Profrenners raken na carrière snel in isolement

AMSTERDAM/WOERDEN, 23 JAN. Dat topsporters na hun loopbaan voor kortere of langere tijd in de problemen komen, is bekend. Dat bij een steekproef bij dertig oud-beroepswielrenners 36 procent vooral op het sociaal-psychische en maatschappelijke vlak moeilijkheden ondervindt, is nauwelijks opzienbarend. Maar voor de Vereniging van Beroepswielrenners (VVBW) is deze uitslag aanleiding haar ongerustheid uit te spreken over de maatschappelijke begeleiding en de nazorg in de beroepswielersport.

Het onderzoek dat student sociologie aan de Universiteit van Amsterdam David Hakkert in opdracht van de VVBW uitvoerde, geeft aan dat de voornaamste klacht onder de gestopte renners werkeloosheid is, dus geen geld. Voor de meeste ondervraagden is het ontbreken van de aandacht een groot probleem. Ze komen daardoor vaak in een isolement terecht nadat ze hun carrière hebben doorgebracht in ploegverband. Er valt veel weg: de intensieve training, reizen, sociaal contact en belangstelling van de media.

Hakkert doet naar aanleiding van zijn onderzoek enkele aanbevelingen aan de hand. Er zou een vertrouwenspersoon aangesteld moeten worden die renners helpt met de overstap naar opleiding of beroep en die voor specifieke problemen kan doorverwijzen. Daarnaast kunnen gespreksgroepen van ex-renners worden georganiseerd om het plotselinge isolement te verkleinen en van elkaars ervaringen te leren. Het oprichten van een sociaal fonds door werkgevers, werknemers en wielrenorganisaties voor onder meer de maatschappelijke begeleiding, scholings- en vormingsactiviteiten, kan heilzaam werken.

De VVBW pleit al langer voor een "Sociaal Fonds Beroepsrenners'. Dat is ook een van de redenen waarom de vereniging Hakkert vorig jaar heeft gevraagd een onderzoek te doen. Gisteren presenteerde Hakkert in Woerden zijn rapport. Eén exemplaar werd overhandigd aan de voorzitter van de internationale wielrenunie, Hein Verbruggen. Deze wees er op dat de oplossing in de preventieve sfeer gezocht dient te worden. Renners moeten al in hun amateurtijd worden gewaarschuwd voor de problemen waarmee ze na hun loopbaan te maken kunnen krijgen.

Symptomatisch voor de onverschillige houding die werkgevers (sponsors, beheersstichtingen, ploegleiding en wielrenunie) ten aanzien van de nazorg aan de dag legden, was de kritiek die de profsectie van de wielrenunie tijdens de presentatie op het onderzoek uitte. De enquete bij slechts dertig renners zou niet relevant zijn en de conclusie is schadelijk voor het imago van de wielersport.

VVBW-secretaris mr. Vixseboxse is de houding van de meeste leden van de profsectie (waarin de belangenvereniging een zetel heeft) al jaren een doorn in het oog. De VVBW wordt slechts gedoogd. “Het is toch gewoon een feit dat de ploegen nauwelijks aandacht hebben voor het welzijn van de renners als ze gestopt zijn. Ze gooien hen eruit en de renners moeten het maar uitzoeken. Van de wielrenunie hoef je wat dat betreft ook niets te verwachten.”

Het zal dan ook volgens Vixseboxse een probleem zijn het "Sociaal Fonds Beroepsrenners' te laten bekostigen door de sociale partners. “Ik zie op korte termijn geen fonds komen. De werkgevers bijvoorbeeld zijn niet eens georganiseerd.”

Vixseboxse voorziet dat de situatie zal verslechteren. “Het peloton zal kleiner worden omdat door de economische recessie het aantal sponsors zal afnemen. Steeds meer renners moeten afvloeien. Vergeleken met vorig seizoen hebben al ten minste vijftien Nederlandse renners geen contract meer kunnen afsluiten. Door de groter wordende professionalisering van de wielersport en de strengere eisen die de maatschappij stelt aan de opleiding. De carrière-achterstand is groter dan vroeger. Tegenwoordig moeten amateurs al hun schoolopleiding laten schieten om goed te kunnen presteren. Dat zijn halve professionals. Doen ze dat niet, dan kunnen een contract bij een profploeg wel vergeten.”

De meeste beroepsrenners zijn niet realistisch. “Het zal zo'n vaart niet lopen, denken ze. Jongens die in december nog geen contract voor volgend jaar hebben, blijven hopen op een ploeg. Ze schuiven de problemen voor zich uit”, weet Vixseboxse, die dagelijks wordt gebeld door renners met problemen. Sommigen weten niet hoe ze worden uitgebuit. “Gerard Veldscholten werd door Telekom op straat gezet. Hij heeft nu geen uitkering omdat de Duitse ploeg geen sociale lasten voor hem heeft betaald.”

Niet alle renners worden met problemen geconfronteerd na hun loopbaan. Sportmensen als Knetemann, Zoetemelk, Kuiper en Raas kunnen op grond van hun reputatie rekenen op respons in de maatschappij. Anderen hebben voldoende vooropleiding om nog mogelijkheden op een baan te kunnen koesteren. Van de dertig ondervraagden hebben twee een academische graad gehaald: René Koppert en Jo Maas. Vier oud-renners weigerden aan het onderzoek mee te doen: Gerben Karstens, Frits Pirard, Tiemen Groen en Harm Ottenbros. Hun verklaringen: “Geen zin”, “Ik heb al zoveel interviews gegeven”, “Wat heeft het voor zin” of “Ik wil niets meer met de wielersport te maken hebben.”

Het beëindigen van de loopbaan heeft ook positieve kanten. Er is weer tijd voor een sociaal leven. Een enkeling zegt wat geleerd te hebben van zijn leven als profwielrenner. “Je leert met mensen omgaan”, weet Vixseboxse. “Je doet mensenkennis op. Sommigen hebben in de sport leren vechten, ook voor hun bestaan. Maar anderen blijven knecht, eerst in hun ploeg en later in de maatschappij. Dan zijn de losers. Maar moeten we die dan laten vallen?”