Verbale strijd over lager minimumloon nog onbeslist

DEN HAAG, 23 JAN. Een jaar lang discussieerden ze via de media, over elkanders hoofden heen. Enerzijds de minister, anderzijds de wetenschappers. Pas gistermiddag kwam de confrontatie. Op het ministerie van sociale zaken ging minister B. de Vries, gesteund door zijn ambtelijke top, het verbale gevecht aan met prof. H.P.M. Adriaansens en prof. W.J. Dercksen, schrijvers van het geruchtmakende rapport "Een werkend perspectief' van de Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid (WRR). Het geheime, strikt besloten symposium werd bijgewoond door een aantal "deskundigen'.

Centraal stond het minimumloon voor volwassenen. De WRR wil dit, althans vanaf de generatie die in 1993 de leeftijd van 21 jaar bereikt, drastisch verlagen, met liefst 30 procent. Het minimumloon is dan niet langer gelijk aan het sociale minimum voor een gezin, maar aan het sociale minimum voor een alleenstaande. Het sociale minimum, dat de basis vormt voor de sociale uitkeringen, moet volgens de WRR welvaartsvast blijven. Voor oudere werknemers wil de WRR de koopkracht van het minimumloon jarenlang bevriezen, net zolang totdat hun minimumloon gelijk is aan het minimumloon van de eerste groep.

Op 6 juni vorig jaar, een half jaar nadat het WRR-rapport was gepubliceerd, kwam het kabinet met een officiële reactie. Het minimumloon-voorstel werd in voorzichtige termen afgewezen. Daarna “hebben de onderzoekers op last van het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid blijkbaar stevig doorgewerkt” (aldus Adriaansens en Dercksen). In 10 september werd de afwijzing steviger onderbouwd.

Minister en WRR zijn het, zo bleek gisteren, over het principe eens: lagere kosten op minimumloonniveau leiden tot meer banen. Maar zijn er ook mensen die die banen, tegen een verlaagd minimumloon, willen bezetten? Dat was gisteren de centrale vraag. Immers, als de uitkeringen niet omlaag gaan, neemt de prikkel om te werken tegen een minimumloon, dat wèl omlaag gaat, af.

Adriaansens en Dercksen erkennen dit, maar hun antwoord luidt: strengere sancties. Nu levert werken (soms) nog redelijk wat extra geld op, maar straks moeten sociale diensten en bedrijfsverenigingen de druk op de ketel houden. De uitkering aan iemand die kan werken maar niet wil moet desnoods met 25 procent worden gekort. De WRR-auteurs voegen hier vergoelijkend aan toe dat zulke sancties alleen "calculerende burgers' zullen treffen (zijn er nog andere burgers?). Blijven sancties uit dan wordt “langzaam maar zeker de huidige kwaliteit van de verzorgingsstaat om zeep” gebracht. Immers, vroeg of laat zijn dan de uitkeringen de klos.

De Vries noemt strengere sancties “een schone gedachte”, maar vraagt zich af “hoe we deze uitvoeren”. De WRR blijft daarop het antwoord schuldig, aldus de minister. Hij noemt de keuze voor strengere sancties “verkeerd”. In plaats van het minimumloon te verlagen is het beter het netto inkomensverschil tussen loon en uitkering groter te maken. Op die manier vergroot je de prikkel om te werken, in het bijzonder voor alleenverdieners en alleenstaanden.

Mocht dat niet voldoende zijn dan wil De Vries dat, net als in de jaren tachtig, het bruto minimumloon èn de bruto sociale uitkeringen bij het gemiddelde loon achterblijven. Dat moet echter wel “heel geleidelijk” gebeuren. In de jaren tachtig bleven zowel de minimumlonen als de minimale sociale uitkeringen met circa 13 procent bij de gemiddelde loonontwikkeling achter. Netto liep het verschil op tot 7 procent. Met als gevolg, stelt de minister, dat de werkgelegenheid onder laagstbetaalden drie tot vier keer zo snel groeide als de totale werkgelegenheid.

