Alsof de Dode Zee achter de verdwenen Muur ligt; Manifestatie 'Judische Lebenswelten' in Berlijn

“De tragiek van de Duitse joden was dat ze zo graag Duitsers wilden zijn, hoewel de Duitsers daar niet op zaten te wachten.” In een geteisterd gebouw, omgeven door kapotgereden straten en halfgesloopte stukken Muur, is in Berlijn de grootste joodse tentoonstelling van de eeuw te zien: Jüdische Lebenswelten. Marcel Möring reisde erheen en zag een genadeloos correcte presentatie van tweeënhalfduizend stukken: schitterende thora's, gebedenboeken, talmoeds, schilderijen, maquettes en kledingstukken. “Het jodendom is nooit een cultuur geweest die zich voor liet staan op fijnzinnige esthetiek. Het meeste wat is vervaardigd en wat wij mooi vinden is mooi met een reden.”

Jüdische Lebenswelten (Martin-Gropius-Bau, Stresemannstrasse 110) duurt tot 26 april en is dagelijks geopend van 10 tot 20 uur, vrijdag en zaterdag van 10 tot 22 uur. Er zijn een catalogus en een essaybundel verkrijgbaar voor 55 DM. (Tel 09-493025486108). Gedurende de tentoonstelling zijn theatervoorstellingen (werk van o.a. George Tabori, Walter Jens en Isaac Babel) te zien, en er worden concerten met joodse muziek georganiseerd (Inl Berliner Festspiele, Budapester Strasse 50, 1000 Berlin 30, tel 09-4930254890).

Gershom Scholem studeerde al geruime tijd wiskunde, toen hij omstreeks 1919 zijn aandacht verlegde naar de judaïstiek. Het enthousiasme van zijn omgeving was niet groot. Zijn familie was zeer geassimileerd en met name zijn vader voorzag alleen maar ellende: “Mijn zoon interesseert zich voor wiskunde, voor zuivere wiskunde. Ik zeg tegen mijn zoon; wat wil je? Als jood heb je geen kans op een universitaire loopbaan. Je kunt geen goede betrekking krijgen. Ga naar een technische hogeschool en word ingenieur, dan kun je in je vrije tijd zoveel aan wiskunde doen als je wilt. Nee, mijn zoon wil geen ingenieur worden, alleen maar zuivere wiskunde doen. Mijn zoon interesseert zich voor jiddisjkat. Ik zeg tegen mijn zoon: word alsjeblieft rabbijn, dan kun je zoveel jiddisjkat hebben als je maar wilt. Nee, mijn zoon wil op geen enkele manier rabbijn worden. Kunsten die niets opbrengen.”

In Scholems familie hadden alleen de vrijdagavond en de seider (de avond voor het joodse pasen) stand gehouden. Dan kwam men bij Scholems grootmoeder samen en werd kiddoesj gezongen, het gebed waarmee de sjabbat wordt ingewijd, hoewel bijna niemand nog wist wat de Hebreeuwse woorden betekenden. Na het eten werd het verbod op het maken van vuur overtreden door sigaren en sigaretten aan de sjabbatkaarsen aan te steken.

Bij de familie Blumenfeld was het nog een graadje erger. In zijn autobiografie vertelt Erwin Blumenfeld: “De familie Roelofsz was vromer dan wij. Uit gewetenswroeging was er bij ons geen ham op Jom Kippoer (Grote Verzoendag, een vastendag). Bij Roelofsz aten ze die op zaterdag ook al niet. Ook noemden ze de synagoge ”tempel', dat klonk heiliger. Met kerstmis hadden ze een chanoekkerstboom.”

Blumenfeld, evenals Scholem in 1897 geboren, werd uiteindelijk fotograaf, werkte voor Life, Vogue en Harper's Bazaar en schreef een hysterische autobiografie, Spiegelbeeld. Hij overleed in 1969. Scholem werd kabbalist en een autoriteit op het gebied van de joodse mystiek. Hij overleed in 1982. Twee Berlijners die de bloeitijd van het Duitse jodendom meemaakten en overleefden. Blumenfeld vluchtte naar Amerika, Scholem ging vroegtijdig, in 1923, naar Israël. Blumenfeld's jeugd was één grote verkenning van al het duistere dat Freud nog niet lang zo lang geleden bijeen had getheoretiseerd. Scholem was een brave jongen die via socialisme, zionisme en wiskunde terechtkwam in de schemering van de joodse mystiek, de wereld van de kabbala. Hij schreef eveneens een autobiografie: Van Berlijn naar Jeruzalem.

Hoe groot het verschil tussen die twee mannen ook was, de kloof tussen hen was minder groot dan die tussen joodse en niet-joodse Berlijners. Scholems vader mocht judaïstiek dan een kunst vinden die niets opbrengt, dat was niets vergeleken met de reactie van de, niet-joodse, universitaire wereld.

