Karakter van de jeugd herontdekt

Een onderwerp dat u misschien doodgepraat achtte is de deplorabele staat van het onderwijs in de Verenigde Staten. Er is echter goed (en ik denk ook vermakelijk en hoopgevend) nieuws, ook voor andere landen, uit het diepe zuiden - uit de staat Alabama in de Verenigde Staten. De belangrijkste controverse over onderwijs in dit land gaat over wat er onderwezen moet worden, op welke manier, en voor hoe lang.

Onverwachts is in de baaierd van argumenten en theorieën een duidelijke en heldere stem komen bovendrijven, als een zalm in de getijdestroom. Het is de stem van een opgewekte, jonge man van middelbare leeftijd, met een kittig baardje, die een simpele positieve theorie aanhangt over wat er mankeert aan de meeste Amerikaanse scholen. Hij heet Kevin Walsh, is geboren in Pennsylvanië, als zoon van een postbeambte. Hij promoveerde aan de universiteit van Pittsburg, was een jaar of twee hoofd van een plattelandsschool en woont sinds het eind van de jaren zeventig in het zuiden van Alabama, waar hij aan de staatsuniversiteit hoogleraar in de onderwijskunde is.

Walsh is net als ieder andere goede docent ongerust over de kwalitatieve achteruitgang van het onderwijs en hij zal het, hoop ik, met mij eens zijn dat scholen zich in de afgelopen twintig jaar of nog langer, dus te lang, toegeeflijk hebben getoond tegenover wat ik noem “gemakkelijke en rekkelijke normen”. Die beschuldiging verklaart misschien de kinderachtige wedijver tussen de scholen over de examenprestaties van hun leerlingen en de neiging - die algemener is dan de meeste ouders zullen willen toegeven - om te sjoemelen met de examenresultaten zodat hun school op de eerste plaats van de top-tien, of net eronder komt te staan.

Walsh is sceptisch over de veelgehoorde klacht dat ”Johnny' niet kan lezen en schrijven en geen begrip heeft van elementaire wiskunde.

Walsh gelooft namelijk dat Johnny zeer wel in staat is goed te lezen en te schrijven en een voldoende te halen voor wiskunde. Wat hem ervan weerhoudt - daarvan is hij overtuigd - is niet de kwaliteit van zijn hersens, maar van zijn karakter. Want Johnny is een leerling uit de ”verloren generatie'. Hij boekt op papier, in de sociale omgang en op het schoolplein slechte resultaten, omdat niemand hem ooit elementaire gedragsregels heeft bijgebracht. Bij het werken bijvoorbeeld is hij zo weinig punctueel dat hij het al gauw opgeeft. Hij zoekt naar snelle oplossingen in wiskunde en naar vlugge antwoorden bij andere onderwerpen. Hij schreeuwt een antwoord zonder dat hem iets wordt gevraagd. Hij vraagt geen toestemming om het klasselokaal te verlaten. Na een teken- en schilderles laat hij de vuile penselen liggen. Hij houdt van dieren en huisdieren, maar kan ze niet verzorgen.

Ik kan me voorstellen hoe een vorige generatie, mijn vader, zijn vader en de tegenwoordige generatie van ouders - vooral in Azië - allemaal reageren met dezelfde geschokte vraag: maar wat deden die ouders dan? Heeft hij die dingen thuis niet geleerd? Walsh zegt dat daarin juist het probleem schuilt. We zijn blijven veronderstellen dat de tegenwoordige generatie ouders hun kinderen op dezelfde wijze gedrag, plichten, manieren of hoe je het ook wilt noemen, bijbrengen vóórdat zij naar school gaan. Maar, zegt Walsh, in veel huishoudens in de Verenigde Staten is er maar één ouder, of werken beide ouders, waardoor niemand zich bezig houdt met het opvoeden van kinderen tot verantwoordelijke jonge mensen.

