Milieulobby eist: Wie vervuilt, moet verslaan

Milieurapportage door bedrijven laat nog heel wat te wensen over. De werkgeversorganisaties voelen tot nu toe weinig voor een wettelijke verplichting. Maar de druk groeit om bedrijven opening van zaken te laten geven.

Nederlandse bedrijven moeten wettelijk worden verplicht een milieuverslag te publiceren, vindt de Stichting Natuur & Milieu. De huidige meet- en meldingsplicht zou onvolledig zijn, waardoor de controle te wensen overlaat. Overheden kunnen op grond van verschillende milieuwetten wel verlangen dat bedrijven onderzoek doen naar de aard en omvang van hun emissies. Ook kunnen zij eisen dat deze gegevens ter beschikking van controlerende instanties worden gesteld. Maar derden, zoals omwonenden en milieu-organisaties, hebben geen toegang tot deze informatie.

Al in 1989 stuurde de toenmalige minister voor milieuzaken Ed Nijpels een notitie naar de Tweede Kamer. Daarin drong hij aan op een meer uitgebreide milieurapportage. Maar een wettelijke regeling had de regering toen nog niet voor ogen. Wel hebben ondernemingen tot 1995 de tijd ervaringen op te doen met het invoeren van een zogenaamd milieuzorgsysteem, een samenhangend geheel van beleidsmatige voorzieningen en maatregelen.

Minister Alders van VROM heeft inmiddels besloten dat voor bepaalde categorieën bedrijven een wettelijke verplichting voor de rapportage van huidige en toekomstige emissies zal worden ingesteld. Het ministerie wil nog niet zeggen om welke categorieën het gaat.

Die rapportages zullen, op grond van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne en de Wet openbaarheid van bestuur, openbaar zijn. Een desbetreffend wetsvoorstel zal volgende maand aan de Raad van State worden voorgelegd. De werkgeversorganisaties VNO en NCW hebben het verplicht stellen van een milieuverslag als voorlichtingsinstrument tot nu toe steeds afgewezen.

“Europese ondernemingen hebben heel erg moeten wennen aan het idee van milieurapportage. Het bedrijfsleven zag het als een typisch Amerikaans verschijnsel en bracht het vooral in verband met bodemvervuiling.” Dat zegt John Elkington, behalve auteur van bestsellers als Groen Zaken Doen en De Groene Consumentengids tevens directeur van Sustain Ability, een Londens organisatie-adviesbureau dat milieu-adviezen verleent aan multinationals als British Petroleum, Glaxo, Dow Europe, Novo Nordisk, Procter & Gamble en Volvo.

Elkington: “Met het Wereldnatuurfonds hebben wij in Groot-Brittannië een campagne gevoerd om bedrijven op andere gedachten te brengen. Het aantal ondernemingen dat milieuverslagen publiceert is sindsdien wel toegenomen, maar het gaat nog om een zeer gering aantal. Van de grote ondernemingen is het nog niet eens twee procent.”

Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen milieuverslagen, waarbij de voorlichtingsfunctie voorop staat, en milieurapportages, bestemd voor de controlerende instanties. Deze laatste verslagen zijn vaak bedoeld om het toezicht van de overheid te vergemakkelijken en zijn, zeker als het om bedrijfsgeheimen gaat, tot nu toe niet openbaar. In de Verenigde Staten wordt in de meldingswetgeving meer de nadruk gelegd op de directe relatie tussen bedrijven en hun omgeving, en de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheden. Een beroep op bedrijfsgeheimen wordt slechts in zeer beperkte mate gehonoreerd.

De milieubeweging vindt dat ieder bedrijf een milieuverslag zou moeten publiceren. Dergelijke rapporten mogen echter geen pr-brochures worden. Zij dienen een volledig overzicht te geven van de milieu-situatie van een onderneming, zoals emissies, de voorgenomen emissiereducties en andere plannen die voor het milieu van belang zijn.

Ook zouden bedrijven gegevens moeten publiceren over de ontwikkeling van het eigen milieubeleid. Als het aan de milieubeweging ligt, garandeert de wet de openbaarheid en volledigheid van het milieuverslag. Bedrijven krijgen hierdoor een beter inzicht van hun eigen milieuhygiëne. Dat bespaart milieu-organisaties en burgers tijdrovende procedures om aan bedrijfsgegevens te komen.

Pag 20:

De boekhouding van het milieubederf

Op dit moment is het milieuverslag niet gestandaardiseerd. Ook over de volledigheid van het verslag bestaan geen afspraken. Het in 1990 verschenen milieuverslag Rekenschap van Exxon Chemical Holland, dat diende als basis voor een dialoog met omwonenden, is niet gewaarmerkt door een deskundige en bevat ook geen gedetailleerd cijfermateriaal. Technisch zeer doorwrocht is een studie van British Airways naar de milieuschade die het luchtvaartbedrijf jaarlijks aanricht op het Londense vliegveld Heathrow. Maar omdat de toetsingscriteria ontbreken, is het verslag geen bruikbaar instrument, meent John Elkington van Sustain Ability.

