PIETER VERHOEFF BRENGT ANTI-DUITS SENTIMENT IN KAART; De belegering van een liefderijk verleden

De zondagsjongen Regie: Pieter Verhoeff. Met: Tom van Hezik, Rik van Uffelen, Magdalena Ritter, Toon Agterberg. Amsterdam, Movies 1; Wageningen, Molenstraat.

Voetbal is oorlog. In 1974, aan de vooravond van de finale om het wereldkampioenschap, gaf Rinus Michels dat antwoord als verklaring voor het opvallend harde spel van zijn voetballers. Het antwoord van de "supervisor' van het Nederlands elftal was afdoende. Niemand vroeg verder. Niemand betwistte de portee van die kwartjesfilosofie, ook niet toen Nederland in München met 2-1 verloor van West-Duitsland.

Voetbal is oorlog. In 1988 kreeg het opnieuw betekenis. Het Nederlands elftal zou weer het Duitse bevechten, nu in Hamburg. Weliswaar ging het nu slechts om een halve finale voor het Europese kampioenschap, maar Michels' inmiddels tot aforisme gepromoveerde antwoord (had hij het eigenlijk zelf bedacht?) werd opgepoetst en met even veel aplomb te berde gebracht. Nu niet zozeer door voetbal-officials, maar op straat, in cafés, bij de slager en door de bloemenman. Voetbal bleek vooral oorlog te zijn wanneer het een wedstrijd tegen Duitsland betrof. Het woord "mof' herleefde en er werden verzetsdaden van belang gepleegd: Duitse toeristen werden lastiggevallen, Duits sprekende klanten werden bespot door grijnzende winkeliers, auto's met Duitse nummerborden werden op zijn minst nagejouwd. En dat door Nederlanders van wie soms zelfs de ouders de Tweede Wereldoorlog niet bewust meemaakten.

“Voetbal is oorlog, pappa!” roept ook het ongeveer tienjarige zoontje van Anton Berg. Het is juni 1988 en zo te zien wordt het deze Anton even rood voor de ogen. Als kind van een Duitse moeder en een Nederlandse vader werd hij in 1944 geboren in Wuppertal, met het geraas van inslaande bommen en het gegil van sirenes als eerste geluiden in zijn kleine oren. Hij groeide op in beide landen. Nederlandse vriendjes scholden hem uit voor mof, voor zijn Duitse kameraadjes was hij een kaaskop en bij het oorlogje spelen was hij altijd de vijand.

De woorden "voetbal is oorlog' klinken enkele minuten na het begin van De zondagsjongen. Pieter Verhoeff maakte deze film naar de roman die Cherry Duyns schreef onder dezelfde titel, maar ik herinner me die woorden niet uit Duyns' boek. Komen ze er wel in voor, dan nemen ze geen prominente plaats in. Verhoeff bleef de roman van Duyns tot op zekere hoogte trouw, maar greep het boek ook aan voor een eigen verhaal. Verhoeff profileerde zich met zijn drie eerdere speelfilms onder meer als een soort chroniqueur van Nederlands gedrag. Het teken van het beest, De Dream en Van geluk gesproken, alle drie verkennen ze waarom Nederlanders doen zoals ze doen, soms op bezorgde, soms op verbaasde, soms op veroordelende toon en altijd persoonlijk betrokken. Verhoeff was ook de cineast die in eerste instantie een speelfilm zou maken over de affaire rond de in een politiecel overleden kraker Hans Kok en ik vind het nog steeds jammer dat hem dat indertijd niet is gelukt. De door Duyns geformuleerde gedachten van hoofdpersoon Anton Berg, diens belevenissen in heden en verleden, ze dienden Verhoeff als uitgangspunt voor een blik op typerend Nederlands gedrag en denken. Hij brengt met deze film het periodiek oplaaien van collectief anti-Duits sentiment in kaart, hoe dat eruit ziet en wat het inhoudt, van "Claus raus' tot "o, wat zijn die moffen stil'.

Anton verwerkte zijn door tegengestelde loyaliteiten verscheurde jeugd door het Duitse deel van zijn wezen te ontkennen. De filmkijker wordt in zijn leven geïntroduceerd op het moment dat hem dat negeren van zijn Duitse achtergrond niet langer bevalt, en kijkt met hem mee in zijn verleden. Niet voor niets kleurde Verhoeff Antons heden en jeugd met dezelfde, doorgaans voor het verleden gereserveerde, naar bruin neigende kleurstelling - toen en nu zijn onscheidbaar, geeft hij aan, alleen in ons hoofd verschillen ze van elkaar.

