IJs, sneeuw en grove mannen

Salmonberries Regie: Percy Adlon. Met: K.D. Lang, Rosel Zech. Amsterdam, Desmet; Nijmegen, Cinemariënburg; Utrecht, 't Hoogt.

De Duitse filmer Percy Adlon kan niet worden verweten dat hij op zijn lauweren rust, of zelfs maar dat hij kiest voor iets gemakkelijker te realiseren projecten. Op het succes van zijn Bagdad Café (1987) had de filmindustrie hem gerust nog eventjes laten voortborduren, maar met Rosalie Goes Shopping (1989) was het uit met zijn Amerikaanse films rond de cult-actrice Marianne Sägebrecht. Adlon en de Canadese popzangeres K.D. Lang ontdekten elkaar. Zij vroeg van hem een videoclip, hij verlangde van haar een debuut als filmactrice. Want met haar uitstraling zag Adlon de mogelijkheid om een oud verlangen te realiseren: een film te draaien in het Pool-gebied.

En dus schreef hij de film Salmonberries, waarvoor hij Alaska wist te verbinden met de val van de Berlijnse Muur. K.D. Lang speelt een stuurse, als man poserende Eskimo-vondelinge, de intense Duitse actrice Rosel Zech een vluchtelinge uit de DDR die zo haar redenen heeft om zich zover mogelijk van de bewoonde wereld terug te trekken. De twee vrouwen zijn eenlingen. Ze gaan elk gebukt onder hun respectieve verledens en zijn geen van beiden uit op gezelligheid. In Salmonberries zien we ze naar elkaar groeien, tegen een door Adlon visueel krachtig uitgebuite, majestueuze achtergrond van ijs, sneeuw, sledehonden en grove mannen. Ze bieden elkaar de sleutels die nodig zijn om hun verledens nog één maal te openen en ze dan, treurig maar verlicht, voorgoed af te sluiten.

Salmonberries is bij vlagen een adembenemende film. Het hart van de ene vrouw vroor dicht door verdriet, het hart van de ander doordat er niemand, zelfs niet haar moeder, ooit van haar hield. De manier waarop de vrouwen onder elkaars invloed smelten is razend knap. Woorden komen er nauwelijks aan te pas, gezichten, handelingen, obsessies en contact met de grimmige natuur des te meer. De reis die ze maken naar Oost-Berlijn, waar de Eskimose in de hotelkamer ongedwongen boven op de linnenkast zit, is des te aangrijpender, omdat wat we daar zien gebeuren verder reikt dan een persoonlijk verhaal: de Muur is doorbroken, maar bleef in de geest van menigeen staan. De slachtoffers die bij die Muur vielen blijven dood, de daders van weleer volharden in hun destijds gekozen gelijk en het oude, ingesleten zeer kan niet worden geheeld.

Jammer genoeg is Adlon te vaak bang dat zijn publiek iets niet zal vatten. Hij ziet zich dan gedwongen tot uitleg en schiet zijn doel voorbij. Hij meent een videoclip in te moeten voegen, die de groeiende relatie tussen de vrouwen op smachtende wijze illustreert; en bederft. Hij maakt de zwijgzame Eskimose, wier instinct en stille daadkracht zo heilzaam werkten, nu en dan onverwacht welbespraakt, en irriteert ons vervolgens met haar ongeloofwaardige damesblad-achtig psychologiserende toon. Verschaft hij ten slotte uitgerekend haar Duitse vriendin, die nauwelijks iemand in de wereld kent, een kennis die de herkomst kan herleiden van de vondelinge van destijds, dan gaat hij te ver. Weliswaar kan nu het geheim van de Eskimose worden opgelost, maar opluchten doet dat niet. Het is te veel, te toevallig, te sentimenteel.