Bij de bank

Sinds meneer Geld op dieet is, voelt hij zich een stuk beter. Hij eet niet langer honderd munten per dag.

Zijn vrouw schept er nog maar negentig op zijn bord. Bovendien is zijn menu tegenwoordig veel gevarieerder. Behalve vijftien stuivers, verorbert Zak Geld dagelijks vijftien dubbeltjes, kwartjes, guldens, rijksdaalders en munten van vijf gulden. Nu hij iedere dag hetzelfde eet, komt zijn gevoel van eigenwaarde snel terug.

De dokter is tevreden en heeft tegen meneer Geld gezegd dat hij niet meer langs hoeft te komen. De klanten op de markt merken hoe hij veranderd is. Goh, zeggen ze, wat bent u tegenwoordig toch goedgehumeurd. En ze vinden in zijn kraam steeds vaker iets van hun gading. De zaken floreren.

Aan het eind van de week brengt meneer Geld de opbrengst van zijn handel naar de bank. Nogal wat bankbiljetten, en een grote jutezak voor de munten.

De directeur van de bank vraagt of ze elkaar even kunnen spreken. Hij draagt een donkerblauw pak met een krijtstreep, en heeft een frivole bloemetjesdas voorgestrikt. “U brengt steeds meer geld hier. Wat denkt u met al uw geld te gaan doen”, informeert de bankdirecteur belangstellend. Daar heeft Zak Geld nog nooit over nagedacht. Hij was tot nu toe al lang blij wanneer hij aan het einde van de maand alle rekeningen kon betalen.

“Ga in zaken!” zegt de man van de bank, “laat het geld voor u werken.” “Ik ben al handelaar”, protesteert meneer Geld. De bankdirecteur schudt zijn hoofd. “U handelt nu in ongeregelde goederen. U koopt her en der oude boeken, een partij serviesgoed, kleren en ik weet niet wat nog meer. Na verloop van tijd slijt u de meeste van die spullen - meestal met een flinke winst - aan bezoekers van de markt. In die handel zit een beste boterham. Maar waarom gaat u ook niet in andere zaken?”

Meneer Geld snapt er niets van. De bankdirecteur legt het hem uit: “U houdt elke week een mooie spaarduit over. Op dit moment bewaren wij uw geld en vergoeden u acht gulden rente voor elke honderd gulden die u een jaar aan ons hebt toevertrouwd. De bank leent uw geld vervolgens uit aan mensen die het nodig hebben. Zij betalen ons tien gulden rente voor elke honderd geleende guldens. Wij krijgen tien gulden rente, en vergoeden u er acht. De twee gulden renteverschil is voor de bank. Wij moeten ook leven.”

“Dat lukt wel, dacht ik”, onderbreekt Zak Geld de bankier, en kijkt om zich heen in de luxueus ingerichte kamer.

“U kunt uw spaargeld ook zelf aan anderen uitlenen”, vervolgt de bankdirecteur onverstoorbaar. “U stopt het in de zaak van iemand anders. Die betaalt u rente of geeft u in ruil een aandeel van zijn winst.”

Zak Geld ziet zichzelf al in andermans zaken. Nadat hij geld heeft uitgeleend aan de garagehouder, de slijter en de boekwinkel, betalen die hem jaarlijks rente. “Het lijkt me wel wat”, zegt hij tegen de bankman. “Maar als ik uw advies opvolg, krijgt u minder te doen. Dat is niet in uw belang. Waarom raadt u mij dit aan?”

“Meneer Geld”, verzucht de directeur, “onze bank is bang dat u hier de komende tijd zoveel geld brengt dat wij het niet meer allemaal kunnen uitlenen. Een fiasco dreigt!”

(wordt vervolgd)