Overblijven

Langzamerhand begint overblijven op de basisschool gewoon te worden in Nederland. Maar de onderwijzers willen er liever niets mee te maken hebben. Op de kinderen wordt meestal gepast door vrijwillige overblijfmoeders.

I. van der Horst-Van Ruitenburg, "De invloed van overblijven op de taakgerichtheid van kinderen uit de onderbouw van de basisschool', 1991. Scriptie in het kader van de Hogere Kaderopleiding Pedagogiek van de Hogeschool Rotterdam en Omstreken.

M.C. Meijvogel, "Geen kruimels tussen de boeken - Schooltijden, overblijven en de ontwikkeling van buitenschoolse opvang in Nederland'. Uitgeverij Vuga, 1991.

De openbare basisschool Prins Willem Alexander in Nieuwerkerk aan den IJssel voert geen campagne tegen het overblijven. Als ouders willen dat hun kind tussen de middag op school blijft, hebben onderwijzers zich daar niet mee te bemoeien. Maar toen een op de school uitgevoerd onderzoek uitwees dat overblijvende kleuters 's middags minder geconcentreerd zijn dan kleuters die tussen de middag naar huis gaan, werd dat natuurlijk wel in het informatiebulletin van de school gezet. Het was de kleuterleidsters dan ook uit het hart gegrepen: als kleine kinderen tussen de middag niet even thuis uitrusten, spelen ze 's middags meer met de veters van hun schoenen dan met de blokkentoren.

Er komen nu vaker dan anders moeders langs om te vragen of het wel goed gaat tussen de middag. Of ze schrijven:

"Beste Overblijfmoeder,

Doordat ik toch wel me eigen ongerust maak over de jongens wilde ik jullie vragen als het niet gaat of jullie mij dan op me werk willen bellen.'

Prins Willem Alexander hoort bij de 69% van de basisscholen waar kinderen tussen de middag over kunnen blijven. Voor de invoering van de Wet op het Basisonderwijs in 1985 was dit het geval op 22% van de kleuterscholen en 40% van de lagere scholen. De wet verplicht het bevoegd gezag van een school in artikel 28 - het "overblijfartikel' - om leerlingen "in de gelegenheid te stellen onder toezicht de middagpauze in het schoolgebouw en op het terrein van de school door te brengen'.

Eerste broodkorsten

De Prins Willem Alexander school had ook voor 1985 al overblijvers, maar dat waren er maar een paar: alleen de kinderen die nog uit het oude deel van Nieuwerkerk kwamen, over het spoor en de grote weg, waar de school tot 1980 stond. In 1985 liep het aantal overblijvers prompt op tot 77 van de 320 leerlingen (24%). Omdat niet iedereen elke dag kwam, pasten ze nog steeds in een lokaal. Dat had ook de voorkeur van de onderwijzers: een lokaal is overzichtelijk, er staan degelijke stoelen en kinderen zijn zo geconditioneerd dat ze zich daar rustig houden.

Maar de twee overblijfmoeders, hoe alert ook, konden niet voorkomen dat in de laden onder de tafeltjes al snel de eerste broodkorsten werden ontdekt. Toen ook nog het aantal overblijvers alsmaar steeg, werd uitgeweken naar de aula. Daar eten nu wekelijks 178 van de 379 leerlingen (46%) hun broodtrommeltje leeg, gemiddeld zo'n 70 leerlingen per keer. Ze zitten op krukken en zijn lawaaieriger dan voorheen, want een grote ruimte als een aula lokt hollen en schreeuwen uit. Dat is vooral een probleem tussen half twaalf en twaalf uur, als de groepen 5 tot en met 8 nog les hebben.

Hiermee is de Prins Willem Alexander school bepaald geen uitzondering onder de basisscholen met een overblijfvoorziening. Want dat woord klinkt veelbelovender dan het is: de Wet op het Basisonderwijs voerde weliswaar het overblijven in, maar zonder financiële tegemoetkoming. Officieel bestaat een overblijfvoorziening uit niet meer dan een tafel, een stoel (of kruk) en een brandende kachel als het koud is.

