POSTDOC

Wie vandaag een promotiedatum probeert af te spreken zal van de pedel te horen krijgen dat alle data tot de zomer al zijn vol geboekt.

Wat dat betreft heeft het beleid van de vorige minister van O&W succes gehad. Vijf jaar geleden dreef hij zijn zin door en startte een nieuwe onderzoekersopleiding voor studenten die de eerste fase achter de rug hebben. Aan alle faculteiten werden assistenten of onderzoekers in opleiding aangesteld op een contract voor vier jaar.

Sindsdien is het aantal promoties aan de Nederlandse universiteiten in alle faculteiten gestegen. De hoogleraren staan 's morgens om 11 uur al aan de jus d'orange, om 1 uur aan de sherry en om 3 uur aan de borrel. Decanen zullen binnenkort een speciale leverkeuring moeten ondergaan alvorens zij geschikt bevonden kunnen worden voor hun functie. Er gaan stemmen op om de promotieplechtigheid, het enige ritueel dat de jaren zestig heeft overleefd, af te schaffen omdat het niet meer op te brengen is zoveel promoties als er zijn.

Verdient drs. Deetman nu een eredoctoraat van de Nederlandse universiteiten? Alvorens daarover een judicium uit te spreken zou ik nog wat in overweging willen geven.

1. Bij het invoeren van het systeem van assisten in opleiding heeft de minister gedecreteerd dat degenen die aan deze onderzoekersopleiding beginnen slechts een half salaris krijgen, omdat ze voor de helft van de tijd nog in opleiding zijn. In mijn eigen laboratorium betekent dit dat inmiddels de helft van 50 promovendi die bij ons onderzoek doen, een inkomen heeft dat beneden het minimumloon ligt. De opleiding die de promovendi krijgen vindt vooral plaats in het laboratorium zelf want in de eerste fase is er nauwelijks tijd om kennis te maken met het onderzoek, de eerste vier jaar van de studie zitten tjok vol met de theorie van het vak. In de tweede fase ligt de klemtoon dus op de praktijk van het onderzoek en dat is goed te merken, want de meeste promovendi publiceren verscheidene wetenschappelijke artikelen, al voor dat zij promoveren. Uit recent onderzoek is gebleken dat dit geldt voor de meeste promovendi in alle faculteiten. De onderzoekers in opleiding dragen produktief bij aan het onderzoek en zouden daarnaar betaald moeten worden. Volgens mij is hun bijdrage aan het onderzoek aanzienlijk meer waard dan het minimumloon. Maar het geringe salaris is niet het grootste probleem.

2. De minister heeft gedecreteerd dat de onderzoekersopleiding niet langer mag duren dan 4 jaar. Het systeem werd 5 jaar geleden ingevoerd en thans blijkt dat in de meeste faculteiten nog niet de helft van degenen die in '86/'87 zijn aangesteld inmiddels is gepromoveerd. Weliswaar is het aantal promoties aan de universiteiten gestegen, maar het rendement van de onderzoekersopleiding heeft niet aan de verwachting van de minister beantwoord. Op ons laboratorium hebben inmiddels 16 assistenten in opleiding de doctorstitel gehaald. Hun gemiddelde promotietijd was 4,3 jaar.

3. Gelukkig heeft de minister niet gedecreteerd dat de doctorsbul automatisch overhandigd moet worden aan assistenten die 4 jaar in opleiding zijn geweest. Dat kan ook niet want promoveren is het recht van de promotor. De minister heeft echter niet aangegeven wat er dient te gebeuren indien het promotieonderzoek langer dan vier jaar gaat duren. Ik zou zeggen: iemand die 4 jaar onderzoeker in opleiding is geweest die is klaar met de opleiding en kan aangesteld worden als onderzoeker, om in een tijdelijke aanstelling netjes zijn proefschrift af te maken.

De praktijk is anders: de meeste aanstellingen worden niet verlengd en de onderzoekers komen in de WW terecht. Veel onderzoeksresultaten dreigen verloren te gaan omdat de onderzoekers gefrustreerd raken en hun baan en begeleiding kwijt zijn. In sommige faculteiten worden al gelden bij elkaar gebedeld om de drukkosten van de proefschriften te betalen van die promovendi die inmiddels in de bijstand zitten. In andere faculteiten worden de promovendi slechts voor 3 jaar aangesteld. In het vierde jaar wordt van hen verwacht dat zij toch alleen maar bezig zijn met het schrijven van hun proefschrift en dat kan wel in de WW, zo vindt men, want dat spaart geld uit voor het onderzoek.

