De overeenkomsten tussen 1918 en 1992; Revolutie met lunchpakket

In de Club van Filmveteranen kijken veel oude Moskovieten naar de film Cynici, over een mooie, grillige vrouw en een romanticus die zich met masochistisch genot aan haar onderwerpt. De film speelt in 1918 maar de overeenkomsten met vandaag zijn frappant: de toenemende armoede, de rijen, het gevoel van totale ineenstorting, de chaos, de ontwaarding van het geld en de terugkeer van de ruilhandel.

Langzaam glijden Vladimirs ogen langs de ruggen van de boeken in zijn kast. Hij stoft wat, pakt een boek, bladert, strijkt liefdevol over de ex-libris. Hij trekt zijn jas aan, zet zijn bontmuts op en gaat naar buiten. Op de tolkoetsjka, de rommelmarkt, biedt hij zijn boek te koop aan. Een jongeman met smaak geeft hem in ruil twee onduidelijke pakken met etenswaar, die hij snel in zijn binnenzak steekt. Hij loopt de markt over. Oude mensen verkopen hun resten tafelzilver, een generaal met pince-nez houdt zwijgend een oude fles cognac te koop. Een meisje in bontjas met grote spottende ogen biedt hem een kersebonbon aan. Ongelovig laat hij de chocola in zijn mond knappen, proeft en een gelukzalige glimlach verschijnt op zijn gezicht. Dit is het begin van een hartstochtelijke liefde.

Nee, dit is niet Moskou anno 1992, al kunt u dergelijke scènes, de generaal daargelaten, nu op elke straathoek aantreffen. Dit is het begin van Cynici, een film van de jonge regisseur Dmitri Meschijev, uit de stal van de Petersburgse filmstudio Lenfilm. Het is jammer dat het Rotterdamse filmfestival hem niet in zijn programma heeft opgenomen, want al speelt de film zich af in het Moskou van kort na de revolutie, sommige gelijkenissen zijn frappant. Cynici is de verfilming van een prachtig kort verhaal van de dichter Anatoli Mariengof, die voornamelijk bekend is geworden door zijn scandaleuze Roman zonder leugens over zijn vriendschap met Jesenin. Cynici werd in 1928 gepubliceerd en daarna vanzelfsprekend nooit herdrukt. Het is een fragmentarische, dagboekachtig genoteerde, ijzig laconieke beschrijving van de wreedheid, chaos en absurditeit van die jaren en het verhaal is totaal niet verouderd. Door de chaos heen speelt de geschiedenis van een vreemde, hartstochtelijke en tegelijk cynische liefde.

Olga en Vladimir worden prachtig gespeeld door Ingeborg Dapkunaite en Andrej Iljin. Olga is de mooie, grillige, zo je wilt wrede, en knettergekke Muze en Vladimir de beschaafde, romantische, decadente, poëtische aanbidder, die zich met een zeker masochistisch genot aan haar nukken onderwerpt. Hun verhouding, die eindigt met haar dood, speelt zich af tegen de achtergrond van het hongerige, in rap tempo tot de bedelstaf vervallende revolutionaire Moskou.

Het is die achtergrond waarom het in dit verhaal draait. En het wanhopige cynisme, waarmee de hoofdrolspelers op die achtergrond reageren. “Ik ben zo blij dat je me bloemen hebt gebracht. Dezer dagen draven alle mannen de soecharev-markt af met hun tong op hun schoenen om meel en haver te kopen. Ook hun liefjes brengen ze meel en haver. De zakken liggen als lijken onder hun bedden van Karelisch berkehout,” zegt Olga als Vladimir haar zijn eerste asters aanbiedt. “Vladimir, denk je... Ze keek in de spiegel... dat het onmogelijk wordt om Franse lipstick in Moskou te kopen? Ze pakte een dun gouden Guerlaine eyeliner-potlood van de kleine tafel. Hoe kun je dan in godsnaam leven?”