“De studie van joodse onderwerpen werd destijds aan de universiteit bepaald niet aangemoedigd. Tegenwoordig, nu er bijna geen joden meer in Duitsland zijn, willen alle Duitse universiteiten een leerstoel voor judaïstiek hebben; toen er nog een levend jodendom was waarin het sterk gistte, wilde geen universiteit en geen ministerie waar ook in Duitsland daar iets van weten. Aan pogingen in die richting heeft het honderd jaar lang niet ontbroken; ze zijn alle mislukt,” schrijft Scholem in Van Berlijn naar Jeruzalem. Zijn bitterheid toont zich in een citaat dat hij aanhaalt. “Het is nu eenmaal zoals Heinrich Heine schreef: Als er maar één jood in de wereld was, zou de hele wereld komen aanlopen om hem te zien. Nu er te veel zijn, wil men er zo min mogelijk zien.”

En dat was nog maar één obstakel. Niet alleen was het vrijwel onmogelijk om joodse vakken te studeren, ook een behoorlijke universitaire loopbaan in willekeurig ander vak zat er niet in.

...

In een geteisterd gebouw, op een kaal stuk land, omgeven door kapotgereden straten en plassen en halfgesloopte stukken Muur, hebben de Berliner Festspiele de grootste joodse tentoonstelling van de eeuw ingericht: ”Jüdische Lebenswelten'. Op vierenhalfduizend vierkante meter zijn tweeënhalfduizend stukken bijeengebracht. Het is ”the show to end all shows', een tentoonstelling die even definitief is als de besluiten van de Wannsee-conferentie, een perfecte illustratie van Heine's uitspraak. Vergeleken met de periode voor de oorlog, toen er 160.000 joden leefden, is er in Berlijn immers nauwelijks nog sprake van normaal joods leven.

De beste manier om de expositie te zien is door erheen te lopen, vanaf Bahnhof Zoo, over de megalomane Kurfürstendam, door Kreuzberg, naar de post-nucleaire Stresemannstrasse. Je laat de gezichtsloze nieuwbouw van het centrum achter je, komt in woonbuurten die doorsneden worden door bovengrondse sporen, waar geen Mercedessen meer rijden, en glijdt langzaam tussen de grauwe woonblokken door, over braakliggende veldjes, langs puinhopen die de voormalige grens tussen oost en west aangeven. Hier liggen kapotte tv's op straat, heeft een eenzame idioot ”Ausländer raus' op een elektriciteitskastje geschreven, ergens op een kruispunt waar geen hond het ziet. Hier vervoeren rochelende diesels hoog opgetaste ladingen puin die op stuivende belten worden gestort. Roestige hekken zwaaien op de wind, zand stuift over het asfalt, de trottoirtegels klepperen onder je voeten.

Een kampje waar stadsnomaden in oude legertrucks en wielloze bussen huizen is het laatste restje ongeregeld verval. Daarna, achter wat woonblokken waar voornamelijk Vietnamezen leven, ontvouwt zich een merkwaardige vlakte met strenge gebouwen in georganiseerd verval. Eén pand is in redelijk vergevorderde staat van renovatie, een ander gaat straks de ”Landesabgeordneten' huisvesten en wordt onder handen genomen. Daarachter, bewaakt door twee onthoofde standbeelden, zwart uitgeslagen, beklad, één mist beide benen: de Martin-Gropius-Bau. Je vraagt je af hoe lang die oorlog eigenlijk is geleden.

De wandeling is belangrijk. Het is de enige manier om de schizofrenie van Berlijn te zien, een gespletenheid die zich in het museum doorzet. Omhuld door verval is daar een tentoonstelling neergezet zoals alleen de Duitsers die kunnen maken: compleet, vlekkeloos, tot op de millimeter zorgvuldig, genadeloos correct.

De eerste zaal alleen al: Zur Geschichte des jüdischen Volkes in der Antike. Materiaal dat je nooit meer zo bij elkaar zult zien, in ieder geval niet in Europa. Een stuk steen uit de tweede Tempelperiode, eerste eeuw. Dode Zee-rollen. Een prachtig mozaïek uit de Beth Shean-synagoge, zesde eeuw. Een lemen schrijftafel uit Kumran, de kloosterachtige nederzetting waar de Essenen leefden en de Dode Zee-rollen schreven. De vloer is met ruwe, zandkleurige verf beschilderd. Alsof de Dode Zee achter de verdwenen Muur ligt.

