De maan is het geweten van de aarde; Het dagboek van Kierkegaard

De Deense filosoof S⊘ren Kierkegaard (1813-1855) was behalve filosoof ook theoloog. Lang voor hij in de jaren vijftig populair werd onder de existentialisten, lazen Nederlandse protestanten zijn geschriften. Hij was geen helder denker, maar wel een groot schrijver. Onlangs verscheen een Nederlandse bloemlezing uit Kierkegaard's dagboek. “Hij moge dan het verschil tussen een tegenspraak en een paradox niet altijd even goed hebben begrepen, toch kon hij meedogenloos consequent denken.”

S⊘ren Kierkegaard: Dagboeken, gekozen en ingeleid door Sybren Polet, vertaald door Cora Polet. Uitg. De Arbeiderspers. Prijs ƒ 49,90.

S⊘ren Kierkegaard: De onmiddellijke erotische stadia of het muzikaal-erotische. Over Mozarts Don Giovanni. Met een inleiding van Etty Mulder. Vertaald uit het Deens door Renée Vink. Uitg. Plantage/C&S. Prijs ƒ 33,50.

S⊘ren Kierkegaard, Denemarken's grootste intellectuele glorie, staat bekend als existentialistisch filosoof, maar hij was ook theoloog. Al lang voor hij in de jaren vijftig populair werd onder de existentialisten, lazen Nederlandse protestanten zijn geschriften. Hij was geen helder denker, maar wel een groot schrijver. Vorig jaar verscheen een Nederlandse bloemlezing uit Kierkegaard's dagboek. “Hij moge dan het verschil tussen een tegenspraak en een paradox niet altijd even goed hebben begrepen, toch kon hij meedogenloos consequent denken.”

door Willem Frederik Hermans

In het jaar 1989 promoveerde G. D. van den Bos op een interessant proefschrift, genaamd Sporen van Kierkegaard, de Nederlandstalige Kierkegaard-literatuur tussen 1880-1930.

Deze dissertatie is vooral zo belangwekkend, omdat eruit blijkt dat Kierkegaard, al lang vóór het existentialisme in de mode was gekomen, het Nederlandse protestants-christelijke sektewezen diepgaand beïnvloed heeft.

S⊘ren (= Severinus, Severijn) Kierkegaard (1813-1855), Denemarken's grootste intellectuele glorie, staat bekend als existentialistisch filosoof. Hij is misschien wel de allereerste existentialist geweest die ooit in dit, ons aardse bestaan werd "geworpen' - zo verging het existentialisten immers.

Kierkegaard was behalve filosoof ook theoloog. En dan beschikte hij bovendien over een welversneden pen, waarmee hij heel wat in de dagbladen schreef. Dit laatste was niet zelden van polemische aard.

Minstens drie denkwijzen mocht hij dus de zijne noemen.

Hoe hij erin slaagde ze te verenigen, zal wel altijd een raadsel blijven voor lezers die de bijzondere kwaliteiten van zijn geest graag erkennen willen, zonder precies te weten tot welke consequenties het denken van Kierkegaard leiden moest.

Aanvankelijk een leerling van Hegel, ontwikkelde hij zich aan de hand van Schelling tot een bestrijder van Hegel.

Zoals men zich herinnert zijn volgens Schopenhauer Hegel en Schelling nagenoeg even grote schavuiten, bedriegers en onzinverkopers.

Hegel, die "Philosophaster' en "Phantast' - evenals Schelling (en Fichte)...

Philosophaster! Wat een prachtig scheldwoord, helaas heden ten dage geheel op non-actief gesteld, omdat de filosofie niemand meer tot een zo hoge graad van opwinding inspireert, dat hij zijn toevlucht tot scheldwoorden neemt.

Zelden is een aanzienlijk wijsgeer zo verschrikkelijk uitgescholden als Hegel door Schopenhauer. En Schelling gaf, schreef Schopenhauer in zijn Preisschrift über die Freiheit des Willens, “uitvoerige inlichtingen over een god, met wie de schrijver een intieme bekendheid verraadt, omdat hij ons zelfs diens ontstaan beschrijft. Het is alleen te betreuren dat hij met geen woord vermeldt hoe hij deze bekendheid dan verworven heeft.”

