit in de vernietiging van de geest.” Toch wil Bobrova niet alle schuld aan het systeem geven. “Vroeger was ik daarvan overtuigd, maar mensen hebben natuurlijk ook hun eigen verantwoordelijkheid. Helaas is de mens zwak.”

Hoop

Bobrova's film heeft een boodschap. Heeft zij, vraag ik, een ideologie? Geeft zij niet een te rooskleurig beeld van mensen in barre omstandigheden? Wie zegt eigenlijk dat het spirituele zal overwinnen? Bij het woord "ideologie' schrikt Bobrova even op. Dat is in deze contreien een scheldwoord en een belediging. “Kunst is meer dan de blote constatering van de werkelijkheid. Ik kan de werkelijkheid niet in al haar wreedheid laten zien. In de laatste scène van Fellini's La Strada wordt uit een beest een mens geboren. Is dat rozig? Fellini laat zien dat zelfs dat beest een ziel kan hebben. Kunst moet de mensen de kracht geven weerstand te bieden aan de wreedheden van het leven. Tussen goed en kwaad, tussen de duivel en God, of hoe je het noemen wilt, vindt een eeuwige strijd plaats. Hoe kun je leven als je gelooft dat het slechte zal overwinnen? De mens leeft van de hoop. Ik geloof dat God en niet de duivel de wereld bestuurt.”

Ik vertel Bobrova hoe treurig ik werd bij het kijken naar de verbitterde mensen die vorige week op het Manegeplein kwamen demonstreren tegen de prijsverhogingen en voor het communisme. Zij krijgt tranen in haar ogen. “Ik ben laatst in Zwitserland geweest. Ik heb gezien hoe mensen daar tientallen jaren niks anders doen dan hun leven plezierig inrichten. Maar wij zijn al die jaren het slachtoffer van een gruwelijk experiment geweest. Ik vind het heel pijnlijk als mensen in het Westen op de Russen neerkijken. Jullie hebben het geluk gehad dat zij jullie niet aan zulke experimenten hebben onderworpen. ik ben maar voor één ding echt bang, dat het volk zijn hoop totaal verliest, want dan wordt het echt eng.”

Bobrova schreef haar scenario in 1981, maar toen wilde geen regisseur het verfilmen. In die jaren, het lijkt alweer eeuwen geleden, werd het afbeelden van de realiteit nog als laster aangemerkt. “Toen ik het scenario schreef leefden we nog middenin de hypocrisie. Juist daarom wilde ik de aandacht vestigen op deze mensen, die hulp nodig hebben. In 1990, toen ik ging draaien, had ik inmiddels een andere motivatie. Er was hoop dat het leven binnenkort beter zou worden en dus vroeg ik opnieuw aandacht voor de kleine man. Maar toen ik mijn film af had werd het leven plotseling veel en veel slechter. En nu ben ik bang dat de mensen van het plein hun laatste hoop zullen verliezen als zij in de bioscoop datzelfde uitzichtloze leven zien. Mijn volgende film moet de mensen de mogelijkheid geven zich te ontspannen. Ik heb misschien niet voldoende gevoel voor humor, maar je krachten begeven het ook in de strijd.”

Gevoel voor humor is misschien niet Bobrova's sterkst ontwikkelde karaktertrek, zij kan wel ontroeren. De tweede broer wordt gespeeld door haar eigen broer Sergej, die ze gevraagd had omdat zij geen passende acteur voor die rol kon vinden. Hij speelt een schriele alcoholicus, die getrouwd is met een voluptueuse blonde dragonder, die hem nu eens als speelpop en dan weer als kakkerlak behandelt. Tot Sanka terugkeert uit het kamp, de broer op wie zij eigenlijk verliefd was. Onder zijn ogen verandert zij van een werkpaard in een aantrekkelijke Russische vrouw en het moment waarop de lange benige de dikke blonde omhelst is een moment van grote schoonheid. Zonder een seconde na te denken gaat zij met Sanka mee. Het kleine ventje, dat zich verbijsterd aan haar vastklampt, werpt ze met al haar gewicht achteloos in de hoek van de kamer. “Mijn eigen broer was voor mij een openbaring. Hij werkt als stoker bij de spoorwegen en hij zei ja om mij een plezier te doen. Hij deed van meet af aan alles goed. Hij is nu weer terug naar zijn werk. Hij vond het niks bijzonders. Het heeft zijn leven niet veranderd, nee, hij deed het gewoon omdat het hem gevraagd werd.”

Al is Bobrova over de kwaliteit van de nieuwe Russische films niet echt te spreken (teveel foefjes, teveel technische nieuwlichterij waarachter het wezen verloren gaat), toch zul je haar niet horen klagen. “Voor filmers is dit een fantastische tijd. Natuurlijk zijn er enorme financiële problemen, maar iedereen kan zeggen wat hij op zijn hart heeft. Vroeger kon je je achter de censuur verschuilen, maar als er nu geen goede films worden gemaakt zijn er kennelijk geen mensen die iets mee te delen hebben.” Of haar film ooit op grote schaal in de Russische bioscopen vertoond zal worden, is overigens zeer de vraag. De bioscopen werken niet meer via Goskino, maar bepalen zelf hun filmaanbod. Het gevolg is een overweldigende vloed van goedkope Amerikaanse B-films en suikerzoete Indiase liefdessprookjes. Het deert Bobrova niet. “Ik heb mijn film kunnen maken, ik heb er zelfs geld voor kunnen vinden. Dat was onder Brezjnev volstrekt uitgesloten. Dat is voor mij het allerbelangrijkste.”

Het einde van het communisme is voor Lydia Bobrova het einde van een nachtmerrie, een kwade droom, maar het betekent nog lang niet het einde van een slavenmentaliteit. “Ik ken mensen die door het systeem vertrapt en vernederd zijn, maar de staatsgreep van augustus toejuichten en nu het lot van putschisten bewenen.”

Dostojevskiaans

Het is het gezicht van Sanka dat je uit de film het beste bij blijft. Sanka die een volstrekt verlopen meisje van de straat opraapt, te eten geeft, naar het badhuis stuurt, in de kleren steekt en met slecht gebit en al weer in een menselijk wezen verandert. “Sanka speelt niet, hij verschijnt gewoont in beeld met een gezicht dat onweerstaanbaar aantrekt,” zegt Bobrova. Zijn verdere levenslot is dan ook een mystiek verhaal van dostojevskiaanse allure. “We vonden Sanka op een bouwterrein. Hij was bouwkundig ingenieur en zwierf al tien jaar van de ene baan naar de andere. Een dag voor de auditie stortte een betonnen plaat op centimeters afstand van hem neer. Hij schampte langs zijn wang. Hij had eigenlijk dood moeten zijn, maar hij kwam met de schrik vrij. Het is alsof hij uitstel had gekregen om in de film te kunnen spelen en het is net of dat ook op zijn gezicht te lezen staat. Drie dagen na voltooiing van de opname viel hij thuis in een stoel in slaap. Hij had gedronken en had een sigaret in zijn hand. Die moet op de grond gevallen zijn. Het kleedje vatte vlam. Hij is levend verbrand.”