In die zaal vraag je je af hoe ze zoveel uniek materiaal bijeen hebben gekregen en je verbaast je over de doordachte manier waarop alles is geëxposeerd. Dat gevoel blijft als je het vierkant van zalen bewandelt dat om het hart van de expositie ligt. Er zijn zelden getoonde thora-rollen, er zijn schilderijen, maquettes, boeken, documenten, kledingstukken. Alles prachtig uitgelicht. Voor sommige stukken zijn vitrines op maat gemaakt. Elke ruimte waarin het jodendom in een bepaald land wordt belicht heeft een eigen kleur en toon: Marokko is Marokko, Amsterdam Hollands, Jemen jemenitisch.

In het hart van de expositie bevindt zich de ”Lichthof', een groot atrium waar, onder een schitterend baldakijn, een uitgelezen collectie gebedenboeken, thora's en talmoeds ligt. Zesentachtig bijzondere stukken, waaronder vele met adembenemende miniaturen. De zaal van het woord, de plaats van samenkomst, het brandpunt, het centrum.

Vierenhalfduizend vierkante meter, tweeënhalfduizend stukken. Als dat allemaal is gezien, wat heb je dan gezien?

...

Ik drink koffie uit een enorme beker, in de lunchroom van de Gropius-Bau. De wand wordt in beslag genomen door vitrines met joodse kranten en tijdschriften in het jiddisch, hebreeuws en andere talen. Er is een leesrek waar recente uitgaven hangen. Niemand die zo'n krant pakt en erin leest. Er wordt Kaffee gedronken, Kuchen gegeten en Marlboro gerookt.

Bij het uitgifteloket heb ik thee bestelt, maar ”es gibt nur Kaffee'. Terwijl ik op mijn beker wacht, lees ik het menu. Een beetje koshere jood moet hier zijn eigen trommeltje met boterhammen meenemen. Wel Schinken, geen kippesoep. Niet eens, levenswater der chassidiem, thee.

...

Het jodendom is nooit een cultuur geweest die zich voor liet staan op fijnzinnige esthetiek. Het meeste wat is vervaardigd en wat wij mooi vinden is mooi met een reden. Tussen een verluchtigde thora en een op krantepapier gedrukt exemplaar is geen verschil. Beide zijn heilig en worden ten grave gedragen als ze beschadigd zijn. De waarde van een boek is in het jodendom altijd een inhoudelijk begrip. De band mag worden stukgelezen, de bladzijden mogen vet en vies worden, als er maar uit kan worden geleerd. Soms is geen boek zelfs beter.

De grondlegger van de chassidiem, de Baal Shem Tov, weigerde zijn woorden te laten vastleggen. Toen hij een keer een demon door het huis zag gaan die een boek in zijn hand hield, vroeg de Baalshem wat voor een boek dat was. “Dat,” zei de demon, “is het boek dat U hebt geschreven.” De Baalshem riep zijn mensen bijeen en vroeg wie zijn lessen noteerde. Iemand stapte naar voren en toonde wat hij had aangetekend. De Baalshem bekeek het zorgvuldig en zei toen: “Daar staat geen enkel woord in dat ik gezegd heb.” Een latere chassidische rebbe, Mendel van Kotzk, gaf nog een verklaring waarom het overbodig kan zijn om kennis te noteren. Zijn volgelingen vroegen hem waarom hij geen boek schreef en hij antwoordde: “Laten we nu eens aannemen dat ik een boek geschreven had, wie gaat het kopen? Onze eigen mensen gaan het kopen. En wanneer komen onze eigen mensen ertoe een boek te lezen, als ze de hele week in beslag worden genomen door de inspanning van hun beroep? Op de sjabbat, dan komen ze ertoe het te lezen. En wanneer komen ze ertoe op de sjabbat? Eerst de rituele wassing, dan het verplichte studeren en bidden en dan het sabbatsmaal. Maar na het sabbatsmaal, dan komt men ertoe een boek te lezen. Dan gaat iemand op de sofa liggen en neemt het boek ter hand en slaat het op. En omdat hij volgegeten en slaperig is, sluimert hij in en het boek valt op de grond. Zeg nu zelf: Waarom zou ik een boek schrijven?”

Vorm draagt inhoud over en als vorm inhoud in de weg staat is geen, of een slechte, vorm beter.

“Zoals in een blad de kracht van de wortel is, zo is ook in ieder gebruiksvoorwerp de kracht van de mens die het gemaakt heeft,” zei de Baal Shem Tov tegen zijn leerlingen. Hij wees op een mooie bierkruik die op de grond stond. ”Is zo aan deze kruik niet te zien, dat ze gemaakt is door een man zonder voeten?' Een leerling nam de kruik op om hem op een bank te zetten, maar zodra ze stond, viel ze in stukken uiteen.”

Dat is een overgeleverde vertelling. Er zijn er meer, sommige vroom, sommige minder vroom. Er zijn er zelfs bij die alleen maar komisch zijn, zoals bijna alle joodse teksten op de een of andere manier gebruik maken van humor als middel om de boodschap over te dragen. Wie leest Abrahams onderhandeling met God, over het lot van Sodom, zonder te glimlachen?