Woorden die waarschijnlijk niet veel indruk gemaakt hebben op Kierkegaard. Hij meende dat Schopenhauer's leven niet in overeenstemming was met zijn leer - zeer zondig dus, existentialistisch gezien. Kierkegaard beweerde bovendien, dat ongeloof geen twijfel is maar opstandigheid.

Volgens Hegel waren er twee waarheden: een waarheid voor de door-de-weekse dagen en een waarheid voor 's zondags.

Op door-de-weekse dagen mag men zich de vraag stellen welk nut de een of andere waarheid heeft. 's Zondags daarentegen vragen we niet naar het nut van een inzicht, maar smaken we het geluk tot inzicht te zijn gekomen.

Scherpe scheiding dus tussen weekdagen en de zondag, door Kierkegaard als theoloog (of moeten we liever zeggen moralist) nog sterker gevoeld: “Pas op jongeman! Wacht je er voor, te doen wat de dominee als opperste plicht 's zondags behandelt (want, diezelfde dominee neemt op maandag deel aan de samenzwering die je belachelijk maakt en 's zondagsavonds zit hij al in zijn club en jaagt op nieuwtjes, om te zien of iemand gek genoeg zou zijn te gehoorzamen aan wat hij preekt, opdat onze predikant iets kan hebben om over te lachen en om op een vernuftige manier te betreuren).... spel, uitspattingen, echtbreuk, bedrog van weduwen en wezen, lasterlijke verhalen en zo voort, de wereld zal je alles vergeven, maar wacht je er vooral voor ervan verdacht te worden in je (manier van) leven tot uitdrukking te brengen wat de dominee 's zondags preekt: zo niet dan zetten alle duivels een grote mond op. Men zal het je niet vergeven.

Want met die preek van de dominee gooit iedereen het op een accoordje, omdat de trouwe volgelingen heel goed zien welke les er te leren valt uit zijn leven vanaf maandag en men kan dan goed om de schijn te bewaren en lak te hebben aan God en aan een stel jeugdige naïevelingen, het gebruik in stand houden een man zijn brood te laten verdienen door 's zondags de deugd te preken. Maar heus, als je de zondagse regels letterlijk moest toepassen, zou je dan ook niet de predikanten het preken op zondag moeten verbieden?'' (Vertoog over de Wanhoop.)

Schapen

Nietzsche was toen zijn vader stierf zo jong (nog geen vijf jaar), dat hij hem nauwelijks heeft gekend.

De vader van Schopenhauer kwam om het leven als gevolg van een ongeluk dat met grote waarschijnlijkheid een zelfmoord is geweest. Zijn huwelijk was ongelukkig. Schopenhauer haatte zijn moeder.

De vader van Kierkegaard was al zesenvijftig toen zijn jongste zoon geboren werd, die zich zou ontpoppen als Denemarken's grootste filosoof, ook buiten Denemarken beroemd en tot de huidige dag becommentarieerd en bestudeerd, al werd er pas in 1935, dus niet eerder dan tachtig jaar na zijn dood, voor het eerst iets van hem in het Engels vertaald.

Kierkegaard hield veel van z'n vader, die, zwaarmoedig en bigot, volgens menige commentator een noodlottige invloed op de doorgaans diep ongelukkige zoon heeft gehad.

De oude Kierkegaard was een onwankelbare piëtist, een ultra-orthodoxe puriteins protestantse vrome. Hij had niettemin twee zonden op zijn geweten die hij, overeenkomstig de piëtistische ethiek, opbiechtte aan zijn zoon. Dit leidde niet tot een opgewekter gemoedstoestand van de filosoof. Maar hij wendde zich niet van zijn vader af. Heeft hij, afgezien van enkele wat losbandige studentenjaren, zijn vader niet altijd stipt gehoorzaamd? Heeft hij niet de door zijn vader geëiste theologische studie, die hem tegenstond, trouw voltooid, zelfs na de dood van de vader?

Deze, Michael Kierkegaard, een begaafde jongen uit een straatarm gezin, was er zich vroeg van bewust dat hij niet van bijzondere gaven verstoken was. Maar gelegenheid zich te ontwikkelen kreeg hij niet. Tot zijn twaalfde jaar verdiende hij de kost met het hoeden van schapen op de heide van het barre Jutland. En op een dag vervloekte hij luidkeels de God die blijkbaar niet van hem hield of hem strafte voor zonden die hij niet bedreven had.