Ook voor begeleiding moeten de scholen zelf zorgen. Menige basisschool kent het probleem van de moeilijk te mobiliseren overblijfmoeders. Steeds meer moeders blijven (of gaan weer) werken, waardoor op sommige scholen al serieus wordt gedacht over het aantrekken van jonge oma's. Wat het nog moeilijker maakt, is dat veel scholen liever geen overblijfmoeders willen die het voor het geld doen - vaak zo'n vijf tot tien gulden per uur, betaald uit de contributie voor het overblijven. ""Omdat je anders de verkeerde moeders krijgt'', zet directeur Linda Vuijk van Prins Willem Alexander liever niet in de regelmatig verschijnende oproep "OVERBLIJFVADERS/MOEDERS GEVRAAGD!!!!!' dat het oppassen geld oplevert.

Er zijn basisscholen waar de onderwijzers de begeleiding tussen de middag verzorgen. Dat gebeurt op ongeveer eenvijfde van alle scholen met een overblijfvoorziening. Op bijna 10% doen ze dit samen met overblijfmoeders. Ook komt het voor dat een school professionele, al dan niet betaalde begeleiding biedt, maar dat is uitzonderlijk.

Op de Prins Willem Alexander school is de stelregel ""dat je als onderwijzer tussen de middag je rust nodig hebt''. Professionele begeleiding is niet voorhanden, of het moet zijn dat de baantjes van de overblijfmoeders daarvoor garant staan: onder anderen een zwemlerares, een sportlerares en een beroepsoppas.

Voor deze absurde situatie - een wettelijke verplichting, maar geen faciliteiten - werd door voor- en tegenstanders lang voor de invoering van het overblijfartikel al gewaarschuwd. De regeling is bedoeld om moeders in staat te stellen meer eigen activiteiten te ontplooien. Van alle Westeuropese landen hadden halverwege de jaren zeventig alleen Zwitserland en Nederland geen overblijfregeling voor kinderen op de kleuter- en de lagere school. De uit Man-Vrouw-Maatschappij voortgekomen stichting Tijd voor School stond dan ook sterk toen zij vanaf 1974 pleitte voor een minder versnipperde dag voor huisvrouwen - overigens nog onder het motto "als wij een jurk willen naaien, moeten niet net wanneer het patroon op de grond is uitgelegd de kinderen thuis komen'.

Dan kon het natuurlijk niet zo zijn dat juist huisvrouwen de opvang op school gingen verzorgen. De voorstanders van een overblijfregeling waren daarom tevens voorstander van een continurooster: een korte middagpauze en daarmee een kortere schooldag. Onderwijzers zouden niet meer dan een half uur tot drie kwartier hoeven op te passen, en 's middags eerder thuis zijn. Ook voor de kinderen was er het voordeel van meer aaneengesloten vrije tijd. In deze krant verscheen al in 1974 een artikel over het pedagogisch belang van een continurooster.

Tegen

Maar de onderwijsvakbonden waren tegen. Zij vonden dat ""hier geen sprake van een onderwijsprobleem, maar van een maatschappelijk probleem'' was (de ABOP in 1974). Onderwijzers hadden recht op een etenspauze, als de overheid meende dat er professionele opvang tussen de middag moest komen, moest de overheid daar maar voor zorgen. Ook al omdat maar weinigen de zin van een continurooster inzagen, wonnen de bonden. De overheid, tegen de tijd dat de Wet op het Basisonderwijs werd ingevoerd het eerste kabinet Lubbers, nam geen maatregelen. "Kosten komen voor rekening van de ouders, voogden of verzorgers' staat in het overblijfartikel.

Het artikel is daarmee een compromis geworden dat onderwijzers op een school als Prins Willem Alexander soms tot wanhoop drijft. Zo moet er straks een extra klas worden gevormd, want de school groeit nog steeds. Volgens de normen van het ministerie heeft Prins Willem Alexander voldoende vloeroppervlak voor nog een lokaal. Daarom zullen binnenkort, als de gemeente Nieuwerkerk tenminste geen andere oplossing verzint, twee gemeentewerkers middenin de aula een aantal schotten plaatsen, daarmee de facto een nieuw lokaal crëerend.