Ik herinner me dat, tien of twaalf jaar geleden, een jonge tennisspeler wiens naam nu niet terzake doet, zijn driftbuien en scheldpartijen uitstortte over het hoofd van scheidsrechters met pokergezichten, die er te lang helemaal niets tegen ondernamen. Een vriend van mij, een golfer die in alle opzichten een wereldkampioen was, reageerde daarop met de woorden: “je moet het hem niet kwalijk nemen, maar zijn vader”. Mijn vriend vertelde hoe hij - als jonge tiener die ieder vrij uur na school vol overgave besteedde aan het golfspel - een keer bij de laatste hole toen hij er heel goed voorstond alles verknalde met een onhandige double bogie. Hij greep zijn putter en smeet hem weg. Op weg naar huis zei zijn vader “Jack, ik wil je iets zeggen. Als je nog één keer met een golfclub gooit mag je een half jaar lang niet spelen”. Jack vertelde me het verhaal met evenveel trots als ontzag en zei: “Ik wist dat hij het meende en ik heb nooit meer met een club gesmeten”.

Het meesmuilend gesnuif kon niet uitblijven. Evenmin als het hoofdschudden van allerlei psychologen, hoogleraren in de opvoedkunde en een ”professor in de ontwikkelingspsychologie' die er snel bij waren om de ideeën van Walsh af te doen als naïef, oppervlakkig en misplaatst. De onvermijdelijkheid van een controverse tussen Walsh en de psychologen zit - daarvan ben ik zeker - in het woordgebruik van Walsh: karakter, zelfdiscipline, ja, zelfs regels. Als iedere leerkracht wordt geacht verantwoordelijk te zijn voor karaktervorming, het aanleren van zelfdiscipline en het opleggen van sociale regels, dan zouden de psychologen zonder werk zitten. Zij zullen Walsh niet serieus nemen als hij bijvoorbeeld zegt dat kinderen die aan gedragsregels worden onderworpen ”uiteindelijk plezier beleven aan het ontdekken en toepassen van verantwoordelijkheid'. Waarop de professor in de ontwikkelingspsychologie (overigens op duizend mijl afstand in New York) tegenwerpt: “Etiquette in het klasselokaal kan de creativiteit beknotten” en “... professor Walsh houdt geen rekening met de cognitieve ontwikkeling van kinderen”. Ik moet toegeven, ik weet zeker dat cognitieve ontwikkeling wel het laatste is waar Walsh aan zal denken. Hij heeft het te druk om achter een leerling aan te gaan die graffiti op de muur van het schoolgebouw heeft gespoten. En in plaats van het kind te prijzen om zijn creativiteit heeft Walsh hem een straf opgelegd en opgedragen de muur schoon te maken.

Ik aarzel om een oppervlakkig spreekwoord te gebruiken als “de praktijk zal het moeten uitwijzen” (ik ken niet het ontwikkelingjargon hiervoor), maar professor Walsh die zijn eigen ”misplaatste' ideeën najaagt, is twaalf maal in twaalf jaar uitgeroepen tot ”leraar van het jaar' door de Universiteit van Alabama. Onderwijskundigen in andere staten zijn in hem geïnteresseerd en zijn colleges zitten bomvol. De scholen in Alabama die de ideeën van Walsh hebben overgenomen zeggen dat zoveel van deze ”simpele zielen' (de kinderen) zijn vervuld van een verlangen “het beste te doen dat ze kunnen bereiken”, dat de scholen hun onderwijsniveaus hebben moeten verhogen en meer ruimte hebben moeten geven aan de opleidingen in wetenschappen en talen.

Een (vrouwelijk) hoofd van een middelbare school vertelde aan de New York Times: ”ik kan het me moeilijk voorstellen kinderen te onderwijzen in lezen en schrijven zonder te trachten hun karakter te vormen'. De zucht die je nu hoort komt uit de kring van ontwikkelingspsycologen die weigeren het woord karaktervorming in de mond te nemen. Maar Walsh noemt het kind bij de naam. Het gaat hem om ”het opnieuw formuleren van waarden en normen' Hij heeft het karakter van de scholier herontdekt.