En o wonder, dit hielp! Een oom nam hem mee naar de "grote' stad Kopenhagen (circa 200.000 inwoners destijds) en daar begon Michael Kierkegaard een handel in wol, textiel, kousen en sokken. Zijn jongste zoon S⊘ren zou deswegen later "S⊘ren Sok' worden bijgenaamd en naar het schijnt is hierdoor de voornaam S⊘ren in Denemarken tot de huidige dag niet geliefd. Wel zijn er heel wat Denen die S⊘rensen van hun achternaam heten, maar daar is niets aan te doen, omdat het verschijnsel natuurlijk ontstaan is in een tijd waarin "S⊘ren Sok' het Deense volk nog niet tot een voorwerp van spot en hoon was geworden.

Michael Kierkegaard had door zijn voormalige schapenhoederij relaties in Jutland die hem wol konden leveren, en hij werd schatrijk.

Maar aan zijn ongeluk kwam geen einde. Na een paar jaar stierf zijn vrouw, kinderloos. Michael huwde daarop zijn dienstbode Anne Lund. Ze was al een maand of vier zwanger. Zwanger... hoe zo? Hij had haar verkracht, bekende hij zijn jongste zoon S⊘ren naderhand, die hier heel wat over heeft afgetobd. Hij kon er zijn moeder niet naar vragen, want deze was gestorven toen haar jongste pas elf jaar oud was.

Onopgelost zal de vraag blijven of Anne Lund, een opgewekte, maar niet bijzonder scherpzinnige vrouw naar men zegt, het haar gefortuneerde werkgever wel zo verschrikkelijk kwalijk genomen heeft dat hij haar verkrachtte en vervolgens trouwde. Zij schonk hem daarna immers nog zes andere kinderen en niets wijst erop dat Michael er ook in het huwelijk een gewoonte van maakte zijn kinderen door middel van verkrachting te verwekken.

(Dit soort oneerbiedige bedenkingen ben ik in de Kierkegaard-literatuur niet tegen gekomen, en of de gedachten van de wijsgeer ooit deze richting zijn uitgegaan, zodat hij deze zonde van zijn oude heer wat luchtiger had kunnen beoordelen, is onbekend. Maar er viel ook eigenlijk niets te lachen. Deze vader was gedwongen twee vrouwen en vijf van zijn zeven kinderen te overleven.)

S⊘ren verloofde zich met een tien jaar jonger meisje - hij was zevenentwintig. De verloving werd geen succes en niet alleen hierom ligt het voor de hand Kierkegaard te vergelijken met Kafka. Het staat vast dat Kafka hem met grote waardering las, en over hem schreef: “Kierkegaard is een ster, maar boven een mij haast ontoegankelijk gebied.” (Aan Oskar Baum, 1917).

Ook Kierkegaard's eenzame leven, zijn houding tegenover het zwakke geslacht - andere vriendschappen of liefdes behalve de ongelukkige voor Regine Olsen zijn niet van hem bekend - vertoont enige verwantschap met Kafka.

Zijn vruchtbaarste jaren braken aan nadat hij de verloving verbroken had. Toen publiceerde hij kort na elkaar een aantal belangrijke boeken: Of-of, een werk van een achthonderd bladzijden, Vrees en Beven, Stichtelijke Redenen, Over de wanhoop, Herhaling, en zo voort, die geen samenhangend denksysteem ontvouwen, maar waarvan de ideeën sterk gebonden zijn aan zijn leven - zijn innerlijk leven, zijn existentie, vanzelfsprekend.

Een uiterlijk leven, dat wil zeggen een van daden en avonturen was hem nagenoeg niet beschoren. Hij bezocht Berlijn enkele malen, maar andere reizen bleven achterwege.

Bijbel

Kierkegaard is een allesbehalve helder denker. Het valt daarom moeilijk zijn filosofie kort samen te vatten, wanneer we afzien van enkele trefwoorden als "existentie' of "keuze'. Het verschil tussen een tegenspraak en een paradox zag hij niet en mogelijk liet het hem zelfs onverschillig.

Hij zal, zoniet altijd en zonder het precies te beseffen, dan toch wel bij tijd en wijle, van mening geweest zijn dat alle wijsheden en waarheden al in de bijbel stonden. Vandaar zijn vroege populariteit onder Nederlandse protestanten. Er bestaan talrijke inleidingen tot het denken van Kierkegaard, haast altijd door theologen geschreven. Iemand die niet theologisch geschoold is en evenmin ooit in het bestaan van een god heeft geloofd, kan toch zeer zeker sommige fragmenten van Kierkegaard waarderen, want hij was een groot schrijver, maar het bepalen van de waarde die Kierkegaard's overpeinzingen al dan niet hebben, is niet voor hem weggelegd.

