Om het lijf

Een vriendin - laten we haar Francis noemen - spuide haar ongenoegen. Zij was zo onverstandig geweest om tegen een nog vrij nieuwe geliefde iets schaamtevols te zeggen over hoe zij geschapen was, en hij had teruggezegd: “Nou, dan laat je ze toch gewoon ophijsen?”

Twee dingen leert ons dit. Ten eerste de onschatbare waarde van het adagium never apologise, never explain. Je moet je niet verontschuldigen voor dingen waar je toch niets (meer) aan kunt doen, zoals dat je borsten hangen, dat de soep uit een pakje is of dat je maar een heel klein bosje bloemen hebt meegebracht. Als je op iemands tenen trapt zeg je pardon, maar zoals je bent, ben je en wat je niet kunt, kun je niet. Francis peinsde niet over een chirurgische ingreep, zij verlangde hoogstens geruststelling, maar wat zij kreeg was - pats - het lid op de neus.

(Je hoeft niet één van die moderne relatieboeken te hebben gelezen om vast te stellen dat conversaties zoals die tussen Francis en haar botterik typerend zijn voor een veel voorkomend verschil tussen mannen en vrouwen. Vrouwen snijden een probleem aan zonder uit te zijn op een concrete oplossing, mannen snappen dat niet en bieden dus stomweg advies. Zat iedereen maar zo simpel in elkaar als een man.)

De tweede les van Francis gaat over het lijf. Het schijnt dat het voor veel mensen steeds moeilijker wordt om vrede te hebben met hun lijf. Is het omdat we zo beschaafd zijn allemaal, zo vergeestelijkt? Is het omdat gezond zijn de norm is geworden, en elke kwaal riekt naar treurnis en armoede? Meer dan ooit krijgt iedereen naar zijn hoofd geslingerd dat het zijn eigen schuld is als hij dik is of te veel cholesterol heeft, of kanker of eczeem. Aan iedere afwijking is iets te doen, of had iets gedaan kunnen worden als je maar op tijd was geweest.

Een veelgekozen oplossing is, om dan in elk geval maar te zorgen dat er zo weinig mogelijk overblijft van dat lijf. Hoe dunner hoe netter. Wie een beetje ambitie heeft, zorgt er voor dat hij niet aan alle kanten uitpuilt, zeker niet als hij een vrouw is.

Hollen en vasten, niet-roken en natuurvoeding eten, al die inspanningen om de zaak zo fit en strak mogelijk te houden dragen een aureool van bewonderenswaardige zelfbeheersing, sterker nog, van morele superioriteit. Het is eigenlijk merkwaardig dat in vergelijking daarmee het aan jezelf laten sleutelen door medici zo weinig respect oogst. Ja, als iemand een kolossale bult op zijn gezicht heeft, dan vindt geen mens het raar dat hij die door een dokter laat weghalen. En goed beschouwd dient ook een groot deel van de moderne tandheelkunde geen ander doel dan de uiterlijke schoonheid.

Maar je borsten laten ophijsen, je lippen laten opvullen of je gezicht laten straktrekken, dat soort dingen staat in een kwade reuk. Veel mensen vinden zulke ingrepen pas gerechtvaardigd in gevallen van grote geestelijke nood. Een beperking die in de praktijk trouwens weinig betekent, want als je iets graag genoeg wilt, kom je vanzelf in geestelijke nood als je je zin niet krijgt. Wel zijn kosmetische operaties duur, niet ongevaarlijk en vaak zinloos, omdat voor elke geamputeerde drakekop met gemak drie nieuwe in de plaats kunnen groeien.

Veel leuker, en goedkoper, zou het zijn als de tolerantie voor verschillen tussen de mensen weer (weer?) wat groter werd. Maar lichamelijke verschillen worden in weldenkende kringen juist steeds onbespreekbaarder, omdat gewaakt moet worden voor discriminatie. Wie durft, in een land waar een ruime meerderheid een blanke huidskleur heeft, openlijk te spreken over het prachtige bruine velletje van een Surinaams kind in het golfslagbad? Zelfs iemand te hulp schieten die gehandicapt is, is al eng geworden, zo groot is de vrees om voor neerbuigend te worden aangezien.

Er is een klacht ingediend bij de Reclame-codecommissie tegen een advertentie van een grote bank. Een mijnheer was afgebeeld met als onderschrift ”Onze man in Amsterdam', en daarnaast was hij nog eens afgebeeld, maar nu terwijl hij met zijn vingers zijn ogen tot spleetjes trok. Daar onder stond ”Onze man in Tokio'. Een kinderachtige, nietszeggende advertentie, dat staat vast. Maar is het heel erg? Ik vroeg de klager, iemand die ik zeer hoog acht, of hij ook bezwaar zou hebben gemaakt als er ”Onze man in Edinburgh' had gestaan, en de mijnheer een Schots rokje had aangehad. Dat ontkende hij. Een rokje is geen lichamelijk kenmerk, zei hij, en stelde een tegenvraag: als er nu had gestaan ”Onze man in Tel Aviv', en de mijnheer had een kromme neus op gehad? Ik gaf toe dat ik dat wel erg vreemd zou hebben gevonden.

De vraag is, of het eind niet zoek is. Natuurlijk, het is in deze eeuw onaangenaam geworden om een politieke spotprent te maken van een joodse gezagsdrager die er ook nog joods uitziet. De grenzen tussen grapjes maken, spotten en beledigen zijn soms verraderlijk moeilijk te zien.

Maar daarom zijn ze er nog wel. Als je dat ontkent is het op een dag onmogelijk iets te zeggen over iemands goudblonde lokken omdat er zo veel kaalheid en melkboerenhondenhaar in de wereld is. Dan wordt iedere spotpret een belediging - en een onflatteuze foto is op het randje. De kinderen moeten worden binnen gehouden uit angst dat ze iets geks zeggen over iemand die zwart is of in een rolstoel zit.

Of is er een toekomst denkbaar waarin de samenleving zo kleurrijk is geworden dat iederéén als afwijkend kan worden beschouwd? Dat niemand nog iets hoeft te laten ophijsen en iedereen over alles grapjes mag maken? Dat is pas een utopie; vergeleken daarbij is de verzorgingsstaat een peuleschilletje. Maar toch zou het mooi zijn om ernaar te streven, de komende duizend jaar of zo.