Moraal

Frans Roes waarschuwt voor het idee dat goden de moralistische vinger opsteken louter en alleen omdat ze heersen over grote volken (W&O 9 jan.).

Weliswaar gaat zijn artikel grotendeels over goden van kleine volken die weinig moraliseren en goden van grote volken die veel moraliseren, geïllustreerd met een grafiek van dezelfde strekking, maar we mogen uit het samengaan van twee verschijnselen niet afleiden dat het één het ander veroorzaakt. Al vliegen er bij een geboortegolf nog zo veel ooievaars rond, dat bewijst nog niet hun transport van kinderen.

Zoiets is juist gedacht, maar als de baby's niet van de ooievaar komen, waar komen ze dan vandaan? Als goden niet zouden vermanen omdat ze veel aanbidders hebben, waarom vermanen ze dan wel? Roes verklaart om in zijn termen te blijven het raadsel niet eens met de boerenkool, laat staan dat hij toekomt aan vrucht en geboorte.

Toch biedt de vakliteratuur over menselijke evolutie heel wat zinnige gedachten. Een centrale rol lijkt te zijn toebedeeld aan voedselvoorziening. Bij het ontstaan van landbouw, waardoor mensen in grotere concentraties bijeen konden gaan wonen, bleek dat je na de oogst niet gelijk alles moest opmaken, want dan had je later niets om te eten en zat je het volgend jaar zonder zaaigoed. Alleen, hoe hield je de oplaaiende eet- en dranklust het effectiefst in bedwang? De preken van priesters over toornige goden voldeden niet slecht.

Zoals bij Brecht, kwam ook in de evolutie misschien wel eerst het eten en dan de moraal. Waarschijnlijker nog traden er wisselwerkingen op tussen een veelheid aan factoren. Om een greep te doen: verdere arbeidsdeling en hiërarchisering van relaties, inclusief tussen man en vrouw, hielp de landbouweconomie van grotere samenlevingen te organiseren. De vertrouwdheid met hiërarchie en groeiende bevolkingsoverschotten droegen bij aan het op de been houden van legers.

Andermans bezit van een graanoogst bracht roofzucht, oorlog, slavernij en in het algemeen de gewenning aan geweld tussen mensen, zaken die op hun beurt vroegen om regulering van relaties tussen en binnen samenlevingen. Een strakkere structurering kon weer leiden tot betere landbouwproductie, sterker uitbuiting, meer bevolking, machtiger legers en omvangrijker geweld. Priesters en goden schijnen er wel bij gevaren te hebben.