“Dus U wilt echt alle inwoners doden?”

“Allemaal.”

“Maar stel: er zijn vijftig rechtvaardigen onder hen?”

“Dan zullen zij gespaard worden.”

“Maar misschien zijn het er net geen vijftig. Misschien scheelt het maar vijf...”

“Ook als er maar vijfenveertig rechtvaardigen zijn, zullen zij gespaard worden.”

“Veertig?”

Zo wordt de joodse God geen keiharde kern van leerstelligheid, geen eendimensionaal opperwezen. Zo is Abraham, die als aartsvader makkelijk al te mythisch kan worden, nog steeds een mens.

...

Dat mis je in ”Jüdische Lebenswelten', het menselijke, het gesjacher, de humor, de stank van een chassidisch leerhuis waar 's ochtends om vijf uur veertig mannen met natte jassen binnen zijn gekomen en daar de rest van de dag zitten lernen. De geur van zweet en ongewassen lichamen mis je, de geur van boterkoek en kugel. De inhoud die door de vorm wordt overgedragen.

Misschien, denk ik, als ik mijn beker koffie leeg en opsta, misschien hadden ze onder die prachtige tent geen vitrines met kostbare handschriften moeten neerzetten, maar een gigantische ketel kippesoep.

...

De tentoonstelling wordt begeleid door een drie maanden durend theater- en muziekprogramma dat een even angstaanjagend gevoel van compleetheid oproept als ”Jüdische Lebenswelten' zelf. Tabori's Mein Kampf, ladino en jiddische liederen, een chassidische rockband, klezmer-orkestjes, An-ski's ”Dibbuk', muziek van Meyerbeer, Copland en Biermann.

Compleet. Vreselijk compleet.

Liever had ik een bescheiden tentoonstelling waar de foto's geen foto's bleven maar tot leven kwamen, waar iets van synagogaal rumoer hoorbaar was, waar het rook en stonk, waar bloed in zat.

Maar het bloed is er in Berlijn natuurlijk al vijftig jaar uit.

...

In de tentoonstelling is een zaaltje waar documenten liggen die aangeven hoe de Duitse joden langzaam werden afgezonderd van hun medeburgers. Op 5 januari 1340 is de druk van speciale belastingen zo groot geworden voor de joodse gemeente van Speyer dat ze bij keizer Ludwig van Beieren een schuld van 1200 pond heeft. Er wordt een overeenkomst met de stadsraad opgesteld. De joden van Speyer krijgen 1100 pond van de stad, tegen een rente van 100 pond jaarlijks, te betalen op kerstmis. Als onderpand moet de joodse gemeente haar gehele gemeenschappelijk bezit in onderpand geven: synagoge, kerkhof, bakkerij en ritueel bad.

Een paar zaaltjes verder ligt een exemplaar van een gedrukt synagogegebed, uitgesproken ter gelegenheid van het zilveren huwelijksfeest van het Keizerlijk paar. In de buurt van dat gedrukte gebed staat een beker die de inwijding van de synagoge aan de Fasanenstrasse herdenkt. Tijdens de Kristallnacht werd de synagoge in brand gestoken. Er bleef zo weinig over dat het gebouw in 1958 uiteindelijk werd afgebroken.

De tragiek van de Duitse joden was dat ze zo graag Duitsers wilden zijn, hoewel de Duitsers daar niet op zaten te wachten. In de Eerste Wereldoorlog vocht men mee voor het Duitse Vaterland en stierf net zo veelvuldig als de anderen. Men las Goethe en dweepte met Wagner (Gershom Scholems grootvader ging zich zelfs Siegfried noemen) en sloot de ogen voor een vijandschap die er al sinds de kruistochten was.

”Jüdische Lebenswelten' lijkt een voorschot op het Joods Historisch Museum waar Duitsland het zo moeilijk mee heeft. Heel lang leek het er echt van te komen, maar nu de eenwording van de twee Duitslanden duurder blijkt te zijn dan verwacht, is de aarzeling toegenomen. Daar wordt in joodse kring verontwaardigd op gereageerd. Je vraagt je af waarom. Er is maar één reden waarom er een Joods Historisch Museum in Duitsland moet komen. Dat is als de Duitsers het willen. Zonder die motivatie wordt het een opslagplaats van voorwerpen, zoals ”Jüdische Lebenswelten' dat, in al zijn schoonheid, is. Een museum, of een tentoonstelling, waar geen leven in zit, is een steen op een graf.

Als er maar één jood in de wereld was, zou de hele wereld komen aanlopen om hem te zien. Nu er te veel zijn, wil men er zo min mogelijk zien, zei Heine.

Hoe druk wordt het in Berlijn?