Pag 20:

Discussie vol misverstanden

Adriaansens en Dercksen voelen voor die laatste oplossing niets. Het sociaal minimum mag in hun ogen niet achterblijven bij de welvaartsontwikkeling, ook al was dat in de jaren tachtig de praktijk, en nu opnieuw, sinds het kabinet in september besloot lonen en uitkeringen te ontkoppelen. Zij waarschuwen tegen “uitholling” van de verzorgingsstaat.

Een hoofdstuk apart, maar wel een belangrijk hoofdstuk, vormen de partner-uitkeringen. Een kostwinner die het minimumloon verdient kan, als dit conform het WRR-voorstel omlaag gaat, niet meer in het levensonderhoud van de niet-verdienende partner voorzien. De WRR wil zo'n minimumloner daarom recht geven op een partnertoeslag, die direct aan de partner wordt uitbetaald. Voor partners in de jongere leeftijdsgroepen geldt daarbij de verplichting tot het zoeken van werk. Gebeurt dat niet dan volgen opnieuw sancties.

De Vries voelt hier niets voor. Als die minimumloner iets meer gaat verdienen gaat zijn/haar partnertoeslag meteen omlaag, met als gevolg een marginale druk van honderd procent. Dat werkt niet arbeidsbemoedigend; het gevaar van de “armoedeval” dreigt. Weliswaar werkt nu nog slechts een beperkt aantal alleenverdieners tegen het minimumloon (volgens Adriaansens en Dercksen minder dan 13.000), maar dat aantal kan volgens de minister fors stijgen als ook de mensen die nu hebben afgehaakt zich weer melden. Impliciet erkent De Vries daarmee dat een lager minimumloon wel degelijk kan leiden tot de creatie van nieuwe banen. Zijn probleem zit echter bij de bereidheid tot werken bij die groepen waarvoor die banen bedoeld zijn.

Overigens resulteerden de diverse studies die de afgelopen twee jaar in Nederland zijn verricht steevast tot een positief werkgelegenheidseffect; de uitkomsten liepen echter zozeer uiteen dat ze meer zeiden over de beperkingen van zulk econometrisch onderzoek dan over het werkgelegenheidseffect van een lager minimumloon.

Het WRR-voorstel is het afgelopen jaar dan ook bedolven onder bijval en kritiek. Volgens de twee WRR-auteurs berustte die kritiek echter deels of geheel op “misverstanden”. Zij noemen er acht. Het belangrijkste misverstand is volgens Adriaansens en Dercksen dat het WRR-voorstel voldoende zou zijn om de arbeidsdeelname van laaggeschoolden te vergroten. Het is wel een noodzakelijke voorwaarde, maar geen voldoende voorwaarde, stellen zij nu. Nodig zijn ook sancties voor werkweigeraars, lagere bodems in de CAO's, een hoger fiscaal arbeidskostenforfait, een actievere arbeidsbemiddeling, meer scholing, etcetera. “Het minimumloon is geen tovermiddel,” stellen de WRR-auteurs, tot genoegen van hun critici.

Adriaansens en Dercksen verwachten dat een lager minimumloon niet zozeer bestaande banen goedkoper maakt, maar de creatie van nieuwe banen mogelijk zal maken. Banen die nu nog uit de arbeidsmarkt worden geprijsd. Nederland mag dan wel kiezen voor hoogwaardige produktie met hoge lonen, dat neemt niet weg dat er ook voldoende banen tegen lage lonen moeten zijn.

De WRR-auteurs erkennen overigens dat het minimumloon in Nederland, dat volgens hun rapport in 1988 nog boven dat in omringende landen lag, in 1991 weer een middenpositie innam. Een criticus concludeerde uit deze ontwikkeling dat het minimumloon in Nederland geen probleem meer vormt. Maar volgens Adriaansens en Dercksen komen ook in de andere landen laag opgeleiden te weinig aan de bak. Zodat ook daar het minimumloon omlaag zou moeten.

Al met al ontstaat het beeld van een WRR-plan dat staat of valt met de uitwerking van een belangrijke premisse: is het mogelijk de sancties voor mensen die kunnen werken maar niet willen en toch een uitkering willen hebben drastisch op te voeren? Als dat niet mogelijk is heeft een verlaging van het minimumloon, gekoppeld aan het op peil houden van uitkeringen, weinig zin.