De natuur krijgt in Drenthe haar oude rechten weer terug

MANTINGE, 24 JAN. “Overwegend droge heidevegetaties (struikheide, kraaiheide, bochtige smele) met zeer fraai ontwikkelde jeneverbes-struwelen; rijk aan kleinschalig reliëf (stuifduintjes); langs de randen jong bos van grove den, berk en eik.” Met deze tekst is schetst de Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten een beeld van het Mantingerzand, een van de vier terreinen die ze beheert onder Mantinge, gemeente Westerbork in Drenthe.

Daar steekt de omschrijving van het omringende akkerland schril bij af: “Het beeld is dat van strakke, blokvormige kavels met rechtlijnige wegbeplanting, diepe ontwateringssloten en een netwerk van wegen; er staan moderne bedrijfsgebouwen.”

Het Mantingerzand (208 hectare) behoort met Hullenzand (63 ha.), Lentsche Veen (60) en Martensplek (56) tot de restanten natuur die hier overbleven na de heide-ontginning tussen 1930 en 1960. Het zijn geïsoleerde eilanden, reservaten die hun aansluiting op elkaar en ander natuurgebied missen, als verspreide bloempotten in een vensterbank. Natuurmonumenten spreekt zelfs van een “verstikkende positie” waarin haar bezittingen verkeren.

Maar dat gaat veranderen. Gisteren lanceerde de vereniging een plan om de vier uit hun benarde toestand te verlossen en aan elkaar te breien, zodat een aaneengesloten natuurgebied van circa 1.100 hectare ontstaat: het Mantingerveld. Daarvoor worden de bewuste landbouwgronden, die nu nog een barrière vormen, aangekocht, uit produktie genomen en zoveel mogelijk in hun oorspronkelijke staat van vóór de ontginning hersteld.

"Goudplevier' heet het plan, naar de vogel die tot 1937 op de Drentse hei placht te broeden. Bij de voorgenomen maatregelen zou de soort, die opvalt door haar goudkleurige, met zwart gevlekte bovenkant, op termijn in deze omgeving kunnen terugkeren. Zoals de zwarte ooievaar zijn rentree zou kunnen maken in de uiterwaarden langs de grote rivieren bij uitvoering van het Plan Ooievaar.

Wat Natuurmonumenten bij Mantinge voor ogen staat, is de vorming van een open landschap met relatief voedselarme levensgemeenschappen, van stuifzand via hei naar schrale savanne-achtige graslanden, open water en moeras. Al dan niet aangeplante bossen moeten het natuurgebied begrenzen. Om dit proces te versnellen, wil men de voedselrijke bovenlaag verwijderen, wat betekent dat ongeveer een miljoen kubieke meter "zwarte grond' moet worden verzet. Die massa leent zich vervolgens voor het dempen van sloten en andere waterlopen en het opwerpen van kleine heuvels of ruggetjes in het landschap.

Dit soort werk valt onder de term natuurontwikkeling, te omschrijven als "het bewust creëren van omstandigheden waarin plante- en diersoorten kunnen voortbestaan op plaatsen waar die condities ontbreken, maar in beginsel wel aanwezig zijn'. Natuurtechniek als nieuwe trend en als tegenpool van de "oude' cultuurtechniek. En passend in het regeringsbeleid, zoals vastgesteld in het Natuurbeleidsplan (NBP) van 1990.

Dat NBP gaat uit van een zogenoemde ecologische hoofdstructuur: een duurzaam netwerk van natuurgebieden, verspreid over Nederland en door verbindingszones aan elkaar gekoppeld, zodat bijvoorbeeld kruipend en vliegend gedierte zich van de ene "groene long' naar de andere kan verplaatsen. In dit kader en onder de vlag van natuurontwikkeling moet binnen twintig jaar in heel Nederland 50.000 hectare landbouwgrond in natuurterrein veranderen en daarvoor is ook de streek bij Mantinge aangewezen.

Met het Plan Goudplevier wil Natuurmonumenten die opzet in tien tot vijftien jaar verwezenlijken. Daarbij staat voorop dat de betrokken boeren hun grond, waarop ze vooral aardappels telen, vrijwillig - en vanzelfsprekend tegen betaling - aan de vereniging overdragen. Een deel van het areaal is eigendom van de verzekeringsmaatschappij AMEV.

Een novum is "Goudplevier' niet. Bij Vlagtwedde in Zuidoost-Groningen is Natuurmonumenten al bezig op een voormalige, tien hectare grote akker - het Eemboerveld - de voorwaarden te scheppen voor herstel van de natuur. Dat betekent in dit geval: dalen uitgraven en heuvels opwerpen, zodat de bodem, bestaande uit lemige zandgrond, zijn voor-agrarische glooiingen terugkrijgt. Nog maar twintig jaar geleden werden hier de oude hoogteverschillen gladgestreken in verband met een ruilverkaveling, dus juist ten gunste van de landbouw. Nu is het omgekeerde proces aan de gang ten teken dat de tijd van ontginningen definitief voorbij is.

In Drenthe gaat iets soortgelijks gebeuren op veel grotere schaal en niet alleen in Westerbork. Bij Diever heeft de vereniging inmiddels vijftig hectare weiland aangekocht, voormalige heidevelden, die in voor- en naoorlogse jaren werden omgeploegd om in de toen heersende behoefte aan cultuurgrond te voorzien. Ook daar wil Natuurmonumenten de klok terugzetten door de landerijen, bedekt met hoogproduktief Engels raaigras, aan "herontginning' te onderwerpen. Dat wil zeggen dat de natuur haar oude rechten terugkrijgt, zodat dop- en struikhei in de toekomst weer kunnen gedijen.