Haendel moeizaam op gang

Concert: Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly m.m.v. Ida Haendel, viool. Programma: A. Webern: Passacaglia op. 1; R. Schumann: Vioolconcert; P.I. Tsjaikofski: Vijfde symfonie. Gehoord: 22/1 Concertgebouw Amsterdam. Herhalingen: 23, 24/1.

Al in de jaren '30 stond de Poolse violiste Ida Haendel op het podium als 13-jarig wonderkind en na de Tweede Wereldoorlog werd zij wereldberoemd. Pas gisteravond speelde Ida Haendel voor het eerst bij het Concertgebouworkest, iets dat even merkwaardig is als het repertoire waarop ze zich tegenwoordig toelegt. Vorig jaar speelde ze nog bij het Residentie Orkest het Vioolconcert van Petterson, bijna een uur totale psychiatrische gekte die steeds indrukwekkender werd. En nu vertolkt ze in Amsterdam een ander curiosum: het Vioolconcert van Schumann (1810-1856), een stuk dat in première ging in 1937, het jaar waarin de nu 67-jarige Ida Haendel debuteerde.

Het verhaal over de ontdekking van Schumanns Vioolconcert is opmerkelijker dan het stuk zelf: de nooit gespeelde compositie werd in de jaren '30 in de nalatenschap van de violist Joachim gevonden op aanwijzing van de geest van Schumann zelf, nadat die zich in 1933 op een spiritistische bijeenkomst in Londen als zodanig had kenbaar gemaakt. Clara Schumann vond het kennelijk beter na de dood van Schumann, die in een inrichting voor geestesziekten stierf, het werk niet te publiceren.

Schumanns opus maximus posthumus is inderdaad een wat zeurderig en niet erg geïnspireerd vioolconcert en de verdediging door Ida Haendel kwam gisteravond bovendien moeizaam op gang. De tempi leken nog trager dan de aanduidingen voor de drie delen (niet te snel, langzaam en niet snel). En Riccardo Chailly is niet de ideale dirigent voor Schumann, wiens heel eigen nerveus-gevoelige romantische stijl ook door anderen vaak te gemakkelijk wordt ingepast in de klassieke trits Beethoven-Schubert-Brahms. In het tussendeel kreeg de vertolking van Haendel zeker niveau, maar de flamboyante stijl waarmee ze beroemd werd, kon ze hier toch nauwelijks etaleren. Het geheel bleef uiteindelijk toch steken in niet overtuigende goede bedoelingen.

Hoe anders was het na de pauze: de Vijfde symfonie van Tsjaikofksi kreeg een fantastisch gedreven uitvoering. Net als eerder in Weberns Passacaglia was er overdadige pracht aan wisselende klankkleuren en werd door het orkest buitengewoon liefdevol en zorgvuldig gespeeld. Het Andante cantabile was een weldadig wonder. Chailly, die na afloop terecht de bloemen liet brengen naar solohoorniste Julia Studebaker, maakte vooral ook indruk door de opgebouwde spanning moeiteloos vol te houden en gepassioneerd te intensiveren zonder te vervallen in spectaculair opgevoerde volumes, zelfs niet in de finale.