Filmveteraan

De zaal in het Filmhuis zit tijdens de vertoning van Cynici vol oude mensen. Het is een besloten voorstelling voor de Club van Filmveteranen en ik signaleer menig kaal hoofd en witte baard. Een filmveteraan is overigens niet noodzakelijkerwijs een vechtjas, hoewel de onderscheidingstekens op sommiger borst bewijzen dat ook filmers in de oorlog een partijtje hebben meegeschoten. Het Russisch is sinds de revolutie doorspekt geraakt met militaire termen, en veteraan betekent in dit verband niet meer dan dat iemand zijn sporen in de filmkunst heeft verdient.

De film is wel wennen voor de veteranen. Voor in de zaal geeft iemand luidkeels blijk van zijn ongenoegen bij het zien van zoveel decadentie. “Zo was het niet, de revolutie!” Als Olga eerst Vladimirs bolsjewistische broer Sergej en dan de nieuwe speculant Ilja Petrovitsj als minnaar neemt, wordt het sommigen te gortig. Snuivend verlaten ze de zaal.

Anderen grinniken over de NEP-man Ilja Petrovitsj, die zich rijk speculeert aan de armoe van de rest, een verschijnsel dat de toeschouwers in hun lange levens meermalen de kop op hebben zien steken. De NEP-mannen waren het produkt van Lenins Nieuwe Economische Politiek (1921), een tijdelijke terugkeer naar het kapitalisme, die was afgedwongen door de ineenstorting van de economie. Zij waren de nieuwe handelaars, die later door Stalin allemaal over de kling zijn gejaagd. Ook met Ilja Petrovitsj loopt het slecht af.

Ilja Petrovitsj, die zijn oog op Olga heeft laten vallen, nodigt haar en Vladimir te eten in het chique restaurant Elegant. Tijdens de exquise maaltijd becommentarieert hij de berichten over de hongersnood in het land. Hij spreekt van een “exceptionele commerciële kans”. Instemmend gemompel weerklinkt in de zaal als Ilja Petrovitsj zich laat ontvallen: “U heeft gelijk, Olga Konstantinovna, dat u om dollars vraagt, de roebel is vandaag de dag niks meer waard”. De 15.000 dollar in kwestie zijn overigens de prijs die Olga - in aanwezigheid van Vladimir - van Ilja Petrovitsj vraagt in ruil voor haar lichaam. Ilja Petrovitsj verslikt zich in zijn soep, maar gaat akkoord. Na bewezen diensten stort zij het geld in het Fonds voor steun aan de hongerigen. Hoewel Ilja Petrovitsj eerder weggelopen lijkt uit een verhaal van Gogol, doet zijn onbeschaafde commerciele gedrag toch velen denken aan de impopulaire witgewassen zwarthandelaren van vandaag in hun protserige Mercedessen.

In het verhaal gebeuren voortdurend schokkende dingen, die de hoofdrolspelers gelaten over zich heen laten komen. De bolsjewiek Sergej, de broer van Vladimir en de minnaar van Olga, vertrekt naar het front en laat daar Olga's broer Goga die bij de Witten vecht, executeren. Sergej keert invalide terug van het front en wordt net als Vladimir gedwongen Olga's overspel te accepteren. Het dienstmeisje Marfoesja, dat bij afwezigheid van Olga voor Vladimir als substituut dient, wordt in het openbaar door Olga vernederd. De invalide Sergej geeft Ilja Petrovitsj bij de geheime politie aan wegens speculatie, waarna de NEP-man voorgoed van het toneel verdwijnt.

Mariengof wisselt kleine gebeurtenissen en dialogen af met nieuwsberichten in telegramstijl. “Er zijn boerenopstanden in de provincies Simbirsk, Penza, Tambov en Kazan. De landbouwdistricten en de steden zijn in staat van militaire paraatheid gebracht.” Of “Vandaag geven ze lucifers voor coupon nr. 21 op de bonnenkaart, één doosje per persoon.” Of “Vanaf morgen zullen de gaslampen in de straten van de stad niet meer worden aangestoken.” Mariengofs verhaal van de chaos komt in sfeer overeen met Russische memoires over de revolutiejaren. Sentimentele reis van Viktor Sjklovski, Schitterend door woorden van Zinaida Hippius, Cursivering van mij van Nina Berberova, Begin van een onbekend tijdperk van Konstantin Paustovski. Het uiteenvallen van de Sovjet-Unie heeft helaas nog niet zo een bevlogen pen gevonden.