Voeg daarbij dat de school gaat fuseren met de (noodlijdende) buurschool De Schakel, en het is duidelijk dat ""de overheid te gemakkelijk redeneert'', zoals Vuijks mede-directeur Ben Balm zegt. ""Als je als school eenmaal een overblijfvoorziening hebt, stroomt het vanzelf vol. Dat is logisch, dat vind ik ook niet erg. Maar dan moeten ze je vervolgens niet confronteren met ruimtegebrek.''

Forensengemeente

In het eind vorig jaar verschenen proefschrift "Geen kruimels tussen de boeken - Schooltijden, overblijven en de ontwikkeling van buitenschoolse opvang in Nederland' staat een overzicht van de ruimten waarin het overblijven plaatsheeft. Zo'n 35% van de scholen gebruikt de aula, 20% een leslokaal. Nog eens 20% heeft een apart overblijflokaal. De rest gebruikt een combinatie van deze ruimten, eventueel inclusief de gang. De scholen zonder apart overblijflokaal kunnen niet anders, maar zouden een passender overblijfruimte bijzonder op prijs stellen.

Want niet alleen op de Prins Willem Alexander school, maar overal wordt het overblijven steeds massaler - vooral als de school in het westen van het land, in een grote stad of in een forensengemeente staat. Er valt weinig tegen te doen. Ook als de contributie wordt opgetrokken blijven ouders om opvang vragen, is de ervaring van de Prins Willem Alexander school. Daar kost incidentele opvang sinds kort ƒ 2,50, ouders met een abonnement betalen niet meer dan de helft.

De oplossingen die het onderzoek naar de concentratie van kleuters aandroeg, heeft de school terzijde geschoven als "irreëel': ouders vragen kleuters minder over te laten blijven, met kleinere groepjes in lokalen gaan zitten (dan zijn er nog meer overblijfmoeders nodig), de pauze verkorten. Het team heeft het wel eens over de invoering van een continurooster gehad, maar de meesten waren er op tegen. Het leek overdreven om zo'n rooster omwille van het overblijven dan toch in te voeren. Bovendien was men bang ouders voor het hoofd te stoten: werkende moeders die hun kind liever wat later thuis zien komen, huisvrouwen die door het continurooster zouden worden beroofd van een gezamenlijke middagmaaltijd.

Ook hierin staat de Prins Willem Alexander school niet alleen. Geen enkele van de 166 basisscholen die de enquête voor het proefschrift "Geen kruimels tussen de boeken' hebben ingevuld, had een continurooster. Continuroosters zijn voorbehouden aan vernieuwingsscholen, en aan de openbare basisscholen in Amsterdam, die het van gemeentewege kregen opgelegd.

Toch blijkt uit een inventarisatie van de Vereniging voor Openbaar Onderwijs dat scholen met een continurooster daarin dezelfde voordelen zien als indertijd Tijd voor School: een kortere schooldag, geen onderbreking van het schoolritme, minder problemen met het verkeer, de afstand en het weer, een school die een leef/werkgemeenschap wordt. Nieuw in het lijstje was "geen drukke overblijf meer'.

Een deel van deze argumenten geldt sterker voor vernieuwingsscholen - waarvan vooral de Montessori scholen sterk in opkomst zijn - dan voor gewone scholen. Kinderen op vernieuwingsscholen komen vaak uit de wijde omtrek. Hun ouders werken meestal allebei, zodat een doorlopende schooldag hen ook om die reden goed uitkomt.

Dat een school met een continurooster heel ver kan gaan, bewees eind vorig jaar een Jenaplan school in Veendam. Ook hier was de aula ongeschikt geworden voor het overblijven: 50 vierkante meter voor 55 kinderen. Besloten werd om een continurooster in te voeren en daarbij tussen de middag het alternatieve vak "gezond gedrag - samen eten' te introduceren. Nadat eerst een onderwijsinspecteur had geoordeeld dat dit niet mocht, wordt nu in de lokalen gekokkereld met speciale toestemming van de Onderwijsraad. In het binnenkort op te leveren nieuwe gebouw zal ook in de kleuterlokalen zeil in plaats van vloerbedekking liggen.