Wat te zeggen, als bij voorbeeld de Kierkegaardkenner professor R. Bakker staande houdt dat volgens Kierkegaard “de mens pas als mens in eigenlijke zin voor God existeert?”

Zich er bij neerleggen, voor het geval dat het niet anders kan, dan maar in oneigenlijke zin te existeren, zal de enige oplossing zijn, maar ik wil er wat onder verwedden dat professor Bakker dit niet heeft bedoeld. Welke consequenties een en ander heeft, welke paden vervolgens nog te vinden en te volgen zijn, daarover zal ik me niet uitlaten.

Mozart's opera Don Giovanni fascineerde hem in hoge mate. Hij was zelf vrijwel het tegendeel van een Don Juan, dus mag ons dit niet verbazen. Zijn onlangs in het Nederlands vertaalde studie De onmiddellijke erotische stadia of het muzikaal-erotische, met een inleiding van Etty Mulder, is desondanks vrees ik niet zijn boeiendste geschrift. Maar wat wil ik? Ik houd nu eenmaal niet zo veel van Mozart, wiens nachtmuziek klein was en wiens dagmuziek niet veel groter, want hij was een muzikaal wonderkind - met de nadruk op kind.

Kierkegaard heeft een dagboek nagelaten.

Hieraan schreef hij van 1834 tot 1855 en De Arbeiderspers heeft het vorig jaar er een door Syben Polet gekozen vrij uitvoerige bloemlezing uit gepubliceerd.

Polet schreef er ook een inleiding bij, die tal van behartigenswaardige opmerkingen bevat. Zo zou hij wel eens gelijk kunnen hebben als hij meent dat Kierkegaard's dagboek minder sterk verouderd is dan zijn vermaarde hoofdwerken.

En zeker zullen zij die zich geen christen noemen en onverschillig staan tegenover elke godsdienstige bespiegeling, liever het dagboek lezen dan zich ten koste van veel "zelfwerkzaamheid' (wat Kierkegaard van zijn lezers eiste) bij voorbeeld door Of-of heen te worstelen.

Men denke nu niet dat Kierkegaard's journaal een autobiografisch dagboek is, waarin hij gebeurtenissen uit zijn dagelijks leven vastlegde: min of meer banale belevenissen, ontmoetingen, gesprekken die hij voerde en dergelijke. Niets van dit alles, of bijna niets. Heel dikwijls zijn de aantekeningen ongedateerd. Hij legde zijn invallen vast, hij noteerde zijn ideeën.

Met de Ideën van Multatuli zijn z'n aantekeningen ook maar tot geringe hoogte te vergelijken. Anders dan onze vaderlandse onruststoker, was Kierkegaard er niet op uit alle genres te beoefenen: realistische verhaalfragmenten, sprookjes, aforismen, en zo voort. Kierkegaard's dagboek is wel degelijk het dagboek van een wijsgeer, een denker die alleen maar denken wilde - en zo nu en dan ook wel met de kerk polemiseren. Hij beschouwde zich zelf trouwens als wijsgeer en schrijver, wilde niets anders zijn. Hij was ervan overtuigd dat hij een groot schrijver was. (Misschien was Multatuli dit ook wel, maar hij zei het nooit hardop, want hij keek neer op schrijven als vak, of, juister misschien, hij zag er het nut niet van in te midden van een heleboel schrijvende nulliteiten.)

Kierkegaard liet, hoeveel vijanden ook hij had, zich niet van de wijs brengen.

Zijn plastisch inzicht was zo groot als van de grootste dichters die ooit hebben geleefd. “De maan is het geweten van de aarde.” Wat het moet betekenen, weet ik niet precies, maar wel dat het mooi is.

Hij moge dan het verschil tussen een tegenspraak en een paradox niet altijd even goed hebben beseft, toch kon hij meedogenloos consequent denken, wat voor hem als humorist, want dit was hij in veel opzichten, van groot belang is geweest.

Op 15 december 1834 schreef hij:

“Waarschijnlijk bedient de politie zich van een penning, voorstellend een hand met een oog in het midden, om aan te geven dat zij een oog op iedere vinger heeft; maar omdat dit oog niet ook op de duim voorkomt, wil dit zeggen dat zij ook over een vinger beschikt om òp het oog te leggen wanneer dit nodig is.”