Een betrekkelijk nieuw fenomeen is de milieu-jaarrekening, zoals die vorig jaar door het Utrechtse softwarehuis BSO-Origin werd gepresenteerd als onderdeel van het jaarverslag over 1990. Een milieujaarrekening drukt de effecten van een onderneming voor het milieu in geld uit. Uit de rekening kan een netto toegevoegde waarde worden afgeleid die de netto opbrengst van de onderneming vertegenwoordigt, maar dan verrekend met de directe en indirecte effecten op het milieu. Onder de directe effecten verstaat men de gevolgen van het eigen energieverbruik. Maar er zijn ook indirecte effecten, zoals het gebruik van grondstoffen of produkten die worden betrokken van derden. Sommige daarvan kunnen bij de produktie milieuschade veroorzaken.

Daarnaast kunnen de produkten die de onderneming zelf verkoopt ook schade aan het milieu berokkenen, zoals bij voorbeeld aanmaakstoffen voor de open haard, kwikbatterijen of industrieel verpakkingsmateriaal.

Een milieurekening is vergelijkbaar met een boekhoudkundige resultatenrekening. Aan de creditzijde wordt de toegevoegde waarde en aan debetzijde de aan de planeet onttrokken waarde opgevoerd. Per saldo vindt men de netto toegevoegde waarde. De toegevoegde waarde wordt afgeleid uit de jaarrekeningen van de onderneming en is gelijk aan de som van de personeelslasten, de afschrijvingslasten, de waardeverminderingen, de provisies, de financiële lasten, etcetera.

De onttrokken waarde bestaat uit de kosten die de milieu-effecten van de onderneming met zich meebrengen, verminderd met de uitgaven die de onderneming pleegt om deze effecten te verminderen. De kosten vloeien voort uit de afvoer en de zuivering van afvalwater en uit het transport en de verwijdering van afvalstoffen. Daarnaast zijn er de theoretische kosten van de resteffecten op het milieu: dat zijn de effecten die overblijven nadat alle reinigings- en behandelingsactiviteiten zijn uitgevoerd. BSO zou volgens zijn eigen milieu-jaarrekening in 1990 voor 2,21 miljoen gulden milieuschade hebben aangericht.

“Wanneer we werkelijk weten wat produkten en diensten ons ook ecologisch kosten, zal daarvan een stimulans uitgaan voor effectieve recycling, echt ingrijpende beheersing van het energieverbruik en ecologisch efficiënte produktie”, zegt BSO-directeur E.J. Wintzen. “Naar mijn mening zou elk bedrijf verplicht moeten worden milieu-effecten in zijn boekhouding te verdisconteren, zodat zichtbaar wordt welke milieukosten economische handelingen veroorzaken.”

Het probleem is, zo vinden sceptici, dat de milieuschade moeilijk in geld is uit te drukken. Samen met het ingenieursbureau Econotec Consultants uit het Belgische Mons heeft BSO-Origin gezocht naar een manier om de schade te berekenen. Zo zijn de schoonmaakkosten gebaseerd op schattingen uit het milieuplan van de overheid. Voor de bepaling van de kostprijs van de resteffecten is gekeken naar wat een tiental economische instanties heeft berekend als het kostenniveau dat het huidige economische bestel bereid is te dragen. Wat de milieubelasting van lease-auto's betreft, heeft men zich beperkt tot de uitlaatgassen.

Met zoveel veronderstellingen blijft de rekening onvolmaakt. “Helemaal juist”, zegt G.J.H. Vinke, financieel directeur van BSO. “Tenzij we het over een aantal inschattingen eens worden.” Die mening is ook John Elkington toegedaan. Hij vindt de jaarrekening van BSO/Origin “een stap in de goede richting, maar milieu-accountants moeten wel dezelfde taal gaan spreken.” Directeur Wintzen zegt dat BSO met zijn milieujaarrekening een signaal heeft willen geven. “Ik zie het als het begin van concentrische cirkels. Veel bedrijven hebben ons gebeld met de vraag hoe we het gedaan hebben, omdat zij zelf ook zo'n rekening willen publiceren. Wij nemen dit erg serieus. Ik ben persoonlijk toch wel geschrokken van die twee miljoen gulden schade. Ik heb steeds gedacht dat we een milieuvriendelijk bedrijf waren.”

Niet alle bedrijven hoeven een milieurapportage te publiceren. Het Landelijk Milieu Overleg (LMO) maakt onderscheid tussen drie bedrijfsklassen met elk hun eigen type milieuverslag: hinderwetbedrijven, hinderwetvergunningplichtige bedrijven en bedrijven van een grotere risicoklasse. “De verplichting zou niet moeten gelden voor ondernemingen als BSO,” zegt Elkington van Sustain Ability. “Dit soort bedrijven richt niet al te grote schade aan.” Hij knoopt daar aan vast: “Bij andere bedrijven wordt de milieudruk waarschijnlijk zo groot dat ze uit eigen beweging stappen zullen ondernemen. Winkelketens als Albert Heijn zouden van hun leveranciers bij voorbeeld een milieuverslag kunnen verlangen. Maar als iedereen met zo'n verslag komt, zien we straks door de bomen het bos niet meer. Als Natuur & Milieu aandringt op verplichte milieurapportage voor bedrijven, hoop ik wel dat ze die rapporten eens kritisch tegen het licht houden. Dat gebeurt nu nog te weinig.”

