Akzo pionier in Vut-kwestie

ROTTERDAM, 24 JAN. Na bijna 23 uur onderhandelen was de opluchting niet meer van het gezicht van voorzitter dr. A. van Es van Akzo Nederland af te lezen. Maar onderhuids had hij een intens tevreden gevoel. Want na vier jaar discussie over "ouderenbeleid' is het concern er in geslaagd de collectieve regeling voor vervroegd uittreden af te schaffen. “We hebben kans gezien een elegante bocht te nemen en deze weerbarstige, lastige en moeilijke materie samen met de vakorganisaties beet te pakken”, aldus Van Es.

Hiermee pioniert Akzo op een terrein in het arbeidsvoorwaardenbeleid dat nog nauwelijks is ontgonnen, maar dat, als de voortekenen ten minste niet bedriegen, de komende jaren intensief zal worden bewerkt.

De aanval op de Vut werd half december nieuw leven ingeblazen door het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW), dat “de verwording van de Vut” aan de kaak stelde.

De kritiek op de Vut spitst zich toe op drie punten. In de eerste plaats is de oorspronkelijke bedoeling van de regeling achterhaald. De Vut dateert in de meeste gevallen uit het eind van de jaren zeventig, toen de werkloosheid snel opliep. Het stimuleren van vervroegd uittreden van oudere werknemers werd toen gezien als een geschikt instrument om banen voor jongeren te scheppen. Dat sloeg geweldig aan. Begin jaren tachtig zaten zo'n 30.000 werknemers in de Vut, vorig jaar waren het er meer dan vier keer zoveel. Uit onderzoek van de Dienst Collectieve Arbeidsvoorwaarden van het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid bleek twee jaar geleden dat in CAO's voor in totaal ruim 3,6 miljoen werknemers Vut-regelingen waren opgenomen: al het overheidspersoneel, vrijwel alle werknemers in aan de overheid gelieerde bedrijven en instellingen en tweederde van alle werknemers in de marktsector. Tegen deze achtergrond beschouwden werknemers de Vut steeds vaker als een verworven recht, zulks tot toenemende ergernis van sommige werkgevers.

In de metaalindustrie en bij Akzo klonken in de tweede helft van de jaren tachtig de eerste protesten tegen de Vut, want - in de tweede plaats - met de populariteit stegen de kosten. Het NCW becijferde vorige maand dat de Vut-lasten in de bouw, metaal en groothandel inmiddels zijn opgelopen tot 4 à 5 procent van de loonsom, in de zuivel en in de grafische industrie tot 7 à 8 procent en in onder meer de textielindustrie zelfs nog hoger.

Pag 14:

Door vergrijzing wordt de Vut te duur

Door de vergrijzing van de werkende bevolking zal de Vut de komende tijd een steeds groter deel opslorpen van de "loonruimte' die beschikbaar is voor verbetering van de arbeidsvoorwaarden. Kortom, in sommige sectoren dreigt de Vut onbetaalbaar te worden.

Tenslotte is daar - in de derde plaats - de afgelopen jaren de zorg bijgekomen over de relatief lage participatiegraad in Nederland. Meer mensen moeten aan het werk, wil althans een substantieel deel van de bestaande sociale regelingen overeind gehouden kunnen worden. In Duitsland werkt meer dan de helft van de 50-plussers, in Nederland amper eenderde. Een dergelijke vorm van "kapitaalverspilling' kan Nederland zich niet langer veroorloven, was ook de boodschap van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in het eind 1990 verschenen rapport "Een werkend perspectief'. Daarin werd ook de aanbeveling gedaan op langere termijn kritisch te kijken naar de (collectieve) pensioenleeftijd van 65 jaar.

Terug naar Akzo. Daar werd in het CAO-overleg in 1988 afgesproken dat de Vut-leeftijd in 1990 zou worden verhoogd van 60 naar 62 jaar. Voor de langere termijn ging vorig jaar een speciale werkgroep (met vertegenwoordigers van bedrijf en vakbonden) aan de slag, die in oktober rapporteerde dat “ouderenbeleid bij de indiensttreding moet beginnen”. Daarop voortbordurend is in het CAO-overleg gezocht naar een meer individueel systeem van regelingen, met als doel de beschikbare capaciteiten van oudere werknemers zo zinvol mogelijk te benutten en af te stappen een collectieve leeftijdsgrens.

Bij Akzo is nu in principe afgesproken dat werknemers het recht houden om tussen 60 en 65 jaar geheel of gedeeltelijk vervroegd uit dienst te treden. Voor werknemers die vòòr 1934 zijn geboren houden recht op compensatie van inkomensverlies als gevolg van geheel of gedeeltelijke uitdiensttreding (tot maximaal 80 procent van het inkomensverlies over maximaal drie jaar). Voor de werknemers die zijn geboren tussen 1934 en 1943 neemt deze maximale compensatie stapsgewijs af al naar gelang de collectieve Vutleeftijd wordt verhoogd (vanaf 1997 elke twee jaar met een half jaar).

Voor de Akzo-werknemers die zijn geboren in 1943 of later bestaat geen recht meer op compensatie van inkomensverlies door geheel of gedeeltelijk vervroegd uittreden tussen 60 en 65 jaar. Zij mogen op die leeftijd wel met Vut gaan, maar dan moeten ze daar zelf tijdig geld voor op zij zetten. Op termijn worden zo de Vut-lasten, die bij Akzo geheel voor rekening van het concern komen, lager. Het geld dat hierdoor beschikbaar komt zal zowel aan "activerend ouderenbeleid' als aan de werknemers worden besteed. Voor het geld dat in 1997 beschikbaar komt (doordat de Vut-leeftijd dan als eerste stap wordt verhoogd naar 62,5 jaar) is afgesproken dat eenderde naar het ouderenbeleid vloeit en tweederde voor de werknemers beschikbaar komt. (uitgedrukt in gulden van 1992 gaat komt in 1997 ongeveer 12 miljoen gulden aan Vut-gelden vrij).

Over de besteding van het werknemersdeel zullen de vakbonden te zijner tijd voorstellen doen. Samen met de bonden zal Akzo een spaarregeling maken voor werknemers die tussen 60 en 65 jaar in deeltijd willen gaan werken of vervroegd willen uittreden. Dat wordt dan een individuele spaarregeling, die gemakkelijk kan worden "meegenomen' als de werknemer eerder bij Akzo vertrekt.