Nostalgie

Met de ingebruikneming op 24 april van de nieuwe vergaderzaal in zicht is een kleine meerderheid van Tweede-Kamerleden, aangevoerd door Bram Stemerdink (PvdA), een gevoel van nostalgie bekropen.

De huidige plenaire zaal, een oorspronkelijke balzaal die na de Franse tijd als vergaderruimte in gebruik werd genomen en die met de karakteristieke groene bankjes werd voorzien, willen zij in haar huidige vorm laten bestaan. Niet als zaal voor de plenaire vergaderingen, maar als een soort monument ter gedachtenis van vele roemruchte momenten uit de vaderlandse parlementaire geschiedenis.

De reflex is begrijpelijk en sympathiek. Een parlement moet zo mogelijk in een ruimte met traditie vergaderen, waar de eeuwen als het ware neerkijken op degene achter het spreekgestoelte of aan de regeringstafel. De ruimte alleen al moet een soort respect afdwingen voor de democratie, voor alle staatslieden die er hebben gesproken, voor de tradities van voorname hoffelijkheid die in het Nederlandse parlement regel zijn.

Blijft toch de vraag: waarom besloot destijds dan een meerderheid om een nieuwe, grote zaal te bouwen? Architect Pi de Bruijn heeft weliswaar een creatieve oplossing bedacht voor de koppeling van oud en nieuw rondom het Binnenhof. Maar als de Kamer hem had gevraagd de mankementen van de Kamer weg te werken (geringe grootte, lastige aansluitmogelijkheden voor ondersteunende diensten, te geringe en te sobere faciliteiten voor het publiek) dan had dat ook gekund.

Stemerdink en de zijnen zijn niet tegen de grote, nieuwe zaal, maar willen tegelijk uitzicht op hun heimwee houden. Heeft het veel zin om een zaal als een soort museum te handhaven, waar af en toe eens een commissie wat verloren in een veel te grote ruimte vergadert?

76 Handtekeningen van spijt verpakt in monumentenzorg, misschien? RM