Ina de Paauw (38), directeur Uitvaartverzorging ...

Ina de Paauw (38), directeur Uitvaartverzorging Aula West, Amsterdam

“De uitvaartleiders zijn gekleed in het zwart, de dragers voeren zwart of antraciet. Vrouwelijke uitvaartleiders hebben hun hoed permanent op, de heren doen hun hoge zijden hoed alleen binnen af. De functie van ons uniform is in de eerste plaats: herkenbaarheid. Jij hebt de organisatie in handen en moet snel te vinden zijn. De dragers hebben een pet op, evenals de chauffeurs. Wij hebben een eigen ploeg die is gekneed en getraind, precies zoals wij dat willen. Bij de grotere uitvaartondernemingen wordt een rijdende baar gebruikt. Wij doen nog aan ècht dragen, waarmee we de overledene uittillen boven de anderen en zichtbaar maken. De dragers schouderen op en af na het commando "Heren, alstublieft'. Dat moet, anders gaat de kist schuinhangen en kunnen de bloemen eraf vallen. Wij vinden het prima als de familie zelf wil dragen. Hoe meer de mensen betrokken zijn bij de ceremonie, des te beter kunnen ze in het reine komen met hun verdriet. Hoewel ik primair de directie voer, leid ik nog regelmatig een uitvaart. Je komt bij de mensen thuis en hoort veel over hun persoonlijke omstandigheden. Het gebeurt wel eens dat ze iemand er per se niet bij willen hebben. Of ze gaan op de begrafenis ruzie staan maken. In dit vak moet je sociaal heel vaardig zijn. Wij juichen het toe als mensen iets afwijkends willen. Je hoort wel zeggen: "Crematies zijn altijd zo kil.' Ja, het is kil als mensen niets meer kunnen bedenken dan het draaien van drie stukjes muziek - het geijkte stukje orgel, Ave Maria of Mie Ketelkamp. Dan kan ik er ook niks meer van maken en ben ik binnen acht minuten de aula weer uit. Als kleinkinderen een muziekinstrument beheersen, dan moeten ze dat vooral bespelen. Beter dan dat eeuwige orgel. Mensen zijn zelfs vaak bang om hun kinderen mee te nemen. Dom, zo worden die kinderen net zo onbeholpen als hun ouders. Zij beseffen niet dat de dood onlosmakelijk verbonden is met het leven. Toch moet je ook oppassen dat de plechtigheid niet alleen de ijdelheid van de familie dient. Wij kaaskoppen kunnen veel leren van buitenlandse begrafenissen. Daar is het nog een ritueel, met alles erop en eraan. Ze doen ook meer zèlf. En ze zijn meestal passend en verzorgd gekleed. Wij bestaan het om te verschijnen met joggingbroeken, slobbertruien, minirokken en afgetrapte sportschoenen: niet om aan te zien! Heel jammer, en ook vreemd. Het is tenslotte een speciale gelegenheid, die iemand maar één keer overkomt.”