Mars

1918 is 1992 niet. Er heeft geen revolutie plaatsgevonden. De volstrekte machtswillekeur van toen ontbreekt. Er is geen sprake van terreur. Er is geen ideologie. De arbeiders hebben de macht niet en de mensen zijn niet meer hetzelfde. Dezer dagen wordt in Moskou een pamflet verspreid door schimmige beweging "Arbeidend Rusland', die de bevolking oproept op 9 februari op te marcheren tegen het Witte Huis van Jeltsin. “Kameraad! Als je niet rustig kunt toekijken hoe ze het volk beroven, hoe ze de staat aan buitenlanders verkopen, hoe ze armoedzaaiers fokken, als je geluk wilt voor je kinderen, en een zekere toekomst voor je gezin, als je de leugens en het verraad niet meer kunt verdragen - stop de genocide! Sluit je aan bij de mars naar het Witte Huis!” Tot zover prachtig, revolutionair, opzwepend, niet waar? Maar onderaan het pamflet staat de dodelijke zin: “Kleed u warm aan. Indien mogelijk neem dan een lunchpakket mee.” Nee, de mensen zijn niet meer dezelfde en een bestorming van het Witte Huis zal op 9 februari dan ook gelukkig niet plaatsvinden.

De overeenkomsten met 1918 zijn veeleer uiterlijk van aard: de toenemende armoede, de rijen, het gevoel van totale ineenstorting, de chaos, de ontwaarding van het geld, de terugkeer van de ruilhandel, de gelatenheid, het van dag tot dag leven en geen plannen meer maken voor een verre toekomst. Terwijl ik dit opschrijf - het is half tien 's avonds - hoor ik van buiten al urenlang heftig gekrakeel bij de bakkerij. Ik ga even poolshoogte nemen. De winkel gaat net dicht. De overgebleven burgers, voor het merendeel oude vrouwen, gaan mopperend uiteen. Ze hebben vier uur voor niks gewacht. Toen ze aan de beurt waren was de suiker op. Er wordt nog wat nagekakeld. Een kerel heeft zich kennelijk met geweld toegang verschaft tot de winkel en tot de suiker. Dat kan op forse instemming van de vrouwen rekenen. Hij heeft groot gelijk, zeggen ze en op hun gezichten staat spijt te lezen dat hun eigen spierballen hun beste tijd hebben gehad.

Lekkernij

Cynici is mooi verfilmd. Het licht en de duisternis zijn mooi al schmiert Meschijev hier en daar een beetje met soft-focus. Vladimirs witte gezicht heeft iets Pierrot-achtigs. Olga verandert al naar gelang haar lippenstift en haar haardracht. Olga en Vladimir wandelen door de stad. Olga vraagt om ijs. Vladimir antwoordt dat de Moskouse Sovjet een decreet heeft uitgevaardigd dat een totaal verbod legt op de verkoop en produktie “van de lekkernij waar jij zo'n duidelijke voorkeur voor hebt.” Een vreemde revolutie, zegt Olga droevig. “Ik dacht dat het eerste dat ze zouden doen het opzetten van een guillotine op de executieplaats op het Rode Plein zou zijn, en in plaats daarvan verbiedt onze Conventie, of hoe dat ook heten mag, de verkoop van ijs!”

Na Olga's dood loopt Vladimir alleen door de Moskouse straten. Een schoffie met een shaggie in zijn mondhoek springt op hem toe. “Hé meneer,” roept hij, “geef me eens vijf cent, anders spuug ik je in je gezicht en ik heb syfilis.”