Vaak al zagen we in films hoe personages worden overvallen door herinneringen, hoe wat voorbij leek zich uit onverwachte hoeken en gaten in hun leven naar binnen kan dringen en hoe ze zich teweer moeten stellen tegen de belegering van een agressief verleden. Verhoeff maakte van De zondagsjongen zo'n sterke film omdat hij iets fundamenteel anders aansnijdt. De hoofdpersoon wordt niet opgejaagd door zijn verleden. Dat verleden liet hem met rust. Maar onder de indruk van zijn felheid tegen drie woordjes uit de mond van zijn door de voetbalsport opgewonden zoon, concludeert hij dat het tijd is om het op te zoeken. En dus reist hij, in een trein vol bulderende voetbalsupporters met oranje gezichten, naar Wuppertal. Om er rond te kijken en vragen te stellen. Hij zal er iemand zijn excuses aanbieden - ze worden weggewuifd. Hij zal proberen een essentieel antwoord van zijn moeder los te krijgen - ze geeft niet thuis. Hij zal herinneringen op scherpte brengen waarvan hij alleen vaag vermoedde dat ze in zijn hersens huisden - dat lukt. Hij is het die zijn eigen verleden belegert, niet omgekeerd, en van dat beleg is De zondagsjongen een teder verslag.

Antons moeder is nog maar net bevallen, als een verpleegster haar misprijzend toespreekt omdat ze een kind van een Hollander heeft gebaard. Haar bed staat niet eens op een zaal, het is op een kale ziekenhuisgang gereden, voor straf of is dat toeval? Dat die moeder desondanks niet ophoudt te stralen boven het bolletje van haar zoon, tekent de hand van Verhoeff. De beelden van de jeugd van zijn hoofdpersoon worden steeds opgeroepen met uitgewogen details. Ze getuigen onafgebroken van de liefderijke sfeer die de jongen omringde, of hij nu bij zijn Nederlandse grootouders en zijn vader woonde of bij zijn Duitse familie en zijn moeder. De huiselijke intimiteit werkt zelfs zo sterk dat de scène waarin we Anton en zijn ouders, variété-artiesten, meemaken achter de schermen van een armoeiïg circusje, overbodig aandoet, ja het wordt zelfs aanstellerig. Antons houvast aan het feit dat hij een vader heeft die kan toveren, werkt veel sterker wanneer dat besef zich voordoet in de donkere burgermanskamer van een steile Duitse spraakleraar. Hetzelfde geldt voor de magie van Angelika. Zij is een dwergvrouw en Anton bewondert haar boven de vloer bungelende voetjes terwijl hij veilig verborgen zit achter de franje van het tafelkleed van zijn oma. Angelika is zijn eerste grote liefde, want zij is niet alleen door haar postuur maar ook door haar esprit de perfecte schakel tussen hem en de verwarde volwassen wereld.

De zondagsjongen is vooral meeslepend wanneer hij zich concentreert op het verleden. Dan ontroert de film, bijvoorbeeld door zijn milde blik op het Duitse gezin dat zich gedraagt of de oorlog niet heeft bestaan, ondanks een familielid dat gebroken terugkeerde uit Russische krijgsgevangenschap en een nog steeds rabiaat nazistische buurman; door een toverig moment waarin zoon en moeder naar elkaar knipogen; door de joyeuze vader die bij het wakker worden zijn Duits sprekende zoontje welgemoed voorhoudt: "ik wil niet dat jij een mof wordt'. Dat zijn mooie ogenblikken, dank zij een regisseur met oog voor subtiliteiten, dank zij de stemmingsvolle art-direction van Dorine de Vos, dank zij mooi spel van de tienjarige Tom van Hezik als de kleine Anton, van Magdalena Ritter als zijn moeder en zeker ook van Toon Agterberg als de charmante schuinsmarcheerder die de vader is.

Met de weergave van Antons heden lukte het allemaal minder. Voor een deel komt dat doordat de feiten de film hebben ingehaald: de blijk van Duitse vreemdelingenhaat die Anton meemaakt, is al te miniem in het licht van de angstaanjagende aanvallen van hedendaagse Duitse skinheads op migranten. Schadelijker is dat acteur Rik van Uffelen er onder Verhoeffs leiding onvoldoende in slaagde om de zwijgzame zoeker gestalte te geven die Anton Berg werd. Zelfs wanneer zijn gezicht in beeld wordt gebracht naast een portret van de kleine Anton, voel je niets. Je gelooft niet dat hij groeide uit het gevoelige kereltje, dat net zoveel van zijn moeder houdt als van zijn vader en dat tot op de dag van vandaag eist niet te hoeven kiezen tussen hun milieu's. En als zijn personage zich ten slotte uit, reikt het scenario hem plotseling tekst aan. Waar zwijgend handelen voldoende was geweest, draagt het Van Uffelen op een plompe zin uit te braken, die bij zijn type niet past. We begrepen, met zijn herinneringen nog brandend op ons netvlies, zo ook wel dat zijn reis naar Wuppertal niet vergeefs is geweest. Het was voor hem noodzakelijk vast te stellen dat voetbal helemaal geen oorlog is. Oorlog is oorlog, voetbal is voetbal en Nederlanders zijn net zo gek als Duitsers.