Het Landelijk Milieu Overleg ziet waarmerking door onafhankelijke deskundigen als een noodzakelijke voorwaarde voor de betrouwbaarheid van het milieuverslag. Maar de werkgevers van VNO en NCW tonen zich vooralsnog tegenstanders van een wettelijke verplichting tot waarmerking door derden, iets dat de Europese Commissie ook nastreeft.

“Het doorkruist de initiatieven die de industrie zelf heeft genomen om in ISO-verband (International Organization for Standardization) standaardisatie en certificatie van het milieuzorgsysteem mogelijk te maken”, zegt drs. J.W. Gunster van het Bureau voor Milieuzaken van het VNO/NCW. “Wij vinden het onjuist indien de overheid haar publiekrechtelijke verantwoordelijkheid voor de handhaving van haar eigen regels zou privatiseren. Certificatie van het milieuzorgsysteem via het ISO-spoor zal zeker bijdragen tot de geloofwaardigheid van de milieuvoorlichting door de bedrijven.”

In het buitenland staat reeds een groeiend leger milieu-accountants klaar om de rapportages te certificeren. Milieu-accountancy raakt steeds meer ingeburgerd, zeker sinds de Universiteit van Californië in Irvine in 1988 "milieu-auditing' als leergang introduceerde. “Groen zaken doen is big business geworden,” erkent John Elkington van Sustain Ability. “Grote accountantsbedrijven begeven zich sinds kort ook op het terrein van milieu-advisering. Wij maken ons daar eerlijk gezegd nogal wat zorgen over. Het doel wordt al gauw uit het oog verloren.”

Milieurapportage, zo vindt Elkington, dient onderdeel te zijn van een integraal milieubeleidsplan. “Bedrijven zouden zich eigenlijk als actiegroepen moeten gedragen. Zij moeten niet afwachten wat de overheid doet. Al geef ik toe dat dat niet eenvoudig is. Wij adviseren momenteel een houdstermaatschappij die heel wat bedrijven in portefeuille heeft. Eens zal men een overname domweg moeten weigeren als blijkt dat een bedrijf het milieu teveel belast. Banken beginnen zich nu ook te realiseren dat zij niet langer aan elk bedrijf geld kunnen lenen.”

De meeste multinationals hebben inmiddels een duidelijke milieustrategie uitgestippeld. Allied Signal introduceerde na een incident met een pesticide in 1978 een milieuprogramma dat nog altijd als voorbeeld dient voor andere internationale ondernemingen als Volvo en Union Carbide. Allied Signal controleert jaarlijks 50 van de 240 vestigingen op milieuschade, waarbij het organisatie-adviesbureau Arthur D. Little als arbiter fungeert. Het Amerikaanse bedrijfsleven geeft jaarlijks al zo'n zeventig miljard dollar uit aan milieubeleidsprogramma's. Zo is 3M Corporation met het meer dan negenhonderd projecten omvattende 3P programma (Pollution Prevention Pays) begonnen en introduceerde Polaroid het TUWR-programma (Toxic Use and Waste Reduction) dat vijftig miljoen kost.

Volgens het rapport "Milieuzorg in bedrijven' van Environmental Resources Limited BV uit Zoetermeer zijn het in ons eigen land vooral biochemische bedrijven die een milieuzorgsysteem hebben ingevoerd. Zij publiceren zelden een milieuverslag. De bedrijven refereren in jaarverslagen wel aan allerlei voornemens, maar zonder de concrete uitwerking aan te geven.

Werkgeversorganisaties wijzen een wettelijke regeling voor milieuzorg binnen het bedrijf en voorlichting daarover met een milieuverslag af. Het eerste dient onderdeel te zijn van managementbeleid, zo menen zij. En het tweede wordt gezien als informatieverstrekking, die verschillende vormen kan aan nemen en niet altijd tot een verslag hoeft te leiden. Voorlichting over milieuzaken wordt overigens wel zeer belangrijk gevonden. Openheid over mogelijke milieu-effecten van de bedrijfsactiviteiten en de wijze waarop het bedrijf deze probeert te voorkomen, vergroot immers de maatschappelijke acceptatie en voorkomt klachten.

Ook John Elkington van Sustain Ability vindt dat bedrijven maximale vrijheid moeten krijgen. Wel bepleit hij strengere straffen voor ondernemingen die de milieuwetten overtreden. Bij BSO voelt men wel wat voor een "doorwrochte en gecalculeerde milieubelasting op basis van de zuivere onttrokken waarde'. Een volwassen opvolger dus voor het huidige, nogal arbitraire beleid van boetes en heffingen voor de meest producerende bedrijven.

BSO-directeur Wintzen: “Net zoals de toegevoegde waarden van ondernemingen het bruto nationaal produkt bepalen, kunnen de onttrokken waarden worden opgeteld tot het nationaal verlies. Het verschil, het netto nationaal ecologisch produkt, vormt aardig vergelijkingsmateriaal voor macro-economische studies.”