Opvallend is dat men het niet zo nauw neemt met de WW in die faculteiten waar men toch al een grote kans loopt na de opleiding werkloos te blijven. Sinds kort moeten de universiteiten zelf de wachtgelden en uitkeringen betalen. Dat zal een rem zetten op het achteloos in de WW stoppen van jonge onderzoekers. Er gaan stemmen op om een plaatsingscommissie in het leven te roepen die vaststelt hoeveel onderzoekers er aangesteld mogen worden in de verschillende faculteiten. Dat lijkt mij overbodig als men de simpele regel aanhoudt dat er pas weer nieuwe promovendi mogen worden aangesteld als de voorgaande lichting gepromoveerd is en een baan heeft gevonden.

Er moet snel een oplossing komen voor degenen (de meesten) wiens promotieonderzoek langer duurt dan 4 jaar. Het is te gemakkelijk en ongewenst om te zeggen dat de promotoren hun eisen aan de proefschriften maar moeten bijstellen. Dat zou een verlaging betekenen van het onderzoekpeil in ons land.

Veel recent-gepromoveerden hebben al laten zien dat zij net zulke goede proefschriften kunnen produceren als de promovendi oude stijl. De onderzoekers in opleiding hebben echter meer begeleiding nodig dan vroeger, vooral in de beginfase, omdat men aanzienlijk jonger is en vrijwel geen onderzoekservaring heeft.

Die extra begeleiding kan gegeven worden door pas-gepromoveerden: postdocs. Met de hulp van postdocs kan voorkomen worden dat de opleidingen te lang duren en veel onderzoekresultaten onnodig verloren gaan.

Door het beleid van de minister komen er thans uitzonderlijk veel gepromoveerde onderzoekers in de leeftijd van 26 tot 30 jaar op de markt. Sommigen maken zich zorgen dat het er teveel zouden zijn. Pas-gepromoveerden willen meestal graag nog een aantal jaren doorgaan met onderzoek. Zij hebben de smaak te pakken gekregen en staan, zo vlak na hun promotie, op de toppen van hun kunnen in hun vakgebied. Zij zouden een aanstelling kunnen krijgen als postdoc voor twee jaar. Als er één postdoc wordt aangesteld op elke twee promovendi dan zou jaarlijks het complete contingent gepromoveerden een postdoc-plaats kunnen krijgen.

Het postdoc-circuit is echter groter dan Nederland. Voor de meeste onderzoekers zou het heel goed zijn om ervaring op te doen in het buitenland en te laten zien dat men ook in een andere omgeving in staat is goed onderzoek te doen. De doctorsgraad is internationaal erkend en Nederlandse onderzoekers staan in het buitenland goed aangeschreven. Het moet voor de meesten geen enkel probleem zijn om een interessante plaats in het buitenland te vinden.

In de onderzoekcentra in Nederland zouden wij dan vooral buitenlanders als postdoc moeten aanstellen. Dat kan de internationale samenwerking in de wetenschap alleen maar ten goede komen.

Het postdoc-circuit zou ook uitgebreid moeten worden naar de industrie en de overheid. Pas-gepromoveerde onderzoekers zouden een baan moeten kunnen krijgen als postdoc bij: Shell, Philips, Unilever, AKZO, Elsevier, ABN-AMRO, de Nederlandse Bank, op de ministeries, bij de gemeentelijke instellingen, TNO, ECN, Rijkswaterstaat, Schiphol, etc., in een tijdelijke aanstelling voor een of twee jaar om onderzoek te doen en kennis te maken met deze bedrijven en instellingen. Deze kunnen hierdoor meer onderzoek laten doen door hoog gekwalificeerde medewerkers die nog niet zo duur zijn, waar ze nog niet aan vast zitten en die men enige tijd in eigen omgeving kan zien functioneren.

Degenen die bezwaar maken tegen een tijdelijke aanstelling zou ik willen vertellen van de genus Ascidia, een bepaald soort zee-anemoon. Als jong diertje trekt het door het water op zoek naar een geschikte rots of koraalrif om zich aan vast te klampen en voor de rest van zijn leven een woonplaats te hebben. Hiertoe bezit het een begin van een zenuwstelsel.

Wanneer het diertje eenmaal zijn vaste plek gevonden heeft, zijn hersenen verder overbodig en dus eet deze zeeanemoon z'n eigen hersenen op.