Arbeidsmarktparticipatie

De toenemende massaliteit betekent het definitieve ongelijk van de voormalige hoofdinspectrice van het Nutskleuteronderwijs W.M. Nijkamp, een indertijd gevreesde tegenstander die stelde: ""De huismoeder, we kennen dit lied, wordt geknot in haar mogelijkheden en ambities om verder te studeren of een werkkring te zoeken. (...) Of de kinderen erom gevraagd hebben bij deze moeders geboren te worden, wordt niet aan de orde gesteld! Maar zij zijn in de meeste gevallen wel de dupe van de mentaliteit van hun moeder, die de consequenties van haar status niet aanvaardt.''

Het overblijfartikel is juist moeders "die de consequenties van hun status wel aanvaarden' ten goede gekomen, zoals Tijd voor School in feite ook wilde. Van de gebruikers van opvangvoorzieningen heeft meer dan de helft geen betaalde baan. Eenderde werkt part-time en niet meer dan een procent of zes heeft een volledige betrekking. Dit laatste heeft deels te maken met de lage "arbeidsmarktparticipatie' van Nederlandse vrouwen, anderzijds blijken veel full-time werkende moeders hun kinderen tussen de middag door de oppas of het busje van de buitenschoolse opvang van school te laten halen.

Het spijt directeur Ben Balm wel dat de overblijfvoorziening zo veel wordt gebruikt door moeders voor wie het, volgens hem, ""eigenlijk niet is bedoeld''. Vooral op dinsdag en donderdag, de vaste dagen van de tennisvereniging en de hockeyclub, moeten de inmiddels zeven overblijfmoeders een dan extra grote groep tussen half twaalf en twaalf uur voortdurend tot stilte manen. Maar hij zal dat natuurlijk niet tegen die moeders zeggen. Net zo min als de overblijfmoeders uit zichzelf zullen zeggen dat die kleintjes tussen de middag zo moe zijn en zo slecht eten. Alleen als het echt niet gaat wordt de moeder gewaarschuwd.

Overblijfmoeder Ria Klaverdijk vindt het ""soms gewoon zielig'' als weer eens een van de kleuters verzint dat hij buikpijn heeft, in de hoop zo door zijn moeder te worden opgehaald. Zelf is ze oppasmoeder geworden toen haar jongste zoon tussen de middag steeds eerder naar school ging, om met de overblijvers op het schoolplein te spelen. Op een gegeven moment besloot ze maar mee te gaan.

De meeste overblijfmoeders op Prins Willem Alexander komen vier keer per week. Dat is ""goed voor de continuiteit''. Ze doen het meer voor de gezelligheid dan voor het geld, al is die twaalfeneenhalve gulden natuurlijk ""mooi meegenomen''. Veel werk hebben ze er niet van, vinden ze. Om beurten heeft een van de zeven "binnendienst'. Dat is dan de moeder die het geld int, de tafels afruimt en het stofzuigen doet. De anderen zitten bij de kinderen, ""en dat is niet zo moeilijk''.

Want terwijl bijvoorbeeld de gemeente Veendam sinds kort bijeenkomsten organiseert waarop overblijfmoeders worden bijgeschoold in spelvormen, moeilijk gedrag of ministeriële regelgeving, vinden de overblijfmoeders op Prins Willem Alexander ""het moederschap toch nog altijd de beste opleiding''. Bovendien is het overblijven bij hen op school ""optimaal georganiseerd''.

Van de contributie zijn spelletjes en een tafeltennis gekocht. Op het plein wordt toezicht gehouden, zodat er geen kinderen doelloos door de straten zwerven. Voor de kleuters is er een voorleeskwartiertje, en na afloop krijgt iedereen een koekje of een snoepje, want snoepgoed meenemen is verboden. Nu de koektrommel in de kluis zit, zijn de kosten daarvan ook flink gedrukt.

Natuurlijk zou het een uitkomst zijn als er kleinere ruimten en meer overblijfmoeders kwamen. Maar zolang het nog niet zo erg is als in België, zien ze geen reden tot ontevredenheid. In dat land zitten volgens een spreker voor het "European Network for School-Age Childcare' ""alle leerlingen in een eetzaal vol herrie, de aardappelen vliegen in het rond en iedereen schreeuwt''.