“Ik ben niet bijzonder muzikaal”, noteerde hij in 1840, “en de posthoorn is het enige instrument dat ik soms bespeel. Als ik nu zie dat men van plan is hem te vervangen door de gewone trompet en dat men wil dat de postillons op een examen voorspelen is het de hoogste tijd voor een afscheidsrede. Jammer dat het vervoerswezen niet kan verordonneren dat de vogels bepaalde gevoelige stukken op hun programma moeten zetten in plaats van dat zinloze, opdringerige gekwetter waar geen mens iets aan heeft en waaruit hij geen echte verrijkende bevrediging kan putten - daarnaast zou men gepensioneerde journalisten en andere gevallen grootheden in de diverse bosdistricten aan kunnen stellen als echo.”

Waarschijnlijk met het oog op Hegel en Schopenhauer meende hij: “Met de meeste systematici en hun systemen gaat het als met de man die een reusachtig kasteel bouwt en er zelf naast woont in een schuur; ze wonen niet in hun reusachtig systematische bouwwerken. Op het gebied van de geest is en blijft dit echter een doorslaggevend bezwaar. Geestelijk begrepen moeten de gedachten van een man het bouwwerk zijn waarin hij woont - anders zit hij fout.” (1846)

Hij was wel als Multatuli een bijtende moralist: “Als ik toen ik jong was, zag dat een man aangevallen werd en ook dat veel mensen toeschoten om een eind aan die aanval te maken, dacht ik (toen, toen ik jong was): mijn hemel, dat is vast en zeker een gevaarlijke aanval. Nu ik wat ouder ben denk ik, als ik zie dat een man aangevallen wordt en ook dat veel mensen toeschieten om een eind aan die aanval te maken: aha, die aanval is niet gevaarlijk, want er zijn veel mensen die er een eind aan willen maken.” (1846-1847).

Schraal

Kierkegaard's gezondheid was slecht.

Hij had niet, zoals vaak beweerd is, een bochel, maar liep, amechtig, toch zeer krom.

In 1846, pas drieëndertig jaar oud, dacht hij al dat zijn productiviteit voorbij was. Hij zou nog negen jaar leven die hij gedeeltelijk aan verbitterd twistgeschrijf besteedde. Hoogstwaarschijnlijk heeft dit geen onmisbare bouwstenen aan zijn monumentale onsterfelijkheid geleverd, maar je zou een Deen moeten zijn en de geschiedenis van die tijd grondig kennen om dit met verstand van zaken te beoordelen.

Kierkegaard was klein van stuk, schraal van gestalte, maar om zijn geestigheid niet overal een onwelkome gast. De andere wereldberoemde Deen van dat tijdperk, de sprookjesverteller Andersen, was een goedmoedige reus. Geregeld werd hij door Kierkegaard belachelijk gemaakt en wist daar niet goed raad mee.

Kierkegaard's (zogenaamde) dagboekaantekeningen waren lang niet allemaal tot strikt persoonlijk gebruik bestemd, waarmee ik bedoel: haastig neergeschreven, slordig eventueel, alleen als geheugensteuntje bedoeld.

In tegendeel.

Hier en daar is zelfs de domineestoon vol retorische herhalingen onmiskenbaar. Het lijkt of de dagboekschrijver zichzelf dan een menigte zag toespreken. Klachten over de kleinheid van het land waar hij gedwongen was te leven en te schrijven, in een taal die door de rest van de wereld niet gelezen werd, land dat hem miskende en mishandelde, maar dat (en hieraan twijfelde hij niet) na zijn dood trots op hem wezen zou, zijn talrijk.

“Geen stad in Europa is zo demoraliserend als Kopenhagen.”

Schrijvers in andere kleine landen doen verstandig hier niet al te diep op in te gaan, om de schijn te vermijden dat zij, in een soortgelijk klein land als Denemarken geboren, medelijden met Kierkegaard willen opwekken dat ook hun zelf ten goede zou kunnen komen, of zich hoopvol aan zijn laat gekomen roem vastklampen als aan het achterbalkon van een tram. Neen. Zelfs dit beeld is niet treffend omdat moderne trams geen achterbalkons meer hebben waaraan waaghalzen die gratis willen meerijden, zich vastklampen.